Den volgenden nacht verzuimde Dinarzade niet hare zuster te wekken.
„Lieve zuster,” zeide zij, „verhaal mij, zoo gij wilt, eene dier schoone
verhalen, zooals gij er velen weet.” Maar de sultan gaf zijn verlangen
te kennen om het vervolg van de vertelling van den koopman en den geest
te hooren, weshalve Scheherazade haar verhaal aldus voortzette:
Sire! Terwijl de koopman en de grijsaard met de hinde nog met elkander
in gesprek waren, verscheen een andere grijsaard, door twee zwarte
honden gevolgd. Hij trad nader, groette de beide anderen en vroeg
hun wat zij in deze woeste streek te verrigten hadden? „Dat zal ik u
zeggen,” antwoordde de grijsaard met de hinde, en maakte hem bekend met
het treurige lot, dat den koopman te wachten stond.
„Dit is,” zeide de grijsaard met de zwarte honden, „werkelijk een zeer
zonderling geval en wel waardig, dat ik mij bij u nederzette en er mede
getuige van ben.” Terwijl hij dus sprak, naderde een derde grijsaard,
die dezelfde vraag deed, en die, als voren beantwoord zijnde, almede
zijn verlangen te kennen gaf, om den afloop van deze vreemde en
ongelukkige gebeurtenis bij te wonen. Nauwelijks had hij zich bij de
anderen nedergezet, toen zich over het veld een digte damp vertoonde,
die even als eene door den wind voortgedreven stofwolk met snelheid
naderde en zich eensklaps verdeelde, waarop een reusachtige geest, met
een ontbloot en opgeheven zwaard in de regterhand, te voorschijn kwam.
Zonder het gezelschap met een' groet te verwaardigen, trad hij op den
koopman toe, greep hem bij den arm en sprak op bulderenden toon: „Sta
op, opdat ik u doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” De koopman en
de drie grijsaards werden, ofschoon zij daarop verdacht konden zijn,
zoo verschrikt door deze plotselinge en dreigende verschijning van den
geest, dat zij het van angst uitschreeuwden.
Het aanbreken van den dag noopte Scheherazade hier op te houden, doch
de nieuwsgierigheid van den sultan, die volstrekt wilde weten hoe het
met den koopman zou afloopen, was zoozeer gaande gemaakt, dat hij zich
voornam ook nog dien dag het doodvonnis te verschuiven.
Het is ligt te denken hoe verblijd de groot-vizier was, toen hij zag
dat de sultan hem geen last gaf om Scheherazade te doen sterven. Zijne
familie, het hof en het geheele volk was er verwonderd en verheugd over.