Niet lang nog had dit hun onderhoud geduurd, toen zich in hunne
nabijheid een vreeselijk gerucht deed hooren, vergezeld gaande door
zulk eene ontzettende kreet, dat zij geheel verschrikt werden. Op dat
tijdstip spleet de zee van een, en eene zwarte kolom, die tot aan de
wolken scheen te reiken, rees uit dien afgrond op. Op dit gezigt
verdubbelde hunne vrees, zij stonden ijlings op en klommen in eenen
boom wiens bladrijken kruin zij meenden, dat hun het best zou kunnen
verbergen. Naauwelijks hadden zij zich daar in veiligheid gesteld, toen
de kolom allengskens eene menschelijke gestalte aannam en zich aan hen
vertoonde als een groote en afschuwelijke reus, die het strand naderde
en door zijn' snellen gang de zee deed opbruisen, als voor den boeg van
een snel zeilend schip.
Wat hun zoo veel schrik aanjoeg, was een dier booze geesten, die den
menschen vijandig zijn en er behagen in scheppen hen te kwellen en kwaad
te doen. Hij was van eene gedrochtelijke gestalte en droeg op zijn
hoofd, dat afschuwelijk was om aan te zien, eene groote glazen kist,
waaraan vier stalen sloten hingen. Aan land stappende, naderde hij den
boom waarop onze vlugtelingen zaten, en zette tot hunnen schrik aldaar
zijne vracht af, zoodat de twee koningen zich reeds verloren achtten.
Intusschen scheen de geest hen niet bemerkt te hebben, en zich hij de
kist nederzettende kreeg hij van zijn' gordelriem vier groote sleutels
allen van een bijzonder maaksel. Hier mede ontsloot hij de kist, waaruit
eene rijk gekleede dame, van eene vorstelijke gestalte en groote
schoonheid te voorschijn kwam. Het monster deed de schoone dame aan
zijne zijde nederzitten en eenen verliefden blik op haar vestigende,
zeide hij: „O schoonste der jonkvrouwen, bekoorlijkste van uw geslacht,
die ik op den bruiloftsdag ontvoerd en sedert met standvastigheid en
onveranderlijke liefde bemind heb, gij zult mij wel willen veroorloven
eenige oogenblikken in uwe mij zoo waarde nabijheid te slapen. De slaap,
die mij kwelt, heeft mij dit oord doen verkiezen, om er een weinig rust
te nemen.” Dit gezegd hebbende liet hij zijn plomp hoofd op de knieën
der dame vallen, en zijne voeten uitstrekkende zoo dat zij tot aan de
zee reikten, sliep hij weldra in, en deed door zijn geweldig ronken de
lucht daveren.
De dame bij toeval naar boven ziende en de beide prinsen bespeurende,
wenkte hen met een vrolijk gelaat om bij haar te komen. Hoog klom, nu
zij zich in hunne schuilplaats ontdekt zagen, de angst van Schahriar en
Schahzenan, zij baden de dame door teekenen hen te verschoonen en niet
te verraden; maar zij het hoofd van den geest van haren schoot zacht op
den grond latende glijden, stond op, en verzocht met eene fluisterende
stem dat zij zouden afkomen. Schahriar en Schahzenan gaven andermaal
door teekenen te kennen, dat zij uit vrees voor den geest weêrhouden
werden aan haar verzoek te voldoen. Doch de dame nam hier geen genoegen
in, maar zeide, steeds zacht sprekende opdat de geest niet mogt
ontwaken, „indien gij u niet haast mij te gehoorzamen, zoo zal ik hem
wekken en verzoeken dat hij u doode.”
Deze bedreiging bragt de vorsten zoo zeer in het naauw, dat zij van twee
gevaren het minste kiezende met voorzigtigheid begonnen af te klimmen,
steeds in angst zijnde dat de geest door het geritsel der takken mogt
ontwaken.
Hij sliep echter door, en de dame de prinsen bij de hand nemende
geleidde hen op eenigen afstand van daar en vroeg aan ieder hunner, als
een blijk van liefde en genegenheid, de ringen, welke zij zag dat de
vorsten aan den vinger droegen. Schahriar en Schahzenan, hoewel in den
beginne weigerachtig, zagen zich wel gedwongen, op de bedreiging der
dame van den geest te zullen roepen, om toe te geven. Toen aan haar
verzoek voldaan was, kreeg de dame uit de kist haar juweelkoffertje,
en daaruit eenen draad nemende, waaraan eene menigte ringen van
onderscheiden vorm geregen waren, zeide zij met een schalksch lachje:
„weet gij wel welke beteekenis aan deze kleinodiën verbonden is?”
„Neen,” luidde het antwoord der prinsen, „maar het hangt slechts van u
af er ons mede bekend te maken.” „Deze ringen,” hernam zij, „zijn allen
van mannen van wie ik ze op dezelfde wijze als van u verkreeg. Er zijn
er goed geteld acht en negentig, die ik tot eene gedachtenis aan hen
bewaar. Ik heb u om de uwen gevraagd, ten einde het honderdtal vol
te maken, zoo dat ik thans juist honderd minnaars gehad heb, niet
tegenstaande de waakzaamheid en de voorzorgen van dezen ondeugenden
geest, die nimmer van mij wijkt. Al sluit hij mij ook in eene glazen
kist, die hij op den bodem der zee bewaart, ik zal hem toch weten te
misleiden. Hieruit moogt gij leeren, dat, indien eene vrouw zich iets
heeft voorgenomen, er noch man, noch geest is, die haar weêrhouden kan
haar doel te bereiken. De mannen zouden beter doen de vrouwen niet aan
banden te leggen en meer vrijheid te laten, want dat is de weg om haar
liefde tot de deugd in te boezemen.” De dame, hen dus toegesproken
hebbende, reeg de beide ringen bij de anderen aan, zette zich vervolgens
weder op hare vorige plaats neder, tilde het hoofd van den geest, zonder
dat hij daardoor ontwaakte, op hare knieën, en gaf den prinsen een
teeken dat zij thans konden vertrekken.
Zij draalden niet van de hun verleende vrijheid gebruik te maken,
verwijderden zich zoo spoedig mogelijk van deze gevaarvolle plaats en
eerst toen zij ver genoeg buiten het gezigt van de dame en van den geest
waren, zeide Schahriar tot Schahzenan: „Wel nu broeder! wat dunkt u
van hetgeen ons is bejegend? Heeft die geest niet eene zeer getrouwe
minnares?” „Ja broeder,” antwoordde de koning van Tartarije, „en gij
zult mij tevens toestemmen, dat de geest in dit opzigt nog meer te
beklagen en ongelukkiger is dan wij.” „Daarom,” hernam de sultan,
„zullen wij, als gevonden hebbende wat wij zochten, ook dadelijk,
volgens de aan u gedane belofte, onzen zwerftogt staken en terugkeeren,
zonder dat dit alles mij zal beletten op nieuw te huwen. Ik voor mij heb
een middel bedacht, dat mij in het vervolg tegen de ontrouw mijner gade,
al ware zij ook aan deze dame in list gelijk, zeker zal vrijwaren. Ik
wil mij daarover nu niet verder uitlaten, maar gij zult weldra van mij
hooren spreken, en ik houd mij verzekerd, dat gij mijn voorbeeld, als
geheel onfeilbaar, zult navolgen.”
De beide vorsten keerden nu naar het kamp terug, waar zij met groote
vreugde ontvangen werden. De sultan toonde zich zeer goed gestemd,
beschonk zijne hovelingen rijkelijk, en keerde, de jagtpartij
uitstellende, naar de stad terug. Nauwelijks in zijn paleis aangekomen,
begaf hij zich, vergezeld door den groot-vizier, naar de vertrekken van
de sultane, en zonder de koningin, die hem met gemaakte vreugde ontving,
een enkel woord toe te spreken, leverde hij de ontrouwe aan zijnen
vizier over, met bevel haar te doen verwurgen.—Dit bevel werd terstond
ten uitvoer gebragt, zonder dat aan dezen eersten staats-minister iets
bekend was van den aard der misdaad, welke de vorstin begaan had.
Schahriar liet het echter hierbij niet blijven, maar slechts aan zijnen
toorn gehoor gevende, hieuw hij met eigen hand al de slavinnen der
sultane het hoofd af. Na dit gestrenge strafgerigt, bij zich zelven
overtuigd zijnde, dat het vergeefsche moeite zou zijn eene werkelijk
deugdzame vrouw te vinden, kwam hij tot het wreede besluit, elken dag
eene andere gemalin te huwen, en deze den volgenden morgen ter dood te
laten brengen, waardoor hij tegen hare ontrouw beveiligd zou zijn. Hij
stelde dezen maatregel echter uit tot na de afreis van zijnen broeder,
beducht zijnde dat deze welligt tegenwerpingen zou maken, die hem minder
welgevallig mogten zijn.
Toen Schahzenan vertrokken was, draalde Schahriar niet aan zijn besluit
gevolg te geven, en beval zijnen groot-vizier hem de dochter van een'
zijner generaals te brengen, welke hij tot gemalin begeerde. Den
volgenden morgen stelde hij haar weder in handen van den groot-vizier
om haar te doen dooden, en gaf te gelijk last hem voor dien dag weder
eene andere gemalin te bezorgen. Met hoe grooten tegenzin dit wreede
bevel ook door den groot-vizier werd uitgevoerd, hij was naar Oostersch
gebruik aan den sultan eene blinde gehoorzaamheid verschuldigd, waaraan
hij zich niet kon onttrekken, zonder zijn eigen hoofd te verliezen. Hij
bragt hem dit maal de dochter van een' officier van ondergeschikten rang
tot echtgenoote, die even als hare voorgangster den volgenden morgen ter
dood werd gebragt. Daarna gold het de schoonste dochters der inwoners
uit de hoofdstad, om kort te gaan, elken dag trouwde eene maagd en werd
er eene vrouw ter dood gebragt.
Het gerucht van deze voorbeeldelooze onmenschelijkheid verwekte door
de geheele stad eene groote ontsteltenis. Overal hoorde men zuchten en
angstkreten. Hier beweende een vader het verlies van zijne geliefde
op zoo wreede wijze omgebragte dochter, daar hoorde men de klagten
eener teedere moeder, die voor hare kinderen een' gelijk lot vreesde.
In plaats van dus, gelijk vroeger, door zijne onderdanen geprezen en
gezegend te worden, werd de koning van Indië thans als een wreede tyran
door allen verwenscht.
De groot-vizier die, zoo als gezegd is, tegen zijnen wil en zin tot deze
vreeselijke onregtvaardigheid de hand moest leenen, had zelf ook twee
dochters, Scheherazade en Dinarzade. Beide waren schoon en deugdzaam,
doch Scheherazade bezat bovendien een' meer dan vrouwelijken moed, een
helder verstand en een' schranderen geest. Zij had veel gelezen en een
zoo sterk geheugen, dat niets van het eens gelezene haar ontging. Zij
had zich met vrucht toegelegd op de wijsbegeerte, de geneeskunde, de
geschiedenis en de schoone kunsten, en maakte beter verzen dan de meest
beroemde dichters van haren tijd. Daarbij was zij van eene uitstekende
schoonheid en onwankelbare deugd, zoodat zij met regt het wonder van
hare eeuw mogt heeten.
De vizier droeg deze zijne dochter, hem zoo waardig door hare
uitmuntende eigenschappen, de teederste liefde toe. „Vader,” zeide
zij eens tot hem, „ik heb u eene gunst te vragen, en verzoek u bij de
liefde, die gij mij toedraagt, dat gij mij deze niet weigert.” „Ik zal u
geen verzoek afslaan,” antwoordde hij, „mits dat het, zoo als ik van u
kan verwachten, redelijk en regtvaardig is.” „Wat het laatste aangaat,”
hernam Scheherazade, „gij zult daarover het best kunnen oordeelen naar
de beweegreden, die mij aanspoort u deze gunst te vragen. Het is mijn
plan om de wreedheden, welke de sultan tegen zoo vele gezinnen dezer
stad bedrijft, in haren zoo verderfelijken loop te stuiten. Ik wil aan
de regtmatige vrees van zoo vele moeders om hare dochters op zulk eene
beklagenswaardige wijze te verliezen, voor altijd een einde maken.” „Uw
voornemen is hoogst loffelijk, mijn kind,” sprak de vizier, „maar voor
het kwaad, dat gij van uwe stadgenooten wenscht af te wenden, zie ik
geen hulpmiddel. Hoe toch zoudt gij dat willen aanleggen?” „Vader,”
hernam Scheherazade, „dit middel is gemakkelijk gevonden. Daar het u is
opgedragen voor den sultan zijne vrouwen te kiezen, zoo bezweer ik u bij
de teedere liefde, die gij mij toedraagt, mij deze eer te verschaffen.”
„Zijt gij van uw verstand beroofd mijn kind!” riep de vizier door zulk
een voorstel van schrik verbleekende. „Vordert gij van uwen vader, die u
lief heeft als de appels zijner oogen, dat hij uw' beul zal worden! Hoe
kunt gij mij een verzoek van dien aard doen! Gij weet immers, dat de
sultan bij zijn hoofd heeft gezworen zijne vrouw slechts éénen nacht te
laten leven, en dat hij haar den volgenden morgen aan mij overgeeft om
haar te laten verwurgen. Hebt gij wel bedacht, waaraan uw onvoorzigtige
ijver u blootstelt?”
„Ja vader,” antwoordde dit deugdzame meisje, „ik ken al het gevaar dat
ik zal loopen, maar dit kan mij niet afschrikken. Indien ik omkom, mijn
dood zal roemrijk zijn, en bij aldien ik in mijne onderneming slaag, zoo
zal ik het geluk en de eer genieten aan mijn vaderland eene gewigtige
dienst te hebben bewezen.”—„Neen, neen,” sprak de vizier, „wat gij ook
moogt inbrengen om mij over te halen u in een zoo vreesselijk gevaar te
brengen, ik zal daarin niet toestemmen. Indien de sultan mij beval u den
dolk in het hart te stooten of den strik om den hals te slaan, ik zou
moeten gehoorzamen. Welk eene vreesselijke taak voor een' vader! Ach,
bijaldien _gij_ den dood niet vreest, vreest althans _mij_ de doodelijke
smart te berokkenen van mijne hand in uw bloed te moeten doopen.”—„Ik
kan niet anders vader!” zeide Scheherazade, „en smeek u nogmaals
eerbiedig mijn verzoek te willen toestaan.” „Uwe stijfhoofdigheid,”
hernam de vizier, „verwekt mijnen toorn. Waarom wilt gij u zelve in het
verderf storten? Wie het einde van eene gevaarlijke onderneming niet
heeft berekend, zal zich daaruit nimmer gelukkig redden. Ik ben beducht,
dat u zou overkomen, wat den ezel gebeurde, die het goed had, maar die
zich daarmede niet te vreden stelde.” „En welk ongeluk overkwam dien
ezel?” vroeg Scheherazade. „Dit zal ik u zeggen,” antwoordde de vizier,
„luister!”