Den volgenden nacht zette Scheherazade met vergunning des sultans haar
verhaal aldus voort.
Sire, als de grijsaard met de hinde zag, dat de geest den koopman had
gegrepen en hem zonder mededoogen wilde dooden, wierp hij zich aan de
voeten van het monster, kuste die met eerbied en zeide: „Vorst van
het geestenrijk, ik bid u demoedig uwen toorn op te schorten en mij
goedgunstig aan te hooren. Ik zal u mijne geschiedenis en die van de
hinde, welke gij bij mij ziet, verhalen, doch indien gij dezelve
wonderbaarlijker vindt dan de lotgevallen van dezen koopman, dien
gij wilt dooden, mag ik dan hopen dat gij aan dezen ongelukkigen het
derde deel van zijne schuld zult kwijtschelden?” De geest was eenige
oogenblikken met zich zelven in tweestrijd of hij het aanbod zou
aannemen of afwijzen, maar het slotwoord was: „Welnu! laat hooren,
ik sta het toe.”