De groot-vizier ging heen, om dit aan zijne dochter mede te deelen, en
Scheherazade legde deswegens eene zoo groote vreugde aan den dag, als of
hij haar het aangenaamste nieuws ter wereld had gebragt. Zij bedankte
haren vader van haar dus verpligt te hebben, en zijne smart ziende,
zeide zij, om hem te troosten, dat zij de hoop koesterde, dat het hem
niet zou berouwen, haar aan den sultan te hebben uitgehuwelijkt, maar
dat hij integendeel reden zou hebben zich deswegens zijn leven lang te
verblijden.
Zij was er nu slechts op bedacht haar toilet te maken, en koos daartoe
de kleeding, die haar het bevalligst stond, opdat hare schoonheid,
als zij voor den sultan verscheen, op het voordeeligst mogt uitkomen.
Vóór haar vertrek nam zij echter hare zuster Dinarzade alleen en zeide
tot haar: „lieve zuster, ik heb in eene belangrijke zaak uwe hulp
noodig, en bid u mij die niet te weigeren. Mijn vader zal mij tot den
sultan brengen om zijne gade te zijn. Laat u dit nieuws echter niet
verschrikken, maar hoor mij geduldig aan. Zoodra ik voor den sultan
verschijn, zal ik hem verzoeken te veroorloven, dat gij den nacht
in de bruidskamer moogt doorbrengen, opdat ik uwe mij zoo waarde
tegenwoordigheid dien nacht nog zou kunnen smaken. Indien mij deze
gunst, gelijk ik hoop, wordt toegestaan, wees er dan op bedacht mij
morgen een uur voor dat de dag aanbreekt te wekken, en mij aldus toe te
spreken: zuster, indien gij niet slaapt, zoo bid ik u, onder afwachting
van den dag, die weldra zal aanbreken, mij eene van die schoone
vertellingen te verhalen, waarvan gij er zoo velen weet. Dan zal ik
dadelijk aan den sultan daartoe verlof vragen en er u eene zeer fraaije
vertellen. Door dit middel vlei ik mij de nieuwsgierigheid des sultans
zoodanig gaande te maken, dat hij, het einde willende weten, mij niet
zal doen dooden. Zoodoende wil ik trachten het geheele volk te bevrijden
van de ontsteltenis en schrik waarin het verkeert.” Dinarzade zeide met
genoegen te zullen doen wat hare zuster verlangde.
Toen het uur naderde, dat de sultan gewoon was zich ter rust te
begeven, bragt de groot-vizier Scheherazade naar het paleis, en
keerde terug na haar tot aan het vertrek van zijn' heer begeleid te
hebben. Zoodra de vorst haar zag binnenkomen, beval hij haar zich te
ontsluijeren en hem haar aangezigt te laten zien. Hij vond haar zoo
schoon, dat hij er verrukt van was, en ziende dat zij weende, vroeg hij
naar de oorzaak daarvan. „Sire,” antwoordde Scheherazade, „ik heb eene
zuster, die ik eene teedere genegenheid toedraag en die mij zeer lief
heeft, ik zou wenschen, dat zij den nacht in deze kamer doorbragt, om
haar tot het laatste oogenblik bij mij te zien en dan nog eenmaal
vaarwel te kunnen zeggen. Wilt gij toestaan, dat ik de voldoening
smaak haar dit laatste bewijs mijner toegenegenheid te kunnen geven?”
Schahriar gaf zijne toestemming en Dinarzade werd daarvan terstond
verwittigd, die niet toefde spoedig te komen. Het praalbed van den
sultan en Scheherazade was op eene estrade of verhevenheid geplaatst,
zooals dit bij de Oostersche vorsten gebruikelijk is. Daaronder had men
voor Dinarzade een bed gespreid.
Dinarzade, een uur vóór het aanbreken van den dag ontwakende, verzuimde
niet, te doen zoo als hare zuster haar had aanbevolen, „Lieve zuster,”
riep zij, „indien gij wakker zijt, zoo bid ik u dat gij mij, onder
afwachting van den dag, welke dra zal aanbreken, eene van die aangename
en verwonderlijke vertellingen verhaalt, waarvan gij er zoovelen
weet.” „Helaas, het zal misschien voor de laatste maal zijn, dat ik
dit genoegen smaken kan.” Scheherazade, in plaats van hare zuster te
antwoorden, wendde zich tot den sultan. „Sire,” zeide zij, „behaagt het
uwer majesteit mij te veroorloven, dat genoegen aan mijne zuster te
geven?” „Van ganscher harte,” antwoordde de sultan. „Luister dan,” zeide
Scheherazade aan hare zuster, en vervolgens het woord tot Schahriar
rigtende, ving zij aan als volgt: