Ik zal dan, hernam de grijsaard, u mijn verhaal voordragen, verleen mij
daartoe, als ik u verzoeken mag, uwe onverdeelde aandacht. De hinde,
welke gij hier ziet, is mijne nicht en bovendien mijne vrouw. Zij had,
toen ik haar huwde, eerst haar twaalfde jaar bereikt, zoodat ik met regt
kan zeggen, dat zij mij evenzeer als vader, bloedverwant en echtgenoot
kon beschouwen.
Dertig jaren leefden wij met elkander zonder dat onze echt met kinderen
werd gezegend; dit belette mij echter niet met haar in liefde en
vriendschap te leven. De zucht naar een' erfgenaam, aan wien ik mijn
niet onaanzienlijk vermogen zou kunnen nalaten, bewoog mij eene slavin
te koopen, bij wie ik eenen zoon kreeg, die van zijne prille jeugd
af aan een' veel belovenden aanleg had. Mijne vrouw, door jaloezij
gedreven, vatte een' grooten haat op tegen moeder en kind, doch wist
dezen onedelen hartstogt zoo goed te verbergen, dat ik daarvan niets
ontdekte, dan toen het reeds te laat was.
Intusschen groeide mijn zoon zeer voorspoedig op en reeds had hij zijn
tiende jaar bereikt, toen ik in de noodzakelijkheid kwam eene verre reis
te maken. Vóór mijn vertrek beval ik moeder en zoon bij mijne vrouw aan,
en verzocht haar voor beiden, gedurende mijne afwezigheid, zorg te
dragen, daar ik een geheel jaar van huis zou moeten zijn. Zij beloofde
mij zulks en ik vertrouwde er op. Doch naauwelijks was ik vertrokken of
de ontrouwe peinsde op middelen om haren haat te bevredigen. Zij legde
zich toe op de tooverij, en zoodra zij in deze duivelkunst genoegzaam
ervaren was, om het helsche plan, dat zij ontworpen had, ten uitvoer te
kunnen brengen, lokte de verraderes mijn' zoon op eene eenzame plaats.
Daar herschiep zij hem, door hare tooverijen, in een kalf, en bragt hem
onder die gestalte bij mijnen pachter, om als een kalf, dat zij voorgaf
gekocht te hebben om vet te mesten, te worden opgekweekt. Hiermede nog
niet voldaan, handelde zij op gelijke wijze met de slavin, en herschiep
haar in eene koe, die zij mede bij den pachter bragt. Bij mijne
tehuiskomst, kwam mijne vrouw mij onder vele teekenen van geveinsde
vreugde te gemoet loopen. Ik omhelsde haar, en mijne eerste vraag was
naar de moeder en het kind, die ik aan hare zorgen had toevertrouwd.
„Uwe slavin,” zeide zij, „is gestorven, en wat uw zoon aangaat, het
is reeds twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst gezien heb,
zonder dat ik weet waarheen hij zich begeven heeft en wat er van hem
geworden is.” De dood van mijne slavin trof mij, doch daar mijn' zoon
zich slechts verwijderd had, vleide ik mij met de hoop, dat hij, zoodra
hij mijne terugkomst vernam, spoedig terug zou keeren. Inmiddels
verliepen er acht volle maanden zonder dat hij terugkwam of iets van
zich liet hooren; toch vleide ik mij dat hij, met het ophanden zijnde
Baïramsfeest, zich niet te vergeefs zou laten wachten. Om dit feest en,
zoo ik bleef hopen, de terugkomst van mijnen geliefden zoon op waardige
wijze te vieren, beval ik den pachter mij daartoe een der vetste beesten
van zijn' stal te brengen. Hij bleef niet in gebreke, maar, wat ik
niet kon vermoeden, de koe welke hij mij bragt, was mijne slavin, de
ongelukkige moeder van mijn' zoon! Ik bond haar vast, doch op het
oogenblik, dat ik het offermes ophief om haar te slagten, begon zij zeer
droevig te bulken, en ik bemerkte dat de tranen bij stroomen uit hare
oogen liepen. Dit kwam mij zeer vreemd voor, en mijns ondanks door
een gevoel van mededoogen aangegrepen, kon ik niet besluiten haar
te dooden. Ik beval dus aan den pachter mij een ander offerdier te
brengen.
Mijne vrouw, die hierbij tegenwoordig was, beefde, toen zij mijn
mededoogen zag, van verontwaardiging, en verzette zich tegen een bevel,
waardoor haar boosaardig plan dreigde verijdeld te zullen worden. „Wat
wilt gij aanvangen, mijn vriend!” riep zij, „wees geen kind, slagt deze
koe, ik verzeker u dat onze pachter er geene op zijn' stal heeft, die
vetter en beter geschikt is tot het gebruik dat wij er van willen
maken.” Uit toegevendheid voor mijne vrouw naderde ik de koe, en
het medelijden onderdrukkende, dat mij weêrhouden had het offer te
volbrengen, wilde ik haar den doodelijken slag toebrengen, toen het
slagtoffer, hare tranen verdubbelende, zoo hartverscheurend begon te
loeijen, dat ik mij daardoor andermaal ontwapend zag. Ik gaf toen het
slagtmes aan den pachter, tot hem zeggende: „neem en slagt gij de koe,
haar droevig bulken en hare tranen maken mijn hart week en mijn' arm
krachteloos.”
De pachter, minder teêrgevoelig dan ik, bragt haar zonder verwijl den
doodsteek toe. Maar de huid afstroopende, bleek het, dat de koe, hoe vet
zij ons ook ware voorgekomen, dood mager en enkel vel en been was. Ik
had er nu een dubbel verdriet van. „Neem,” zeide ik tot den pachter, „de
koe voor u, ik schenk ze u geheel; onthaal er uw gezin op, deel, zoo gij
wilt, de overige stukken aan de armen uit, en zoodra gij een vet kalf op
stal hebt, brengt het mij in hare plaats, opdat ik het offere.”
Ik deed er volstrekt geen onderzoek naar hoe de pachter met de koe
handelde, maar kort daarop bragt hij mij een zeer vet kalf. Hoewel ik
niet wist, dat dit kalf mijn' zoon was, voelde ik echter reeds op het
eerste gezigt eene gemoedsaandoening, die mij zelven onverklaarbaar was.
Van zijn' kant, deed hij, zoodra hij mij zag, eene zoo geweldige poging
om bij mij te komen, dat hij zijn touw stuk brak. Hij wierp zich voor
mijne voeten, den kop ter aarde gebogen, als wilde hij daardoor mijn
mededoogen opwekken en mij bezweren hem het leven niet te benemen. Hij
trachtte zoo veel hem doenlijk was mij te kennen te geven, dat hij mijn'
zoon was.
Ik was hierover nog meer verwonderd en getroffen, dan door de tranen van
de koe. Ik gevoelde een diep medelijden met het beest, of beter gezegd,
het bloed deed in mijn hart zijne regten gelden. „Ga,” zeide ik tot den
pachter, „neem dit kalf weder met u, draag er de meeste zorg voor, en
breng mij dadelijk een ander in zijne plaats.”
Naauwelijks had ik dit gezegd, of mijne vrouw begon op nieuw te roepen:
„Wat wilt gij doen, lieve man! geloof mij, offer geen ander kalf dan
dit.” „Vrouw,” antwoordde ik geheel ontroerd, „bespaar mij dit verdriet,
en vergun mij, dat ik dit kalf laat leven en een ander in zijne plaats
neem; ik smeek u om u daar niet tegen te verzetten.” Doch ook mijn
dringend verzoek bleef zonder invloed. Zij haatte mijn' zoon te veel om
er in te bewilligen, dat ik hem sparen en aan hare wraak onttrekken zou.
Zij drong zoo sterk aan, dat ik eindelijk de zwakheid had, aan hare
begeerte toe te geven. Ik greep met afgewend gelaat het kalf aan, bond
het de pooten stevig vast, en het noodlottige mes in de hand
nemende.........
Hier brak Scheherazade af, ziende dat de dag zich vertoonde. „Zuster,”
zeide Dinarzade, „ik ben opgetogen over dit verhaal, waardoor mijne
aandacht zoo zeer geboeid wordt.” „Indien de sultan mij heden nog laat
leven,” hernam Scheherazade, „zoo zult gij zien, dat hetgeen ik u morgen
te verhalen heb, u nog tot meerder vermaak zal zijn.” Schahriar benieuwd
wat er worden zou van den zoon des grijsaards met de hinde, zeide tot de
sultane, dat hij zich gelukkig zou achten, den volgenden nacht den
afloop van dit zonderlinge verhaal te vernemen.