VIJFDE NACHT.[A]

[A] Wij zullen in het vervolg de verdeeling in nachten achterwege laten,

als zijnde het voor den lezer minder aangenaam hierdoor telkens het

verhaal te zien afbreken. Genoeg zij het, hier mede te deelen, dat

Scheherazade den sultan van Indië door de navolgende verhalen

zoodanig wist te boeijen, dat hij haar telken male één dag uitstel

verleende.

„Sire,” vervolgde Scheherazade, „de grijsaard, steeds tot den geest

sprekende, ging aldus voort, zijne geschiedenis te vertellen. „Ik nam

dan,” zeide hij, „het mes, en was gereed dit in de keel van mijnen zoon

te stooten, toen hij mij met zijne met tranen gevulde oogen eenen zoo

smeekenden blik toewierp, dat ik geheel ontroerde en mij de kracht

ontbrak voort te gaan. Het mes ontglipte aan mijne bevende hand en ik

zeide tot mijne vrouw, vast besloten te zijn een ander kalf in zijne

plaats te slagten. Zij liet niet na om te trachten mij door gebeden

en bedreigingen van meening te doen veranderen. Ik bleef ditmaal

standvastig, en beloofde, alleen om haar wat neder te zetten, dat ik

dit kalf, haar ten genoegen, een jaar later op het eerstvolgende

Baïramsfeest, zou offeren.

Den volgenden morgen kwam de pachter, en vroeg mij in persoon te mogen

spreken. „Ik kom,” zeide hij, „u een nieuws mededeelen, waarvoor gij

mij, gelijk ik mij durf vlijen, dank zult weten. Ik heb eene dochter,

welke eenige kennis van de tooverij bezit. Toen ik nu gisteren het kalf,

dat gij niet hadt willen offeren, weder op den stal bragt, bemerkte ik

dat zij eerst lachte, en een oogenblik daarna begon te weenen. Dit kwam

mij zoo vreemd voor, dat ik haar naar de reden vroeg van twee zoo met

elkander strijdige aandoeningen. „Vader,” gaf zij ten antwoord, dit

kalf is de zoon van onzen meester. Ik verblijdde mij het levend terug

te zien, en weende bij de herinnering aan het treurige lot van zijne

moeder, welke in eene koe was veranderd. Deze twee herscheppingen zijn

te weeg gebragt door de betoovering van de vrouw van onzen meester,

welke de moeder en het kind haatte, en er zich van wenschte te ontslaan

door hen aan eenen wreeden dood prijs te geven.”

Gij kunt, o geest!” vervolgde de grijsaard, „oordeelen over mijn' schrik

en mijne verbazing bij het hooren dezer woorden, waardoor mij plotseling

alles werd opgehelderd, wat vroeger in het duistere lag. Ik vertrok op

het eigen oogenblik met den pachter, om in persoon met zijne dochter te

spreken. Op de pachthoeve gekomen, was mijn eerste werk naar den stal te

gaan, waar zich mijn ongelukkige zoon bevond, dien ik op het punt had

gestaan met eigen hand te dooden. Ik omhelsde en kuste hem. De spraak

ontbrak hem om de teedere namen, die ik hem gaf, te kunnen beantwoorden,

maar hij ontving mijne liefkozingen op zulk eene wijze, dat mij geen'

twijfel meer overbleef of hij was mijn geliefde en als vermist betreurde

zoon.

Op dit oogenblik kwam de dochter van den pachter in den stal. Ik ging

dadelijk tot haar, en vroeg of zij de magt bezat aan mijnen zoon zijne

vorige gestalte te hergeven. „Ja, die magt heb ik,” luidde het voor mij

verblijdende antwoord. „O!” hernam ik in mijne vreugde, „zoo gij dit

wilt doen en er in slaagt, zal ik u tot meesteres over al mijne goederen

maken.” „Gij zijt,” sprak zij, „mijn meester en ik weet zeer goed wat

ik u verschuldigd ben, maar ik moet u vooraf mededeelen, dat ik aan

uwen zoon zijne vorige gestalte niet kan terug geven, dan op twee

voorwaarden: ten eerste dat gij hem mij tot echtgenoot geeft, en ten

tweede dat het mij geoorloofd zij de persoon, die hem in een kalf heeft

veranderd, naar mijn welbehagen te straffen.” „Wat de eerste voorwaarde

betreft,” hernam ik, „daar neem ik van ganscher harte genoegen in, en

zal u eene rijke huwelijksgift geven, waarover gij geheel vrij, als over

uw bijzonder eigendom, zult kunnen beschikken. In één woord, gij zult

ondervinden, dat ik de groote dienst, welke ik van u verlang, naar

waarde zal weten te schatten. Wat uwe tweede voorwaarde, mijne vrouw

betreffende, aangaat, ook daar heb ik vrede meê; iemand, tot zulk eene

afschuwelijke misdaad in staat, verdient deswegens gestraft te worden.

Ik geef haar in uwe handen over, handel met haar naar uw welgevallen,

alleen bid ik u haar het leven niet te benemen, opdat zij den tijd moge

hebben, zich door een opregt berouw met den hemel te verzoenen.” „Ik zal

dan,” sprak zij, „met haar handelen, zoo als zij met uwen zoon gehandeld

heeft.” „Doe dit,” gaf ik ten antwoord, „maar geef mij eerst mijnen zoon

terug.”

Hierop nam zij een' nap met water, prevelde daarover eenige voor mij

onverstaanbare woorden, en zich daarop tot het kalf rigtende, zeide zij

overluid: „O kalf! indien gij door den Almagtigen Beheerscher van hemel

en aarde geschapen zijt, gelijk gij u op dit oogenblik vertoont, zoo

behoud deze gestalte; maar zoo gij een mensch waart en door tooverij in

een kalf herschapen zijt, zoo herneem, met goedvinden van den Schepper

des heelals, uwe natuurlijke gedaante.” Bij het uitspreken dezer woorden

besprengde zij het kalf met water, en terstond herkreeg mijn zoon zijne

vorige gedaante.

„Mijn zoon! mijn lieve zoon!” riep ik, hem omhelzende, uit, in eene

vervoering, waarvan ik geen meester was, „het is de hemel, die ons dit

meisje heeft toegezonden, om de afschuwelijke betoovering, waarvan gij

het slagtoffer waart, te doen eindigen, en u wraak te verschaffen over

het kwaad, dat u en uwe moeder werd aangedaan. Ik twijfel dus niet, of

gij zult uit dank en erkentenis haar wel tot uwe vrouw willen nemen,

waartoe ik mij reeds verbonden en mijne bewilliging gegeven heb.” Mijn

zoon gaf met vreugde zijne toestemming. Alvorens zij echter in het

huwelijk traden, veranderde de dochter van den pachter mijne vrouw in

eene hinde, en zij is het, welke gij hier bij mij ziet. Het was op mijn

verlangen, dat zij deze en niet eene nog minder aangename gedaante

bekwam, opdat wij haar zonder tegenzin in onzen familiekring zouden

kunnen dulden. Eenigen tijd daarna werd mijn zoon weduwnaar en ging, om

zijn verdriet te verzetten, op reis. Vele jaren zijn er thans verloopen,

zonder dat ik iets van hem vernam; ik heb mij op weg begeven, ten einde

zoo mogelijk, indien hij nog in leven is, zijn tegenwoordig verblijf op

te sporen. Gedurende mijne afwezigheid de zorg over mijne vrouw aan geen

ander willende toevertrouwen, wist ik er niets beters op dan haar overal

met mij te nemen. Ziedaar nu mijne geschiedenis en die van deze hinde.

Is zij niet zeer verrassend en vreemd?” „Dat stem ik u toe,” sprak de

geest, „en uit dien hoofde scheld ik den koopman het derde deel zijner

schuld kwijt.””

„Toen de eerste grijsaard zijne geschiedenis geëindigd had, sire!”

vervolgde de sultane, „rigtte de tweede, met de twee zwarte honden, het

woord tot den geest en zeide: „Ik zal u verhalen wat mij en de twee

zwarte honden, die gij bij mij ziet, is bejegend, en ik ben overtuigd,

dat gij mijne geschiedenis nog vreemder zult vinden dan die welke gij

thans hebt aangehoord. Maar indien ik ze verhaal, scheldt gij dan het

tweede derde deel der schuld aan dezen koopman kwijt?” „Ja,” sprak de

geest, „doch alleen onder voorwaarde, dat uwe geschiedenis werkelijk nog

wonderbaarlijker is dan die van de hinde.” Op deze toestemming ving de

tweede grijsaard aldus aan.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 15 / 29 题