INLEIDING.

In de kronijken der aloude Perzische koningen, wier gebied zich van de

grenzen van China tot aan den Ganges in Indië uitstrekte, leest men van

eenen vorst, die den roem van zijn stamhuis tot den hoogsten luister

opvoerde. Deze had twee zonen, waarvan de oudste, Schahriar genaamd,

door zijne dapperheid en deugden beloofde eenmaal den waardigen opvolger

van zijnen beroemden vader te zullen worden. Zijn jongere broeder

Schahzenan was mede een prins van groote verdiensten.

Toen de oude koning na eene lange en gelukkige regering overleed,

besteeg Schahriar den troon. Schahzenan door de wetten des rijks van

alle regering buiten gesloten en verpligt om als een gewoon burger te

leven, benijdde echter zijnen broeder deszelfs hooge magt niet, maar

gaf zich integendeel alle moeite om met hem op eenen goeden voet te

leven. Het kostte hem weinig inspanning aldus te handelen. Schahriar,

van nature met eene hartelijke genegenheid voor zijnen broeder bezield

en voldaan over diens edel gedrag, besloot zijn rijk met hem te deelen,

en beschonk hem met het koningrijk van Groot-Tartarije. Schahzenan

vertrok weldra om zijn rijk in bezit te nemen, en vestigde zijnen

zetel te Samarcande.

Tien jaren waren sedert deze scheiding der beide koningen voorbijgegaan,

toen Schahriar, door een' onverwinnelijken lust bezield om zijnen

broeder te zien, zijnen eersten vizier met een talrijk gevolg naar

Samarcande zond, om den koning van Tartarije tot een bezoek uit te

noodigen.

Toen de vizier de hoofdstad naderde, ging Schahzenan, van de komst des

gezants onderrigt, hem te gemoet, door zijne voornaamste hovelingen

vergezeld, die, om den sultan meer eer te bewijzen, allen op het

prachtigst waren uitgedost. De koning van Tartarije ontving het

gezantschap met alle blijken van vreugde, en vroeg met levendige

belangstelling naar den welstand van den sultan zijn' broeder en andere

op hem betrekking hebbende zaken. De vizier aan de weetgierigheid des

konings voldaan en met hem het verlangen zijns meesters bekend gemaakt

hebbende, gevoelde Schahzenan zich zeer getroffen wegens dit vernieuwde

blijk van broederlijke genegenheid. „Vizier,” zeide hij, „mijn broeder

de sultan doet mij te veel eer aan, en hij zou niets hebben kunnen

verlangen dat mij aangenamer is. Begeert hij mij te zien, ik koester

geen' anderen wensch. Heeft de tijd zijne genegenheid niet kunnen

verminderen, de mijne voor hem is nog onverzwakt. Mijn rijk is rustig

en ik verlang slechts tien dagen ter regeling van mijne zaken, ten

einde met u de reis te aanvaarden. Het is dus voor een kort verwijl

niet noodig, dat gij uw verblijf in mijne hoofdstad neemt of verder

trekt. Sla hier uwe tenten op, ik zal last geven dat men u en uw gevolg

rijkelijk van levensmiddelen en verfrisschingen voorzie.” Hieraan werd

met spoed gevolg gegeven. Nog niet lang was de koning binnen Samarcande

teruggekeerd, toen de vizier reeds een lange trein van slaven zag

naderen, die op gouden en zilveren schotels allerlei kostelijke spijzen

of rijke geschenken voor den gezant op het hoofd droegen, en, zich op

eene knie buigende, hem tevens gedurende zijn verblijf hunne diensten

aanboden.

Schahzenan zijne zaken binnen den door hem gestelden tijd geregeld

en een' raad gekozen hebbende, die gedurende zijne afwezigheid den

grootvizier zou ter zijde staan, opdat het land met wijsheid mogt

geregeerd worden, nam nu een hartelijk afscheid van de koningin, welke

hij zeer lief had, en verliet met zijn reisgezelschap de hofstad.

Het was toen avond en na tot middernacht in het pavilloen, dat in

het kamp voor hem was opgeslagen, met den gezant zeer belangrijke en

aangename gesprekken te hebben gevoerd, besloot de koning zich ter rust

te begeven. Doch nauwelijks was de gezant vertrokken, of Schahzenan, nu

aan zijne gemalin denkende, kwam tot andere gedachten, en het viel hem

in de koningin vóór zijn vertrek nog een bezoek te brengen. Dadelijk

keerde hij naar Samarcande terug, trad geheel alleen en zoo stil

mogelijk den harem en het vertrek van zijne gemalin binnen, welke hij

door zijne zeker niet verwachte komst eene blijde verrassing wilde

verschaffen. Haar vertrek echter binnentredende, doet hij een stap

terug en blijft als aan den grond vastgenageld staan, toen hij haar

in gezelschap van een zijner officieren zag.

„Wat,” zegt de koning, tot zich zelven komende, „naauwelijks heb ik dit

paleis verlaten, bevind mij nog onder de muren van Samarcande, en men

waagt het reeds mij aldus te honen? Ha! trouwelooze, uwe misdaad zal

niet ongestraft blijven. Als koning rust de pligt op mij de misdrijven,

die er in mijn rijk plaats hebben, te straffen; als beleedigd echtgenoot

voel ik mij genoopt u aan mijne regtmatige wraak op te offeren.”

De ongelukkige vorst, aan den eersten indruk van zijnen toorn gehoor

gevende, trekt zijn zwaard en met een' enkelen slag doet hij de

schuldigen hun leven eindigen. Daarna neemt hij de lijken der

verslagenen, en werpt ze uit eene der vensters in de gracht, die het

paleis omgeeft.

Na deze eigenhandige regtspleging verliet de koning van Tartarije

het paleis en de stad even stil als hij er in was gekomen, en begaf

zich naar zijn pavilloen terug. Kort daarop, zonder tot iemand over

het voorgevallene te spreken, gaf hij bevel de tenten op te breken

en te vertrekken. Spoedig was alles gereed en nog vóór dat de dag

aanbrak werd de reis begonnen, onder het geschal van onderscheidene

muzijk-instrumenten. Doch dit mogt alle anderen tot vreugde stemmen,

de koning kon er niet in deelen. De vorst, de gedachte aan de ontrouw

zijner gemalin niet van zich kunnende zetten, verviel in eene diepe

droefgeestigheid, welke hem gedurende de geheele reis bijbleef.

Toen hij de hoofdstad van Indië naderde, kwam de sultan Schahriar

hem met zijn geheele hof te gemoet rijden. Groot was de vreugde des

wederziens. Beiden stegen af, omhelsden elkander regt broederlijk, en

eerst na vele blijken van de meest ongeveinsde genegenheid, klommen zij

weder te paard en reden naar de stad, waar zij door een groot deel der

talrijke bevolking onder blij geschal werden ingehaald.

De sultan van Indië liet ter eere van zijnen broeder vele prachtige

feesten aanrigten, doch Schahzenan bleef daar geheel ongevoelig voor,

en zoo groot was zijne neêrslagtigheid, dat zulks de aandacht van

den sultan niet ontging. Daar hij zich niets te verwijten had en al

het mogelijke deed om het verblijf aan zijn hof voor zijnen broeder

aangenaam te maken, vermoedde hij dat deze te veel aan de zaken zijns

rijks of aan de koningin dacht en daarom bij hem geen genoegen kon

vinden. Schahriar was te grootmoedig om zijn' broeder tegen diens zin

bij zich te willen houden, en besloot alzoo de geschenken, welke hij

voor hem bestemd had, aan hem te zenden, een bewijs dat hij vrijheid

had naar zijne staten terug te keeren, zoodra hem dit zou goeddunken.

Vooraf echter liet hij eene groote jagtpartij aanrigten, meenende

dat dit vorstelijk vermaak den koning van Tartarije welligt beter zou

behagen dan de hoffeesten, ter zijner eere gegeven. Doch Schahzenan

verontschuldigde zich met eene ongesteldheid en verzocht verlof zijne

kamers te mogen houden. „Ik ken mijn' broeder niet meer,” sprak de

sultan bij zich zelven, „vroeger had hij alle hoffelijkheid voor mij,

maar thans schijnt hij op mijne genegenheid weinig prijs meer te stellen

en geheel vergeten te zijn, dat hij alleen aan mijne broederlijke liefde

zijne hoogheid en zijn rijk te danken heeft.” En nadenkende over de

ondankbaarheid der menschen en hoe spoedig eene ontvangen weldaad

dikwijls wordt vergeten, reed hij, weemoedig over deze ondankbaarheid

van zijnen liefsten bloedverwant, alleen en slecht gestemd ter jagt,

zonder verder bij zijnen broeder aan te dringen of hem in zijne vrijheid

hinderlijk te willen zijn.

Schahzenan sloot zich in zijn vertrek op, ten einde zich ongestoord aan

zijne droefgeestige gedachten te kunnen overgeven. Zelfs de prachtige

lusthof, waarin hij uit zijn venster het gezigt had, de schitterende

bloemenpracht en het liefelijk gezang van honderden vogelen, die vrolijk

in de olijf- en oranjeboomen rondfladderden en hun avondlied neurieden,

waren niet in staat hem uit zijne treurige overpeinzing op te wekken.

Terwijl hij aldus werktuigelijk en zonder eenig gevoel voor al dit

schoone in den hof staarde, kwam het hem voor, dat een verborgen poort,

die zich in den muur bevond, welke den hof omsloot en die met het paleis

des sultans gemeenschap had, geopend werd, en hetgeen hij nu zag moest

zijne aandacht wel trekken. Een twintigtal vrouwen, in welker midden

zich de sultane bevond, welke aan hare prachtigste kleeding en fiere

gestalte ligtelijk te onderscheiden was, traden plotseling den hof

binnen. De prinses, in de vaste overtuiging zijnde, dat de koning

van Groot Tartarije zich met den sultan ter jagt bevond, naderde

zonder eenige beschroomdheid tot onder het venster van zijn vertrek.

Schahzenan, nieuwsgierig het gelaat der koningin te zien, welke zich

vermoedelijk weldra van den sluijer, die hare majestueuse gestalte

verborg, zou ontdoen, plaatste zich zoo, dat hij alles kon zien, zonder

vrees van ontdekt te worden. Hij werd, met de gebruiken van het serail

bekend zijnde, in zijne verwachting niet bedrogen, de koningin legde

haren sluijer af, terwijl de overigen zich van het lange opperkleed,

dat zij over een kort kleed droegen, ontdeden. Doch hoe groot was de

verbazing des konings, toen hij zag dat zich onder dit gezelschap,

hetgeen alleen uit vrouwen mogt bestaan, tien zwarte slaven bevonden,

die zich elk bij eene der vrouwen voegden. De onbetamelijkheid van eene

dergelijke handelwijze deed aan Schahzenan genoeg zien, om zich te

overtuigen, dat de sultan zijn broeder niet minder te beklagen was dan

hij. De vrouwen en slaven vermaakten zich tot middernacht, waarna zij

door dezelfde geheime poort in het paleis terugkeerden. Terwijl dit

alles onder de oogen des konings van Groot Tartarije plaats greep,

kwamen er verschillende gedachten bij hem op: „Ben ik niet een groote

dwaas,” sprak hij tot zich zelven, „te gelooven, dat mijn ongeluk zoo

eenig is! Het is ongetwijfeld het algemeen lot der mannen, door hunne

vrouwen bedrogen te worden, daar de Alleenheerscher over zoo vele

magtige staten, de grootste koning des aardbodems zich daarvoor niet

heeft kunnen vrijwaren. Dit zoo zijnde, welk eene dwaasheid is het dan,

mij door eene zoo algemeene zaak van verdriet te laten overheerschen!

Mijn besluit is genomen; de herinnering aan een ongeluk, waarin zoo

velen met mij moeten deelen, zal in het vervolg mijne rust niet meer

verstoren.” Van dat tijdstip af zocht de koning van Tartarije zijne

droefheid, waarvan hij nu de dwaasheid inzag, te bestrijden, en hij

slaagde daarin volkomen. Dien avond, voor het eerst na de ontrouw zijner

gemalin, liet hij zich het avondmaal, dat, hij thans beval op te dragen,

zeer goed smaken, en bragt eenen zoo rustigen nacht door, als dit in

langen tijd het geval niet was geweest.

Van dien dag af kreeg hij zijn gewone vrolijkheid terug, en toen hij

vernam dat de sultan van de jagt terug gekomen was, ging hij hem

dadelijk met een opgeruimd gelaat zijn opwachting maken.

Schahriar sloeg in het eerst geen acht op de verandering, welke

met zijnen broeder had plaats gegrepen en beklaagde zich alleen

op vriendelijken toon, dat hij hem niet op de jagt had willen

vergezellen.—Zonder aan Schahzenan den tijd te laten op dit verwijt

te antwoorden en zich te verontschuldigen, bragt hij het gesprek op de

groote menigte herten en ander wild, dat men gedood, en het vermaak

dat hij op de jagt gesmaakt had. Schahzenan, hem met onverdeelde

aandacht aangehoord hebbende, lag in zijne antwoorden zoo veel geest

en levendigheid aan den dag, dat zulks door den sultan niet langer

onopgemerkt kon blijven. Hij was deswegens evenzeer verblijd als

verwonderd. „Broeder,” zeide hij, „ik dank den hemel voor de gelukkige

verandering, welke in mijn afzijn ten uwen opzigte heeft plaats gegrepen

en verblijd er mij ten hoogste over. Maar nu heb ik eene bede, welke

ik u verzoek mij niet af te slaan.” „Wat zou ik u kunnen weigeren?”

antwoordde de koning van Tartarije, „gij die op Schahzenan alles

vermoogt. Spreek slechts, ik brand reeds van verlangen om uwen wensch

te mogen kennen, en dien even spoedig te vervullen.”

„Sedert gij aan mijn hof zijt,” hernam Schahriar, „heb ik bij u eene

neêrslagtigheid opgemerkt, welke ik te vergeefs heb getracht door

allerlei soort van vermakelijkheden te verdrijven. Ik verbeeldde mij dit

verdriet daaraan te moeten toeschrijven dat gij u te lang van uw Rijk

verwijderd bevondt, zelfs heb ik gedacht, dat ook de liefde hier de

hand in had, en dat de koningin van Samarcande, welke ongetwijfeld in

schoonheid, deugd en allerlei beminnelijkheden zal uitmunten, daar gij

haar uwe keuze hebt waardig geacht, er welligt mede oorzaak van was.

Doch van waar dan de plotselinge verandering, die ik bij u opmerk, wat

gaf u stof tot treuren, en doet u thans weder vrolijk zijn?”

Schahzenan verzocht op die vraag het antwoord te mogen schuldig

blijven, daar dit de pas gesloten wonde welligt weder zou openrijten,

doch de sultan, hierdoor zijne nieuwsgierigheid opgewekt gevoelende,

drong zoo sterk aan, dat de koning van Tartarije eindelijk moest

toegeven en hem met de oorzaak zijner droefheid bekend maakte. „Oordeelt

thans Sire,” besloot hij zijne mededeeling, „of ik wel heb gehandeld

door de koningin te straffen en of mijne droefheid ongegrond was?”

„Waarde broeder,” riep de sultan op een' toon, die genoeg te kennen gaf,

hoezeer hij in de gevoeligheid des konings van Tartarije deelde, „welk

eene treurige geschiedenis verhaalt gij mij daar! Met ongeduld heb ik

u ten einde aangehoord! Ik prijs het, dat gij de verraders, die u dus

gehoond hadden, gestraft hebt, gelijk zij verdienen. Ik moet zelfs

belijden, dat ik in uwe plaats zijnde misschien minder maat zoude hebben

gehouden. Ik zou mij niet vergenoegd hebben de schuldige vrouw te

dooden, maar welligt mijne gramschap aan duizenden van haar geslacht

hebben doen gevoelen. Ik verwonder mij dus niet meer over uw verdriet,

de oorzaak, die daartoe aanleiding gaf is van een' aard, die mij welligt

onder haren last zou hebben doen bezwijken. Welk eene noodlottige

gebeurtenis! Ik geloof niet dat iemand een grooter ongeluk zou kunnen

treffen. Maar wij moeten den hemel dankzeggen, dat hij u de kracht en

de middelen heeft geschonken, om u over dien ramp te troosten. En niet

twijfelende of gij zult daar goede redenen voor hebben, zoo heb de

goedheid mij ook die te doen kennen; schenk mij uw volle vertrouwen.”

Schahzenan, zijnen broeder eene gelijke droefheid willende besparen als

hij zelf had ondervonden, bleef lang weigerachtig, doch Schahriar liet

zich niet afwijzen, zoodat de koning van Tartarije zich ten laatste

gedrongen zag, hem mede te deelen hetgeen hij in den hof gezien had,

waardoor hij tot het besluit was gekomen, dat het eene groote zwakheid

voor een' man was, zijne zielsrust en zijn geluk van de trouw eener

vrouw afhankelijk te maken, zoodat hij van dit tijdstip af zijne

droefheid bestreden en ook overwonnen had, den sultan den raad gevende

hierin zijn voorbeeld te volgen.

Hoe verstandig ook die raad was, zij kwam niet overeen met het

opvliegend karakter van den sultan. „Wat,” riep hij woedend uit, „de

sultane van Indië zou in staat zijn zich zoo onwaardig te gedragen!

Neen broeder,” vervolgde hij, „ik kan niet gelooven aan de waarheid van

hetgeen gij mij verhaald hebt, tenzij ik er met eigen oogen getuige van

ben. Waarschijnlijk hebt gij u in de persoon der koningin vergist; en de

zaak is gewigtig genoeg, dat ik daarvan het bewijs erlang.”

„Broeder,” antwoordde Schahzenan, „wilt gij u van de waarheid

overtuigen, dit is niet zeer moeijelijk, gij hebt niets te doen dan

eene nieuwe jagtpartij te verordenen. Zoodra wij alsdan niet ons gevolg

buiten de stad zullen zijn en het kamp is opgeslagen, keeren wij met den

avond naar uw paleis terug en houden ons in mijn vertrek verborgen. Ik

ben overtuigd, dat gij alsdan hetzelfde tooneel zult zien, waarvan ik

ooggetuige was.”

De sultan deze list goedkeurende, liet nog dienzelfden dag, het bevel

tot eene groote jagt uitgaan, en de tenten buiten de stad opslaan, om

aldaar den morgenstond af te wachten en bij tijds te kunnen vertrekken.

Met spoed werden des konings bevelen uitgevoerd, hij nam voor eenige

dagen afscheid van zijne gemalin en reed, door zijnen hofstoet

vergezeld, de poort uit. Toen het donker was geworden, riep Schahriar

zijn' grootvizier, en zonder hem met zijn plan bekend te maken, beval

hij hem zijne plaats in te nemen en niet toe te laten, dat iemand om wat

oorzaak ook het kamp zou verlaten, vóór zijne wederkomst. Daarop verliet

hij, alleen vergezeld door den koning van Tartarije in stilte het kamp,

en in de stad teruggekeerd zijnde, begaven zij zich naar het paleis,

waar Schahzenan zijn verblijf had en bragten aldaar den nacht verder

door.

Zoodra echter de dag was aangebroken namen zij, achter de zware

gordijnen verborgen, plaats aan het venster, dat in den hof van het

paleis uitzag. Zij hadden nog geen uur gewacht, toen de geheime poort

open ging en het zelfde tooneel zich herhaalde, waarvan Schahzenan

getuige was geweest.

De sultan thans overtuigd van den hoon hem door de koningin aangedaan,

werd als onzinnig. „Broeder!” riep hij, den koning van Tartarije

omhelzende, „welk een verschrikkelijk iets! Kan de gemalin van een groot

monarch zich aan zulk eene overtreding schuldig maken, welk vorst zal er

zich dan nog op kunnen beroemen gelukkig te zijn! Neen, laat ons beiden

aan eene wereld vaarwel zeggen, waaruit de goede trouw verbannen is.

Laat ons afstand doen van den troon en van alle grootheid dezer booze

wereld, die met de eene hand neemt, wat zij met de andere heeft gegeven,

en laat ons in vreemde landen onze schande en ons ongeluk gaan verbergen

en betreuren.”

Schahzenan vond weinig smaak in dit wanhopige plan, doch hij achtte het

niet raadzaam den sultan in den staat van opgewondenheid waarin deze

zich bevond te weêrspreken. „Broeder,” zeide hij, „uw wil zal steeds den

mijnen zijn, ik ben gereed u te vergezellen tot aan het uiteinde der

bewoonde aarde; maar beloof mij dat wij terug zullen keeren indien wij

iemand aantreffen, die ongelukkiger en meer bedrogen is, dan wij zijn.”

„Dat beloof ik u,” antwoordde de sultan, „maar ik betwijfel het, dat

op de geheele wereld zoo iemand zal te vinden zijn.” „Ik ben niet van

uw gevoelen,” hernam de koning van Tartarije, „misschien zelfs zal

onze reis van zeer korten duur zijn?” Schahriar zeide hier niets op,

maar volhardde in zijn ongeloof, en een oogenblik later verlieten

beide koningen in burgergewaad het paleis en de stad, een' anderen weg

inslaande, dan van waar zij gekomen waren, ten einde de legerplaats

te vermijden. Zij gingen zoo lang het dag was en bragten den nacht in

het open veld onder eenen boom door. Zoodra het licht begon te worden,

stonden zij op en vervolgden hunnen weg, zonder eenig vast plan te

hebben, werwaarts zij hunne schreden rigten zouden. Toen de dag op het

heetst was, kwamen zij aan den oever der zee in eene schoone landstreek,

waar verscheiden kokosboomen stonden, die de vermoeide zwervers schenen

uit te nodigen onder hun bladrijk loverdak eene rust- en wijkplaats

te zoeken tegen de brandende zonnestralen. De beide koningen zetten

zich onder een' dezer boomen neder, om den daar waaijenden frisschen

zeewind in te ademen en zich wat te verkoelen en te verpozen van hunne

vermoeijenis. Het gesprek, dat zij voerden, liep weder over de ontrouw

van hunne gemalinnen, want waar het hart vol van is, daarvan loopt

doorgaans de mond over.

[Illustratie: Inleiding.—De schoone Dame.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel · 第 5 / 29 题