Dl. I, pag. 13.]

Niet lang nog had dit hun onderhoud geduurd, toen zich in hunne

nabijheid een vreeselijk gerucht deed hooren, vergezeld gaande door

zulk eene ontzettende kreet, dat zij geheel verschrikt werden. Op dat

tijdstip spleet de zee van een, en eene zwarte kolom, die tot aan de

wolken scheen te reiken, rees uit dien afgrond op. Op dit gezigt

verdubbelde hunne vrees, zij stonden ijlings op en klommen in eenen

boom wiens bladrijken kruin zij meenden, dat hun het best zou kunnen

verbergen. Naauwelijks hadden zij zich daar in veiligheid gesteld, toen

de kolom allengskens eene menschelijke gestalte aannam en zich aan hen

vertoonde als een groote en afschuwelijke reus, die het strand naderde

en door zijn' snellen gang de zee deed opbruisen, als voor den boeg van

een snel zeilend schip.

Wat hun zoo veel schrik aanjoeg, was een dier booze geesten, die den

menschen vijandig zijn en er behagen in scheppen hen te kwellen en kwaad

te doen. Hij was van eene gedrochtelijke gestalte en droeg op zijn

hoofd, dat afschuwelijk was om aan te zien, eene groote glazen kist,

waaraan vier stalen sloten hingen. Aan land stappende, naderde hij den

boom waarop onze vlugtelingen zaten, en zette tot hunnen schrik aldaar

zijne vracht af, zoodat de twee koningen zich reeds verloren achtten.

Intusschen scheen de geest hen niet bemerkt te hebben, en zich hij de

kist nederzettende kreeg hij van zijn' gordelriem vier groote sleutels

allen van een bijzonder maaksel. Hier mede ontsloot hij de kist, waaruit

eene rijk gekleede dame, van eene vorstelijke gestalte en groote

schoonheid te voorschijn kwam. Het monster deed de schoone dame aan

zijne zijde nederzitten en eenen verliefden blik op haar vestigende,

zeide hij: „O schoonste der jonkvrouwen, bekoorlijkste van uw geslacht,

die ik op den bruiloftsdag ontvoerd en sedert met standvastigheid en

onveranderlijke liefde bemind heb, gij zult mij wel willen veroorloven

eenige oogenblikken in uwe mij zoo waarde nabijheid te slapen. De slaap,

die mij kwelt, heeft mij dit oord doen verkiezen, om er een weinig rust

te nemen.” Dit gezegd hebbende liet hij zijn plomp hoofd op de knieën

der dame vallen, en zijne voeten uitstrekkende zoo dat zij tot aan de

zee reikten, sliep hij weldra in, en deed door zijn geweldig ronken de

lucht daveren.

De dame bij toeval naar boven ziende en de beide prinsen bespeurende,

wenkte hen met een vrolijk gelaat om bij haar te komen. Hoog klom, nu

zij zich in hunne schuilplaats ontdekt zagen, de angst van Schahriar en

Schahzenan, zij baden de dame door teekenen hen te verschoonen en niet

te verraden; maar zij het hoofd van den geest van haren schoot zacht op

den grond latende glijden, stond op, en verzocht met eene fluisterende

stem dat zij zouden afkomen. Schahriar en Schahzenan gaven andermaal

door teekenen te kennen, dat zij uit vrees voor den geest weêrhouden

werden aan haar verzoek te voldoen. Doch de dame nam hier geen genoegen

in, maar zeide, steeds zacht sprekende opdat de geest niet mogt

ontwaken, „indien gij u niet haast mij te gehoorzamen, zoo zal ik hem

wekken en verzoeken dat hij u doode.”

Deze bedreiging bragt de vorsten zoo zeer in het naauw, dat zij van twee

gevaren het minste kiezende met voorzigtigheid begonnen af te klimmen,

steeds in angst zijnde dat de geest door het geritsel der takken mogt

ontwaken.

Hij sliep echter door, en de dame de prinsen bij de hand nemende

geleidde hen op eenigen afstand van daar en vroeg aan ieder hunner, als

een blijk van liefde en genegenheid, de ringen, welke zij zag dat de

vorsten aan den vinger droegen. Schahriar en Schahzenan, hoewel in den

beginne weigerachtig, zagen zich wel gedwongen, op de bedreiging der

dame van den geest te zullen roepen, om toe te geven. Toen aan haar

verzoek voldaan was, kreeg de dame uit de kist haar juweelkoffertje,

en daaruit eenen draad nemende, waaraan eene menigte ringen van

onderscheiden vorm geregen waren, zeide zij met een schalksch lachje:

„weet gij wel welke beteekenis aan deze kleinodiën verbonden is?”

„Neen,” luidde het antwoord der prinsen, „maar het hangt slechts van u

af er ons mede bekend te maken.” „Deze ringen,” hernam zij, „zijn allen

van mannen van wie ik ze op dezelfde wijze als van u verkreeg. Er zijn

er goed geteld acht en negentig, die ik tot eene gedachtenis aan hen

bewaar. Ik heb u om de uwen gevraagd, ten einde het honderdtal vol

te maken, zoo dat ik thans juist honderd minnaars gehad heb, niet

tegenstaande de waakzaamheid en de voorzorgen van dezen ondeugenden

geest, die nimmer van mij wijkt. Al sluit hij mij ook in eene glazen

kist, die hij op den bodem der zee bewaart, ik zal hem toch weten te

misleiden. Hieruit moogt gij leeren, dat, indien eene vrouw zich iets

heeft voorgenomen, er noch man, noch geest is, die haar weêrhouden kan

haar doel te bereiken. De mannen zouden beter doen de vrouwen niet aan

banden te leggen en meer vrijheid te laten, want dat is de weg om haar

liefde tot de deugd in te boezemen.” De dame, hen dus toegesproken

hebbende, reeg de beide ringen bij de anderen aan, zette zich vervolgens

weder op hare vorige plaats neder, tilde het hoofd van den geest, zonder

dat hij daardoor ontwaakte, op hare knieën, en gaf den prinsen een

teeken dat zij thans konden vertrekken.

Zij draalden niet van de hun verleende vrijheid gebruik te maken,

verwijderden zich zoo spoedig mogelijk van deze gevaarvolle plaats en

eerst toen zij ver genoeg buiten het gezigt van de dame en van den geest

waren, zeide Schahriar tot Schahzenan: „Wel nu broeder! wat dunkt u

van hetgeen ons is bejegend? Heeft die geest niet eene zeer getrouwe

minnares?” „Ja broeder,” antwoordde de koning van Tartarije, „en gij

zult mij tevens toestemmen, dat de geest in dit opzigt nog meer te

beklagen en ongelukkiger is dan wij.” „Daarom,” hernam de sultan,

„zullen wij, als gevonden hebbende wat wij zochten, ook dadelijk,

volgens de aan u gedane belofte, onzen zwerftogt staken en terugkeeren,

zonder dat dit alles mij zal beletten op nieuw te huwen. Ik voor mij heb

een middel bedacht, dat mij in het vervolg tegen de ontrouw mijner gade,

al ware zij ook aan deze dame in list gelijk, zeker zal vrijwaren. Ik

wil mij daarover nu niet verder uitlaten, maar gij zult weldra van mij

hooren spreken, en ik houd mij verzekerd, dat gij mijn voorbeeld, als

geheel onfeilbaar, zult navolgen.”

De beide vorsten keerden nu naar het kamp terug, waar zij met groote

vreugde ontvangen werden. De sultan toonde zich zeer goed gestemd,

beschonk zijne hovelingen rijkelijk, en keerde, de jagtpartij

uitstellende, naar de stad terug. Nauwelijks in zijn paleis aangekomen,

begaf hij zich, vergezeld door den groot-vizier, naar de vertrekken van

de sultane, en zonder de koningin, die hem met gemaakte vreugde ontving,

een enkel woord toe te spreken, leverde hij de ontrouwe aan zijnen

vizier over, met bevel haar te doen verwurgen.—Dit bevel werd terstond

ten uitvoer gebragt, zonder dat aan dezen eersten staats-minister iets

bekend was van den aard der misdaad, welke de vorstin begaan had.

Schahriar liet het echter hierbij niet blijven, maar slechts aan zijnen

toorn gehoor gevende, hieuw hij met eigen hand al de slavinnen der

sultane het hoofd af. Na dit gestrenge strafgerigt, bij zich zelven

overtuigd zijnde, dat het vergeefsche moeite zou zijn eene werkelijk

deugdzame vrouw te vinden, kwam hij tot het wreede besluit, elken dag

eene andere gemalin te huwen, en deze den volgenden morgen ter dood te

laten brengen, waardoor hij tegen hare ontrouw beveiligd zou zijn. Hij

stelde dezen maatregel echter uit tot na de afreis van zijnen broeder,

beducht zijnde dat deze welligt tegenwerpingen zou maken, die hem minder

welgevallig mogten zijn.

Toen Schahzenan vertrokken was, draalde Schahriar niet aan zijn besluit

gevolg te geven, en beval zijnen groot-vizier hem de dochter van een'

zijner generaals te brengen, welke hij tot gemalin begeerde. Den

volgenden morgen stelde hij haar weder in handen van den groot-vizier

om haar te doen dooden, en gaf te gelijk last hem voor dien dag weder

eene andere gemalin te bezorgen. Met hoe grooten tegenzin dit wreede

bevel ook door den groot-vizier werd uitgevoerd, hij was naar Oostersch

gebruik aan den sultan eene blinde gehoorzaamheid verschuldigd, waaraan

hij zich niet kon onttrekken, zonder zijn eigen hoofd te verliezen. Hij

bragt hem dit maal de dochter van een' officier van ondergeschikten rang

tot echtgenoote, die even als hare voorgangster den volgenden morgen ter

dood werd gebragt. Daarna gold het de schoonste dochters der inwoners

uit de hoofdstad, om kort te gaan, elken dag trouwde eene maagd en werd

er eene vrouw ter dood gebragt.

Het gerucht van deze voorbeeldelooze onmenschelijkheid verwekte door

de geheele stad eene groote ontsteltenis. Overal hoorde men zuchten en

angstkreten. Hier beweende een vader het verlies van zijne geliefde

op zoo wreede wijze omgebragte dochter, daar hoorde men de klagten

eener teedere moeder, die voor hare kinderen een' gelijk lot vreesde.

In plaats van dus, gelijk vroeger, door zijne onderdanen geprezen en

gezegend te worden, werd de koning van Indië thans als een wreede tyran

door allen verwenscht.

De groot-vizier die, zoo als gezegd is, tegen zijnen wil en zin tot deze

vreeselijke onregtvaardigheid de hand moest leenen, had zelf ook twee

dochters, Scheherazade en Dinarzade. Beide waren schoon en deugdzaam,

doch Scheherazade bezat bovendien een' meer dan vrouwelijken moed, een

helder verstand en een' schranderen geest. Zij had veel gelezen en een

zoo sterk geheugen, dat niets van het eens gelezene haar ontging. Zij

had zich met vrucht toegelegd op de wijsbegeerte, de geneeskunde, de

geschiedenis en de schoone kunsten, en maakte beter verzen dan de meest

beroemde dichters van haren tijd. Daarbij was zij van eene uitstekende

schoonheid en onwankelbare deugd, zoodat zij met regt het wonder van

hare eeuw mogt heeten.

De vizier droeg deze zijne dochter, hem zoo waardig door hare

uitmuntende eigenschappen, de teederste liefde toe. „Vader,” zeide

zij eens tot hem, „ik heb u eene gunst te vragen, en verzoek u bij de

liefde, die gij mij toedraagt, dat gij mij deze niet weigert.” „Ik zal u

geen verzoek afslaan,” antwoordde hij, „mits dat het, zoo als ik van u

kan verwachten, redelijk en regtvaardig is.” „Wat het laatste aangaat,”

hernam Scheherazade, „gij zult daarover het best kunnen oordeelen naar

de beweegreden, die mij aanspoort u deze gunst te vragen. Het is mijn

plan om de wreedheden, welke de sultan tegen zoo vele gezinnen dezer

stad bedrijft, in haren zoo verderfelijken loop te stuiten. Ik wil aan

de regtmatige vrees van zoo vele moeders om hare dochters op zulk eene

beklagenswaardige wijze te verliezen, voor altijd een einde maken.” „Uw

voornemen is hoogst loffelijk, mijn kind,” sprak de vizier, „maar voor

het kwaad, dat gij van uwe stadgenooten wenscht af te wenden, zie ik

geen hulpmiddel. Hoe toch zoudt gij dat willen aanleggen?” „Vader,”

hernam Scheherazade, „dit middel is gemakkelijk gevonden. Daar het u is

opgedragen voor den sultan zijne vrouwen te kiezen, zoo bezweer ik u bij

de teedere liefde, die gij mij toedraagt, mij deze eer te verschaffen.”

„Zijt gij van uw verstand beroofd mijn kind!” riep de vizier door zulk

een voorstel van schrik verbleekende. „Vordert gij van uwen vader, die u

lief heeft als de appels zijner oogen, dat hij uw' beul zal worden! Hoe

kunt gij mij een verzoek van dien aard doen! Gij weet immers, dat de

sultan bij zijn hoofd heeft gezworen zijne vrouw slechts éénen nacht te

laten leven, en dat hij haar den volgenden morgen aan mij overgeeft om

haar te laten verwurgen. Hebt gij wel bedacht, waaraan uw onvoorzigtige

ijver u blootstelt?”

„Ja vader,” antwoordde dit deugdzame meisje, „ik ken al het gevaar dat

ik zal loopen, maar dit kan mij niet afschrikken. Indien ik omkom, mijn

dood zal roemrijk zijn, en bij aldien ik in mijne onderneming slaag, zoo

zal ik het geluk en de eer genieten aan mijn vaderland eene gewigtige

dienst te hebben bewezen.”—„Neen, neen,” sprak de vizier, „wat gij ook

moogt inbrengen om mij over te halen u in een zoo vreesselijk gevaar te

brengen, ik zal daarin niet toestemmen. Indien de sultan mij beval u den

dolk in het hart te stooten of den strik om den hals te slaan, ik zou

moeten gehoorzamen. Welk eene vreesselijke taak voor een' vader! Ach,

bijaldien _gij_ den dood niet vreest, vreest althans _mij_ de doodelijke

smart te berokkenen van mijne hand in uw bloed te moeten doopen.”—„Ik

kan niet anders vader!” zeide Scheherazade, „en smeek u nogmaals

eerbiedig mijn verzoek te willen toestaan.” „Uwe stijfhoofdigheid,”

hernam de vizier, „verwekt mijnen toorn. Waarom wilt gij u zelve in het

verderf storten? Wie het einde van eene gevaarlijke onderneming niet

heeft berekend, zal zich daaruit nimmer gelukkig redden. Ik ben beducht,

dat u zou overkomen, wat den ezel gebeurde, die het goed had, maar die

zich daarmede niet te vreden stelde.” „En welk ongeluk overkwam dien

ezel?” vroeg Scheherazade. „Dit zal ik u zeggen,” antwoordde de vizier,

„luister!”

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 6 / 29 题