Een rijk koopman bezat vele landgoederen, waarop hij eene groote menigte
van allerlei soort van vee hield. Zijn' handel nedergelegd hebbende,
besloot hij zich met vrouw en kinderen op een zijner buitengoederen te
vestigen en daar een afgezonderd, doch tevens, door zich met het opzigt
over zijne landerijen te belasten, werkzaam leven te leiden. Hij wist
zeer goed, dat ledigheid verveling baart en tot ondeugd aanleiding
geeft. Hij had de bijzondere gave ontvangen de taal der dieren te
verstaan, onder voorwaarde echter dat hij dezelve, op straffe van het
leven te verliezen, aan niemand mogt leeren. Dit weêrhield hem tevens
hetgeen hij op die wijze te weten kwam aan anderen mede te deelen, ten
einde van nieuwsgierige vragen, die hij niet zou mogen beantwoorden,
verschoond te blijven.
Deze man had op zijnen stal een' Os en een' Ezel aan dezelfde kribbe
staan. Eens, dat hij zich daar in de nabijheid had nedergezet en zich
vermaakte met het spel zijner kinderen aan te zien, welke den stal tot
speelplaats hadden gekozen, hoorde hij den os tegen den ezel zeggen.
„Graauwtje, wat zijt gij toch gelukkig, indien ik mijn lot bij het uwe
vergelijk! Gij hebt een knecht voor u, die u roskamt, wascht, versch
stroo tot ligging, goed uitgeslagen haver tot voedsel en frisch water
te drinken geeft, en voor dat alles hebt gij niets te doen dan onzen
Meester te dragen, indien hij een ridje in den omtrek doet of een
reisje maakt; voor het overige kunt gij uw leven in eene zoete
ledigheid doorbrengen. De wijze waarop men mij behandelt verschilt daar
veel van, en mijn lot is even onaangenaam, als het uwe gelukkig is.
Naauwelijks breekt de dag aan of men spant mij voor den ploeg, en tot
aan het ondergaan der zon moet ik de zware aarde omwerken, hetgeen mij
dikwijls zoo vermoeit, dat mij de krachten ten laatste ontbreken.
Bovendien, de landbouwer, die steeds achter mij gaat, houdt niet op mij
met slagen voort te drijven. Door het zware trekken en het harde juk
mij opgelegd is mijn hals geheel ontveld. Eindelijk kom ik, na van den
morgen tot den avond gewerkt te hebben, op stal, en krijg tot voedsel
wat hard gedroogde boonen, welke men zich niet eens de moeite heeft
gegeven schoon te maken, of ander voeder, dat in zijne soort niet beter
is. Tot overmaat van ellende, ontbreekt mij versch stroo om mijne
vermoeide leden op uit te strekken, zoodat ik wel reden heb uw lot te
benijden.”
De ezel viel den os niet in de rede, hij liet hem alles zeggen wat hij
wilde, doch toen hij had uitgesproken, nam graauwtje het woord en zeide:
„gij verdient ten volle den naam van dom, dien men u gegeven heeft; gij
zijt al te onnoozel, laat met u doen al wat men wil, en komt er niet toe
een goed en moedig besluit te nemen. Intusschen, wat voordeel hebt gij
van deze uwe inschikkelijkheid? Gij martelt u zelven af, tot genoegen
van hen, die er u niet eens dank voor weten. Hadt gij zoo veel moed
als gij krachten bezit, men zou u op zulk eene onwaardige wijze niet
behandelen. Waarom biedt gij, als men u voor den ploeg of wagen wil
spannen, geen tegenstand? Waarom maakt gij geen gebruik van uwe horens?
Eindelijk waarom jaagt gij hen, die u komen kwellen, geen schrik aan
door uw loeijen? De natuur heeft u de middelen geschonken om u te doen
ontzien en gij bedient er u niet van. Men geeft u bedorven boonen en duf
stroo tot voedsel; beruik het alleen, vertrap het, en laat het als eene
voor u te slechte spijs liggen. Volgt gij dezen raad, zoo zult gij
weldra eene verandering zien, waarvoor gij mij dank zult zeggen.”
De os nam deze raadgevingen van den ezel zeer goed op, en bedankte hem
daarvoor reeds in voorbaat. „Waarde graauw!” voegde hij er bij, „ik zal
niet in gebreke blijven alles op te volgen, wat gij mij gezegd hebt, en
gij zult zien op welk eene wijze ik er mij van zal kwijten.” Na dit
onderhoud, waarvan den koopman geen enkel woord ontgaan was, zwegen
beide. Den volgenden morgen kwam de landman om als naar gewoonte den
os voor den ploeg te spannen, en bragt hem naar het land. Doch de os,
den raad van den ezel niet vergeten hebbende, gedroeg zich dien dag
zoo weêrspannig, dat er niets met hem was uit te rigten. Toen men hem
eindelijk weder op stal wilde zetten en vast maken, hield hij als
vroeger den kop niet toe, maar gebruikte zijne horens om naar zijnen
meester te stooten, in een woord hij handelde in alles naar hetgeen
hem door den ezel gezegd was. Als men hem den volgenden dag weder
wilde inspannen, vond men de boonen en het stroo, hem tot voedsel
gegeven, onaangeroerd en den os zelven naar adem hijgende met de pooten
uitgestrekt in den stal liggen. Men meende dat hij ziek was, de arbeider
had medelijden met het dier, en oordeelende, dat hij tot het werk niet
in staat zou zijn, ging hij er zijnen meester berigt van geven.
De koopman zag wel in, dat de kwade raad van graauwtje door den os maar
al te getrouw was opgevolgd, en om den eerste te straffen, gelijk hij
het verdiende, zeide hij tot zijn' landbouwer: „ga, neem den ezel in
plaats van den os, en spaar hem in het werk niet.” De landbouwer deed
zoo als hem gezegd was. De ezel moest den ganschen dag voor den ploeg
loopen, waarbij hij den rug vol slagen kreeg. Dit ongewone werk en deze
harde behandeling matten hem zoo zeer af, dat hij op stal komende
naauwelijks staan of eten kon.
Intusschen was de os zeer wel te vreden, hij had alles opgegeten wat
hij in zijn' bak vond, en den geheelen dag zijn gemak gehouden. Hij
verheugde zich dus zeer den raad van den ezel te hebben opgevolgd,
en gaf hem duizend zegenwenschen voor de goede dienst, welke hij
hem bewezen had. Hij herhaalde deze, zoodra hij zijn makker op stal
zag komen. De ezel, verbitterd wegens de ondergane mishandeling,
verwaardigde zich niet den os te antwoorden. Het is door mijne eigene
onvoorzigtigheid, gromde hij in zich zelven, dat ik mij dit ongeluk
op den hals gehaald heb. Ik leefde gelukkig, alles lachte mij toe, ik
had alles wat ik kon wenschen, het is door eigen schuld dat ik mij in
ellende heb gebragt, en indien ik geene list weet te bedenken om er mij
weder uit te redden, dan is mijn ondergang zeker. Dit gezegd hebbende,
begaven hem zijne krachten en hij viel half dood bij zijne krib neder.
Hier brak de groot-vizier zijn verhaal af, en het woord tot Scheherazade
rigtende, zeide hij, „lieve dochter, gij handelt als deze ezel, en zult
u door uwe bemoeizucht in het verderf storten. Geloof mij, houdt uwe
rust, en zoek niet den dood in den geopenden muil te loopen.” „Vader,”
antwoordde Scheherazade, „de parabel, welke gij mij hebt voorgedragen,
is niet in staat mij van besluit te doen veranderen, en ik zal niet
ophouden u lastig te vallen, tot dat ik van u de gunst zal hebben
verworven, dat gij mij bij den sultan brengt om zijne gemalin te zijn.”
De vizier ziende, dat zij in hare begeerte bleef volharden, voerde haar
in toorn te gemoet: „welnu, daar gij halstarrig blijft, zoo zal ik mij
verpligt zien met u te handelen, gelijk de koopman, waarvan ik u heb
gesproken, eenigen tijd daarna met zijne vrouw deed; hoor hier de
toedragt der zaak.”
De koopman, vernomen hebbende in welk eenen beklagenswaardigen toestand
de ezel verkeerde, was nieuwsgierig te vernemen, wat er nu tusschen hem
en den os zou worden verhandeld. Te dien einde begaf hij zich na het
avondmaal bij helderen maneschijn naar den stal, waarheen hij door zijne
vrouw werd gevolgd. Bij zijne komst hoorde hij den ezel tegen den os
zeggen. „Kameraad, heb de goedheid en zeg mij wat gij denkt aan te
vangen, wanneer morgen de landbouwer komt om u voeder te brengen?” „Wat
ik dan doen zal,” antwoordde de os; „ik zal mij aanstellen gelijk gij
gezegd hebt, mij achter in den stal terugtrekken, hem als gisteren mijne
horens toonen, mij ziek houden en veinzen geheel onmagtig tot werken te
zijn.”
„Wacht u daar wel voor,” hernam de ezel, „want gij zoudt u in het
verderf storten. Ik heb den koopman onzen meester eene zaak hooren
zeggen, die mij voor u deed beven.” „En wat hebt gij dan gehoord?” sprak
de os, „ik bid u, verberg mij niets, mijn beste vriend!” „Onze meester,”
hernam de ezel, „heeft tegen den landbouwer deze voor u treurige woorden
gesproken: daar de os niet wil eten en zoo ziek en krachteloos is, wil
ik dat hij morgen geslagt zal worden. Zijn vleesch zullen wij aan de
armen uitdeelen, zijne huid kan ons van voordeel zijn en moet gij
bij den leerlooijer brengen; verzuim dus niet den slager tijdig te
bestellen. Zie daar,” vervolgde de ezel, „wat ik u kan mededeelen, het
belang dat ik in uw behoud stel en de vriendschap, welke ik u toedraag,
maken het mij tot pligt u daarvan te verwittigen en u andermaal eenen
goeden raad te geven. Zoodra men u uwe boonen en gehakt stroo brengt,
moet gij opstaan en er met gretigheid op aanvallen. De meester zal dan
daaruit opmaken, dat gij weder hersteld en gezond zijt, en ongetwijfeld
het doodvonnis herroepen, terwijl gij, anders handelende, zeker gedood
zult worden.”
Dit gesprek had het door den ezel verwachte gevolg. De hevig ontstelde
os stond van schrik op zijne pooten te beven, en bedankte den listigen
ezel hartelijk voor zijne waarschuwing en zijn nieuwen raad. De koopman,
van beider gesprek geen woord verloren hebbende, berstte in een
schaterend gelach uit, zoodat dit de verwondering van zijne vrouw
opwekte. „Zeg mij,” sprak zij, „wat reden gij hebt om zoo hartelijk
te lagchen, opdat ik in uwe vrolijkheid zal kunnen deelen.” „Vrouw,”
antwoordde de koopman, „lach zoo gij wilt mede, maar vraag mij niet
verder.” „Neen,” hernam zij, „ik wil weten wat u stof tot lagchen
gaf.” „Ik kan u,” zeide de koopman, „hieromtrent geen genoegen geven,
weet alleen dat ik zoo moest lagchen om hetgeen onze ezel aan den os
vertelde; het overige is mij niet geoorloofd voor u op te helderen.”
„En wat kan u beletten mij uw geheim mede te deelen,” hernam zij.
„Indien dit ik deed,” antwoordde hij, „zoo weet, dat mij zulks het leven
zou kosten.” „Nu steekt gij den gek met mij!” riep zijne vrouw, „hetgeen
gij daar zegt kan niet waar zijn. Bijaldien gij mij niet oogenblikkelijk
vertelt, waarover gij gelagchen hebt, en mij weigert mede te deelen, wat
de ezel en de os te zamen gesproken hebben, zoo zweer ik voortaan niet
meer met u als met mijnen man te willen leven.”
Dit gezegd hebbende, ging zij in huis, sloot zich in een afgezonderd
vertrek op, en bragt den nacht schreijende door. De man dacht eerst, dat
zij wel spoedig zou hebben uitgepruild, maar toen zij ook den volgenden
morgen voortging met klagen en schreijen ging hij tot haar en zeide:
„gij handelt niet verstandig door u dus te bedroeven wegens eene zaak
van zoo weinig belang; er is u veel minder aan gelegen dit geheim te
kennen, dan mij om het voor u te verbergen, ik bid u dus er niet meer
aan te denken.” „Ik denk er nog zoo veel aan,” hernam de vrouw, „dat ik
niet zal ophouden met weenen, vóór dat gij mijne nieuwsgierigheid, die
billijk is, zult hebben bevredigd.” „Maar ik zeg u in vollen ernst,”
zeide hij, „dat mijn leven er mede gemoeid is, indien ik zwak genoeg
ben, aan uwen aandrang toe te geven.” „Laat er van komen wat wil,”
hernam zij, „ik wil het weten of sterven.” „Ik zie,” hernam de koopman,
„dat gij geene rede verstaan wilt, en daar ik vrees, dat gij door uwe
stijfhoofdigheid u den dood zult berokkenen, zoo zal ik onze kinderen
hier laten komen, opdat zij den troost mogen hebben u voor uwen dood
nog éénmaal te zien.”
De koopman riep niet alleen zijne kinderen, maar deed ook den vader, de
moeder en de verdere bloedverwanten van zijne vrouw overkomen. Toen nu
allen bijeen waren en hij hen met de oorzaak der ontstane huisselijke
twist had bekend gemaakt, wendden zij allen hunne welsprekendheid aan
om de vrouw van hare stijfhoofdigheid af te brengen. Maar alles was
vruchteloos, zij zwoer liever te willen sterven dan haren man in dit
geval toe te geven. De koopman wist nu zelf niet meer, hoe hij er mede
handelen zou. Hij zette zich geheel alleen voor de deur van zijn huis
neder, en stond in beraad of hij zijn leven voor zijne vrouw, welke hij
hartelijk lief had, niet maar ten offer zoude brengen.
Deze koopman nu, vervolgde de groot-vizier, steeds tot Scheherazade
sprekende, had vijftig kippen met een' haan, en een' hond tot bewaking
van huis en hof. Terwijl hij nu, zoo als gezegd is, in diep gepeins
voor zijne woning zat, zag hij den hond naar den haan gaan, die zich
met zijne kippen vermaakte. „O haan!” hoorde hij den hond bestraffend
zeggen, „gij zijt het leven niet langer waardig, schaamt gij u niet in
dezen tijd nog op uw vermaak bedacht te zijn?” De haan draaide zich fier
om, en keerde zich tot den hond. „Waarom,” vroeg hij op stouten toon,
„zou dit mij heden minder geoorloofd zijn, dan op andere dagen?” „Daar
gij zulks niet schijnt te weten,” hernam de hond, „zoo verneem van mij,
dat onze meester zich heden in diepe droefheid bevindt. Zijne vrouw wil,
dat hij haar een geheim zal openbaren, van zulk eenen aard, dat hij,
dit mededeelende, het leven moet verliezen. Zoo staan de zaken, en het
is te vreezen, dat hij niet genoeg zielskracht zal bezitten om aan de
stijfhoofdigheid van zijne vrouw weêrstand te bieden, want hij bemint
haar, en is met diep medelijden bewogen door de tranen, die zij zonder
ophouden stort. Hij zal dus waarschijnlijk besluiten zich voor haar op
te offeren; wij allen verkeeren deswegens in de grootste ontsteltenis.
Gij alleen, spottende met onze droefheid, hebt de onbeschaamdheid u met
uwe kippen te vermaken.”
De haan antwoordde op deze bestraffing van den hond volgender wijze:
„wat is onze meester toch een groote dwaas! Hij heeft slechts ééne
vrouw en weet haar niet in toom te houden, terwijl ik er vijftig heb
die niet anders dan mijnen wil doen. Dat hij zijn verstand raadplege, en
weldra zal hij het middel hebben gevonden om uit zijne verlegenheid te
geraken.” „Zoo, is dat uwe meening, en wat zoudt gij dan willen dat hij
deed,” vroeg de hond. „Laat hij;” gaf de haan ten antwoord, „een' goeden
stok nemen, naar de kamer van zijne vrouw gaan, zich met haar opsluiten
en haar een duizendtal stokslagen toetellen; ik maak mij sterk, dat zij
daarna verstandiger zijn, en er niet meer op aandringen zal van hem te
weten te komen, wat hij haar niet zeggen mag.”
De koopman, den haan aldus hoorende spreken, draalde niet lang, stond
op, voorzag zich van eenen goeden knuppel, ging naar de kamer, waar hij
zijne vrouw nog altijd bitter schreijende aantrof, sloot zich met haar
op, en sloeg er, zonder veel omhaal te maken, zoo flink op, toe dat
zij weldra begon te roepen: „man, och man! het is genoeg, laat van mij
af en ik zal u naar niets meer vragen.” Op deze woorden ziende dat zij
berouw had over hare misplaatste nieuwsgierigheid, hield hij op met
haar te slaan. Hij opende daarop de deur en riep zijne kinderen en
bloedverwanten binnen, die zich zeer verblijdden de vrouw van hare
stijfhoofdigheid genezen te zien, en den man gelukwenschten, dat hij
eindelijk het regte middel had gevonden om haar tot plicht en rede terug
te brengen. „Dochter,” voegde de groot-vizier hier met een ernstig
gelaat bij, „gij verdiendet op dezelfde wijze behandeld te worden als
de vrouw van dezen koopman.”
„Waarde vader!” hernam Scheherazade, „vergeef mij en verstoor er u niet
over, dat ik bij mijn plan blijf volharden. De geschiedenis van deze
vrouw kan mij daarin niet doen wankelen. Ik zou er u vele anderen kunnen
verhalen, die u overtuigen zouden, dat gij u niet tegen mijn voornemen
aankanten moet. Overigens, met allen u verschuldigden eerbied, moet ik u
zeggen dat gij u te vergeefs daartegen zult verzetten. Indien vaderlijke
teederheid u weêrhoudt aan mijne bede toe te geven, zoo zal ik mij zelve
bij den sultan aandienen.”
De vizier, door de vastberadenheid van zijne dochter tot het uiterste
gedreven, voegde zich eindelijk naar haren wensch, en ofschoon zeer
bedroefd haar daarvan niet terug te hebben kunnen brengen, ging hij nog
op hetzelfde oogenblik naar Schahriar, om hem aan te zeggen, dat hij
voor den eerstvolgenden nacht Scheherazade zou brengen.
De sultan was ten hoogste verwonderd over het offer, dat zijn
groot-vizier bereid was hem te doen. „Hoe,” zeide hij, „hebt gij
kunnen besluiten mij uwe eigen dochter tot gemalin te geven?” „Sire,”
antwoordde de vizier, „zij zelve heeft zich daartoe aangeboden. Het
treurige lot dat haar te wachten staat kon haar niet afschrikken, en zij
stelt de eer, om slechts eenen enkelen nacht de gade van uwe majesteit
te zijn, hooger dan het leven.”
„Maar bedrieg u niet door eene ijdele hoop, vizier,” hernam de sultan,
„morgen Scheherazade weder in uwe handen overgevende, verlang ik dat
gij haar van het leven zult berooven. Zoo gij in gebreke mogt blijven,
ik zweer, dat u zulks uw eigen hoofd zal kosten.” „Sire,” antwoordde
de vizier, „mijn hart zal bloeden, en de natuur moge er zich tegen
verzetten, hoewel vader, ik sta u borg dat mijn arm zijn' pligt zal
doen.” Schahriar nam nu het offer van zijnen eersten staats-minister aan
en zeide, dat hij hem zijne dochter kon brengen, wanneer hem zulks zou
goedvinden.
[Illustratie: De Koopman en de Geest.