DE KOOPMAN EN DE GEEST.

Sire, in vroegeren tijd was er een koopman die groote goederen bezat,

zoowel in landerijen als in handelswaren en klinkende munt. Hij had vele

kantoorbedienden en slaven. Zijne zaak vorderde, dat hij van tijd tot

tijd reizen deed, om mondeling met zijne correspondenten te spreken en

te handelen. Eens, dat eene belangrijke zaak hem noodzaakte eene verre

reis te doen, steeg hij te paard en vertrok. Daar hij eene woestijn

moest doortrekken, had hij achter op zijn paard een valies met een'

kleinen voorraad beschuit en dadels geplaatst. Van genoegzamen

levensvoorraad voorzien, kwam hij, zonder bijzondere ontmoetingen,

gezond en wel op de plaats zijner bestemming aan. Nadat hij de zaken,

die hem derwaarts hadden geroepen, naar zijn genoegen afgedaan had,

nam hij zonder dralen de terugreis aan.

Op den vierden dag van zijne reis was de hitte zoo bovenmate groot,

stak de zon zoodanig, en was de zandige grond zoo heet, dat hij van

den weg afweek om onder eene groep boomen, die zich op eenigen afstand

vertoonde, eene schuil- en rustplaats te zoeken. Toen hij die plek

bereikt had, ontdekte hij tot zijne groote vreugde een bron met helder

water, door eenen kokosboom van reusachtige grootte overschaduwd.

Terstond steeg hij af, bond zijn paard met den teugel aan een' boomtak

vast, en zette zich, nadat hij uit zijn valies een paar beschuiten en

dadels gekregen had, bij de bron neder. Zijne dadels etende, wierp hij

de basten, als tot niets dienstig, links en regts van zich. Toen dit

sobere maal was afgeloopen, ging hij als een goed muzelman naar de bron,

wiesch zijne handen, voeten en aangezigt, en bad. Naauwelijks had hij

zijn gebed geeindigd, en lag nog op de knieën met het gelaat naar het

Oosten gekeerd, toen hij plotseling een' geest zag verschijnen, grijs

van ouderdom en van ontzettende grootte, die met een ontbloot zwaard in

de hand op hem afkwam, en met eene verschrikkelijke stem riep: „sta op,

dat ik u met dezen sabel doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt!”

Dit zeggende, slaakte hij een' kreet van woede. De koopman, evenzeer

verschrikt door de afzigtelijke gestalte van het monster als over de

dreigende taal hem toegevoegd, antwoordde al bevende: „ach mijn goede

heer, wat heb ik tegen u misdaan, dat ik daardoor den dood van uwe hand

verdiend heb?” „Ik wil u dooden,” hernam de geest, „gelijk gij mijn'

zoon gedood hebt” „Maar goede hemel!” riep de koopman, „hoe kan ik uwen

zoon gedood hebben? Ik ken hem niet, en heb hem van mijn leven niet

gezien.” „Wat,” hernam de geest, „hebt gij u niet hier nedergezet, hebt

gij geene dadels uit uw valies genomen, en terwijl gij daarvan aat de

doppen links en regts van u geworpen?” „Ik heb alles gedaan wat gij daar

zegt,” sprak de koopman, „dat kan ik niet loochenen.” „Dit zoo zijnde,”

hernam de geest, „zeg ik u nogmaals dat gij mijn' zoon gedood hebt,

en ik zal u zeggen op welke wijze. Toen gij de doppen van uwe dadels

wegwierpt, ging mijn zoon deze plaats voorbij, gij troft hem in het oog,

en hij is er aan gestorven. Het is daarom dat ik u wil dooden.” „Vergeef

het mij heer,” smeekte de koopman. „Neen, geene vergiffenis voor den

moordenaar van mijn' zoon,” antwoordde de geest, „geen medelijden! Is

het niet regt, dat wie gedood heeft, wederom gedood zal worden.” „Dat

stem ik toe,” zeide de koopman, „maar ik kan niet gelooven uw' zoon

gedood te hebben, en al ware dit de waarheid, dan moet ik het geheel

onwetend gedaan hebben; daarom smeek ik u nogmaals mij vergiffenis te

schenken en te laten leven.” „Neen, neen,” hernam de geest, bij zijn

besluit volhardende, „ik moet u dooden, gelijk gij mijn' zoon gedood

hebt.” Bij dit laatste woord greep hij den koopman bij den arm, wierp

hem met het aangezigt plat ter aarde en hief zijn' sabel op om hem het

hoofd af te slaan.

Inmiddels bad en smeekte de koopman, gedachtig aan zijne vrouw en

kinderen, op het aandoenlijkst en met tranen in de oogen hem, al ware

het slechts ter wille van deze geheel onschuldigen, in het leven te

laten. De geest, altoos zijn zwaard opgeheven houdende, was geduldig

genoeg om zijne klagten aan te hooren, maar werd er niet door bewogen.

„Al dat klagen kan u niet baten,” riep hij, „al weendet gij bloedige

tranen, het zou mij niet weêrhouden u te dooden, gelijk gij mijn' zoon

gedood hebt.” „Hoe,” bragt de koopman in, „kan dan niets u bewegen! Wilt

gij volstrekt aan een' onschuldige het leven benemen?” „Ja,” hernam de

geest, „het is mijn vast besluit.” Dit gezegd hebbende.......

Scheherazade, tot dusverre in haar verhaal gevorderd, bemerkte dat de

dag aanbrak, en wetende dat de sultan alsdan gewoon was op te staan

om zijn gebed te doen en den raad bij te wonen, hield zij eensklaps

op met spreken. „Wel lieve zuster!” zeide Dinarzade, „welk eene

fraaije vertelling!” „Het vervolg is nog veel fraaijer,” antwoordde

Scheherazade, „en gij zoudt mij zulks toestemmen, indien de sultan mij

heden nog wil laten leven en toestaan, dat ik het u morgen vroeg verder

vertel.” Schahriar, die Scheherazade met vermaak had aangehoord, zeide

tot zich zelven, ik zal tot morgen wachten. Het staat immers altoos aan

mij haar te doen sterven, nadat ik het einde van dit verhaal, dat mijne

nieuwsgierigheid opwekt, zal hebben aangehoord. Aldus bij zich zelven

besloten zijnde, om Scheherazade dien dag nog niet te dooden, stond hij

op om zijn gebed te doen en zich naar den raad te begeven.

Intusschen verkeerde de groot-vizier in de vreesselijkste ongerustheid.

In plaats van te slapen, had hij den nacht zuchtende en weenende

doorgebragt, het ongelukkige lot van zijne dochter, wier beul hij zou

moeten zijn, beklagende. Maar als hij in deze treurige verwachting

bijna vreesde voor den sultan te verschijnen, vond hij zich te

aangenamer verrast, toen hij den vorst in den raad zag komen, zonder

het wreede bevel te geven, dat hij wachtende was.

De sultan besteedde volgens zijne gewoonte dien dag om zich met zijne

rijkszaken bezig te houden, en toen het nacht werd bragt hij dezen

andermaal met Scheherazade door. Dinarzade verzuimde niet hare zuster

den volgenden morgen op het bepaalde uur te wekken en haar aan hare

belofte te herinneren. De sultan wachtte ditmaal niet tot dat zijne

gemalin hem daartoe verlof vroeg, maar kwam haar voor. „Vervolg,” zeide

hij, „uwe vertelling van den koopman en den geest, ik ben nieuwsgierig

om het einde te hooren.” Scheherazade nam daarop het woord, en ging

aldus in haar verhaal voort:

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 10 / 29 题