TWEEDE NACHT.

Sire, als de koopman zag, dat de geest op het punt stond hem het hoofd

af te slaan, gaf hij een' vreesselijken schreeuw en riep: „om Gods wil,

nog een enkel woord! Geeft mij een uitstel, laat mij den tijd om van

mijne vrouw en kinderen afscheid te nemen, mijne zaken te regelen en

mijn testament te maken, opdat zij na mijnen dood verzorgd mogen zijn.

Dit in orde zijnde, zal ik zonder verzuim naar deze plaats terugkeeren

en mij in uwe handen stellen.” „Maar,” hernam de geest, „indien ik

u het uitstel verleen dat gij mij vraagt, zoo ben ik beducht dat gij

niet zult wederkeeren.” „Vertrouw u dan op mijn' eed,” antwoordde de

koopman, „ik zweer u bij den Heer van hemel en aarde, dat ik zekerlijk

zal terugkomen.” „En hoeveel tijd begeert gij?” „Een jaar is niet te

lang,” zeide de koopman, „om mijne zaken in orde te brengen en mij er op

voor te bereiden om aan het leven en zijne vermaken vaarwel te zeggen.

Ik beloof u dus morgen over een' jaar weder op deze plaats te zullen

zijn.” „En gij neemt daarbij God tot getuige?” sprak de geest. „Ja,”

antwoordde de koopman, „de Almagtige getuige tusschen u en mij, indien

ik mijn woord niet houd.” Op deze woorden liet de geest den koopman met

vrede en verdween.

Toen de koopman zich een weinig van den schrik hersteld had, steeg hij

te paard en vervolgde zijnen weg. Maar, was hij verblijd zich uit een

zoo dreigend gevaar voor het oogenblik gered te hebben, als hij aan

den eed dacht, die hem verpligtte over een jaar terug te keeren, dan

werd hij door eene doodelijke droefheid aangegrepen. Toen hij te huis

kwam, werd hij door zijne vrouw en kinderen met de grootste blijdschap

ontvangen, doch in plaats van hunne liefkozingen te beantwoorden,

onttrok hij zich daaraan en berstte in tranen los. Zij konden hieruit

ligtelijk besluiten, dat er iets buitengewoons met hem moest hebben

plaats gehad, en zijne vrouw vroeg hem daarom naar de oorzaak van zijne

droefheid. „Wij allen verheugen ons in uwe terugkomst,” zeide zij,

„en gij ontstelt ons door uw geween en de diepe smart, welke gij laat

blijken. Ik bid u zeg ons de reden van uwe droefheid.” De koopman

verhaalde hun nu zijne ontmoeting met den geest en den eed, dien hij

gedaan had.

Dit treurige nieuws bragt allen tot wanhoop. De vrouw gilde het uit

van smart en trok zich de haren uit het hoofd, de kinderen berstten

in tranen los, in een woord het was een zoo treurig en aandoenlijk

schouwspel, dat niemand, zelfs de hardvochtigste, zulks met drooge

oogen zou hebben kunnen aanzien.

Intusschen maakte de koopman reeds den volgenden dag een begin om zijne

zaken in orde te brengen. Hij droeg ten eerste zorg zijne loopende

schulden af te betalen. Aan zijne vrienden gaf hij geschenken en groote

aalmoezen aan de armen. Het overige van zijn vermogen verdeelde hij

onder zijne kinderen, na aftrek van hetgeen aan zijne vrouw bij

huwelijkscontrakt daarvan toekwam.

Intusschen verliep het jaar, en de tijd dat hij vertrekken moest brak

aan. Hij pakte zijn valies en daarin ook het laken, waarin zijn lijk

moest gewikkeld worden, doch toen hij nu van zijne vrouw en kinderen

afscheid zou nemen, smolten allen in tranen en wilden hem vergezellen om

met hem te sterven. Hij moest zich met geweld van hunne omhelzingen los

maken. Met een bloedend hart sprak hij ten laatste, zich vermannende:

„Kinderen! ik moet mij aan de beschikking Gods onderwerpen en zal dit,

hoeveel zulks ook aan mijn vaderhart kost, gewillig doen. Volgt mijn

voorbeeld, vat moed en voegt u naar de noodzakelijkheid; bedenk dat het

des menschen lot is éénmaal te sterven, en wel op het tijdstip, dat het

den Heer over leven en dood behagen zal.” Dit gezegd hebbende, sprong

hij te paard en was weldra uit het gezigt zijner dierbare betrekkingen

verdwenen, die hem met betraande oogen nastaarden en de lucht van hunne

jammerkreten deden weêrgalmen.

De koopman, zijnen eed gedachtig, droeg inmiddels zorg op den bepaalden

dag bij de bron te zijn; waar hij zich in eene zeer neêrslagtige

stemming nederzette, om de komst van den geest af te wachten. Uit

dit zijn treurig gepeins werd hij gewekt door een' grijsaard van een

eerwaardig en goedig uitzigt, die eene hinde aan een touw met zich

voerde. Nadat zij elkanderen op de gebruikelijke wijze gegroet hadden,

nam de grijsaard het woord: „Broeder!” zeide hij, „vergeef mij eene

vraag, die u welligt zal toeschijnen onbeleefd te zijn; wat voert u in

dit eenzame en woeste oord, dat alleen door booze geesten bewoond wordt,

en dat voor een lang vertoeven zeer onveilig is?”

De koopman bevredigde de nieuwsgierigheid van den grijsaard, en

verhaalde hem, door welk noodlottig voorval hij zich op dit tijdstip

daar bevond, en wat hem welligt binnen weinige oogenblikken te wachten

stond. De grijsaard hoorde hem met belangstellende verwondering aan.

„Voorwaar!” riep hij uit, „eene zeer vreemde gebeurtenis, en daar gij

door eenen eed verbonden zijt, is er niets aan te veranderen. Echter,”

vervolgde hij, zich naast den koopman in het gras nederzettende, „wil

ik, met uw verlof, getuige zijn van uwe ontmoeting met den geest.”

„Maar ik zie den dag aanbreken,” zeide Scheherazade, „en dat dwingt mij

mijn verhaal op de belangrijkste plaats af te breken.” De sultan, die

besloten had deze vertelling ten einde toe aan te hooren, liet zijne

gemalin dien dag nog leven.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 11 / 29 题