[A] Wij zullen in het vervolg de verdeeling in nachten achterwege laten,
als zijnde het voor den lezer minder aangenaam hierdoor telkens het
verhaal te zien afbreken. Genoeg zij het, hier mede te deelen, dat
Scheherazade den sultan van Indië door de navolgende verhalen
zoodanig wist te boeijen, dat hij haar telken male één dag uitstel
verleende.
„Sire,” vervolgde Scheherazade, „de grijsaard, steeds tot den geest
sprekende, ging aldus voort, zijne geschiedenis te vertellen. „Ik nam
dan,” zeide hij, „het mes, en was gereed dit in de keel van mijnen zoon
te stooten, toen hij mij met zijne met tranen gevulde oogen eenen zoo
smeekenden blik toewierp, dat ik geheel ontroerde en mij de kracht
ontbrak voort te gaan. Het mes ontglipte aan mijne bevende hand en ik
zeide tot mijne vrouw, vast besloten te zijn een ander kalf in zijne
plaats te slagten. Zij liet niet na om te trachten mij door gebeden
en bedreigingen van meening te doen veranderen. Ik bleef ditmaal
standvastig, en beloofde, alleen om haar wat neder te zetten, dat ik
dit kalf, haar ten genoegen, een jaar later op het eerstvolgende
Baïramsfeest, zou offeren.
Den volgenden morgen kwam de pachter, en vroeg mij in persoon te mogen
spreken. „Ik kom,” zeide hij, „u een nieuws mededeelen, waarvoor gij
mij, gelijk ik mij durf vlijen, dank zult weten. Ik heb eene dochter,
welke eenige kennis van de tooverij bezit. Toen ik nu gisteren het kalf,
dat gij niet hadt willen offeren, weder op den stal bragt, bemerkte ik
dat zij eerst lachte, en een oogenblik daarna begon te weenen. Dit kwam
mij zoo vreemd voor, dat ik haar naar de reden vroeg van twee zoo met
elkander strijdige aandoeningen. „Vader,” gaf zij ten antwoord, dit
kalf is de zoon van onzen meester. Ik verblijdde mij het levend terug
te zien, en weende bij de herinnering aan het treurige lot van zijne
moeder, welke in eene koe was veranderd. Deze twee herscheppingen zijn
te weeg gebragt door de betoovering van de vrouw van onzen meester,
welke de moeder en het kind haatte, en er zich van wenschte te ontslaan
door hen aan eenen wreeden dood prijs te geven.”
Gij kunt, o geest!” vervolgde de grijsaard, „oordeelen over mijn' schrik
en mijne verbazing bij het hooren dezer woorden, waardoor mij plotseling
alles werd opgehelderd, wat vroeger in het duistere lag. Ik vertrok op
het eigen oogenblik met den pachter, om in persoon met zijne dochter te
spreken. Op de pachthoeve gekomen, was mijn eerste werk naar den stal te
gaan, waar zich mijn ongelukkige zoon bevond, dien ik op het punt had
gestaan met eigen hand te dooden. Ik omhelsde en kuste hem. De spraak
ontbrak hem om de teedere namen, die ik hem gaf, te kunnen beantwoorden,
maar hij ontving mijne liefkozingen op zulk eene wijze, dat mij geen'
twijfel meer overbleef of hij was mijn geliefde en als vermist betreurde
zoon.
Op dit oogenblik kwam de dochter van den pachter in den stal. Ik ging
dadelijk tot haar, en vroeg of zij de magt bezat aan mijnen zoon zijne
vorige gestalte te hergeven. „Ja, die magt heb ik,” luidde het voor mij
verblijdende antwoord. „O!” hernam ik in mijne vreugde, „zoo gij dit
wilt doen en er in slaagt, zal ik u tot meesteres over al mijne goederen
maken.” „Gij zijt,” sprak zij, „mijn meester en ik weet zeer goed wat
ik u verschuldigd ben, maar ik moet u vooraf mededeelen, dat ik aan
uwen zoon zijne vorige gestalte niet kan terug geven, dan op twee
voorwaarden: ten eerste dat gij hem mij tot echtgenoot geeft, en ten
tweede dat het mij geoorloofd zij de persoon, die hem in een kalf heeft
veranderd, naar mijn welbehagen te straffen.” „Wat de eerste voorwaarde
betreft,” hernam ik, „daar neem ik van ganscher harte genoegen in, en
zal u eene rijke huwelijksgift geven, waarover gij geheel vrij, als over
uw bijzonder eigendom, zult kunnen beschikken. In één woord, gij zult
ondervinden, dat ik de groote dienst, welke ik van u verlang, naar
waarde zal weten te schatten. Wat uwe tweede voorwaarde, mijne vrouw
betreffende, aangaat, ook daar heb ik vrede meê; iemand, tot zulk eene
afschuwelijke misdaad in staat, verdient deswegens gestraft te worden.
Ik geef haar in uwe handen over, handel met haar naar uw welgevallen,
alleen bid ik u haar het leven niet te benemen, opdat zij den tijd moge
hebben, zich door een opregt berouw met den hemel te verzoenen.” „Ik zal
dan,” sprak zij, „met haar handelen, zoo als zij met uwen zoon gehandeld
heeft.” „Doe dit,” gaf ik ten antwoord, „maar geef mij eerst mijnen zoon
terug.”
Hierop nam zij een' nap met water, prevelde daarover eenige voor mij
onverstaanbare woorden, en zich daarop tot het kalf rigtende, zeide zij
overluid: „O kalf! indien gij door den Almagtigen Beheerscher van hemel
en aarde geschapen zijt, gelijk gij u op dit oogenblik vertoont, zoo
behoud deze gestalte; maar zoo gij een mensch waart en door tooverij in
een kalf herschapen zijt, zoo herneem, met goedvinden van den Schepper
des heelals, uwe natuurlijke gedaante.” Bij het uitspreken dezer woorden
besprengde zij het kalf met water, en terstond herkreeg mijn zoon zijne
vorige gedaante.
„Mijn zoon! mijn lieve zoon!” riep ik, hem omhelzende, uit, in eene
vervoering, waarvan ik geen meester was, „het is de hemel, die ons dit
meisje heeft toegezonden, om de afschuwelijke betoovering, waarvan gij
het slagtoffer waart, te doen eindigen, en u wraak te verschaffen over
het kwaad, dat u en uwe moeder werd aangedaan. Ik twijfel dus niet, of
gij zult uit dank en erkentenis haar wel tot uwe vrouw willen nemen,
waartoe ik mij reeds verbonden en mijne bewilliging gegeven heb.” Mijn
zoon gaf met vreugde zijne toestemming. Alvorens zij echter in het
huwelijk traden, veranderde de dochter van den pachter mijne vrouw in
eene hinde, en zij is het, welke gij hier bij mij ziet. Het was op mijn
verlangen, dat zij deze en niet eene nog minder aangename gedaante
bekwam, opdat wij haar zonder tegenzin in onzen familiekring zouden
kunnen dulden. Eenigen tijd daarna werd mijn zoon weduwnaar en ging, om
zijn verdriet te verzetten, op reis. Vele jaren zijn er thans verloopen,
zonder dat ik iets van hem vernam; ik heb mij op weg begeven, ten einde
zoo mogelijk, indien hij nog in leven is, zijn tegenwoordig verblijf op
te sporen. Gedurende mijne afwezigheid de zorg over mijne vrouw aan geen
ander willende toevertrouwen, wist ik er niets beters op dan haar overal
met mij te nemen. Ziedaar nu mijne geschiedenis en die van deze hinde.
Is zij niet zeer verrassend en vreemd?” „Dat stem ik u toe,” sprak de
geest, „en uit dien hoofde scheld ik den koopman het derde deel zijner
schuld kwijt.””
„Toen de eerste grijsaard zijne geschiedenis geëindigd had, sire!”
vervolgde de sultane, „rigtte de tweede, met de twee zwarte honden, het
woord tot den geest en zeide: „Ik zal u verhalen wat mij en de twee
zwarte honden, die gij bij mij ziet, is bejegend, en ik ben overtuigd,
dat gij mijne geschiedenis nog vreemder zult vinden dan die welke gij
thans hebt aangehoord. Maar indien ik ze verhaal, scheldt gij dan het
tweede derde deel der schuld aan dezen koopman kwijt?” „Ja,” sprak de
geest, „doch alleen onder voorwaarde, dat uwe geschiedenis werkelijk nog
wonderbaarlijker is dan die van de hinde.” Op deze toestemming ving de
tweede grijsaard aldus aan.