Gouden schijn brandde herfstig over Wiereland. Laatste Oktoberdag
gloeide zacht, in wonder legende-rood; brooze zonnekoester, teer
aanguldend ’t groen.—Akker-wijd, in de teere pracht van purper en
fluweelkarmijn, oranje en wit, goudgeel en zwartrood van dahlia’s,
doorwemelden de herfstbloemen de velden. En wijd-rondom, de zachte
schitter en zilt-doorgeurde herfstlucht vlamde nog laat-zomersch áán,
boven hel-rood kamgesidder van gladiolen en vurigen gloed van
mombresia’s. De hemel blauwde rag en zacht, koesterend verstovend
warmte-wasem.—
Op de bollenlanden, in frisschen omwoel van akkers, hurkten de rooiers
en planters, in zwaar gebaar tegen ’t lage luchtblauw, met de felle
blinking van hun schalen, den worp van hun bollen in gebukten
mandsjouw, op gekromde ruggen, bezond in den fijnen teeren schitter van
’t licht.
Mestkarren van allen kant ratelbonkten over de paden, vergeurden
hooizoet in de lucht, en de kaalgeplukte tuinderijen, met nog wat
òpgroei van boerenkool, prij, biet en laat gewas, lagen rondom in
groezelig geflakker van verlept groen, verstild en wijd in de
herfstpracht.
Daar, achter de verdofte hagen, vèr, heel vèr, strekte de bronzing van
omgespitte akkers, paarsig brons en terrakottig-warm in ’t weeke,
fijne, glans-uitspinnende herfstlicht, zonnige aarde-glanzing,
wisselend in de goudbruine stapeling van gevulde manden, omspeeld van
’t vlammige burrie-rood en den zilveren schalenfonkel.
Den laatsten Oktober draaide ’t weer. De gouden dagen, in braambrand
van fijn-schitterende kleuren, uitvloeiend door boschjes, laantjes en
tusschen boomen toovertinten van goudrood en goudbruin verspelend,
vergleden tegen den stillen noen, in zilvering van zacht uitstroomend
licht, levende wonderen wevend onder stammen en struiken.—
Regenbuien zongen, en alsof lichtzilver door de luchten heengespuid
werd, zoo, grijs-fijn, in zilte pracht, dropen de dagen de hemelen uit.
De wolken zeilden en in trillend vocht glansde ’t land, tusschen den
regen, strekten de akkers in zonnige borreling van licht volgestort.—
Zilverig geglans en nattig geglimmer overal op de bladeren; fijn
gesproei van vocht tusschen den hoogen kleurgloei van boomen.—
In wonder ongedurig spel, na en onder elke bui, goudde hèl de
herfstzon, in ’n zilveren lichtdamp, overstreelend de akkers met
vloeiend goudlicht.—
De verhallende laantjes van Wiereland, volgemorst van goud-bruinen
bladerval, doorflonkerden in hèlzonnigen toover tusschen en om de
saffierige pracht van ’t àfstervende groen, zacht doorvlamd, nattig, en
teer van gouden schijnsels omkranst.
Als spelonken waar doorheen spuide een fijn-ijle damp van goud en rood,
zoo gloeilichtten zacht de laantjes en bosch-brokken in den
sprook-zachten, vlamkleurigen knetter van herfstbrand.—Laantjes in
goud-verven, als kapellen waar ’t heilige licht intrilde, waar één
gouden droomesprook in zachtsten tintenschitter legendeerde. Laantjes
in doorgloeid bruingoud en rood, in glansen òverstreeld van
hel-meloengoud, trillend in ’n omvloeiing van magischen gloed. Laantjes
in heilig rood; bladerenkransen in gloedbrons en kopering, en
takgroepen in primitieve kleurselen oud-geel en purperig scharlaken,
als op mantels van heiligen en bisschoppen.
En voòrop, in Wiereland-Duinkijk de beukenlaan, met hoogen omgloei en
statigen trots van de aangevlamde kastanjeboomen, diep in ’t laanfond,
in den groen-gouden en meloengeel uitbrandenden kleurgloei, verdaverend
in pracht tegen ’t beuken-goudrood. En overal doorschemering tusschen
het brandend getwijg, van zilverende luchtblauwing en buiige
wolkvaarten.
Overal door Wiereland verklonk doodenzang van zomer; kweelden geluiden
van vreemde vluchtende vogels; gromden gebroken en doffe rateling van
karren op den goudrooden bladerig bemorsten grond; vochtigden de paden
in donzigen weergloei van herfstpraal, schitterende regening en afzwier
van boomblad, in kleurval nog brandend van heiligend licht.—
Over de verre akkers ging doffer werkgerucht, en de stil-gouden lanen
en de rood-bebladerde wegjes, met slanke popels, fijn-herfstig en
heimvol in ruisch, verzwierven land-stemmigen zang, klankbroos, zucht
van legende, en druisch van stervend leven.—
En de paadjes overal, dwars, kronkelend rood, en geel bladerig
doorwaaid, de laantjes goud, in wond’ren glans.
Als de zon, na zilverende regenspui kwam uitstralen, ging er één
flonkering rond van goud-groen, nadruip van regenzilver; stonden er op
d’aarde gestold in teed’ren herfstbrand, kristallen schalen,
millioenen, waarin kleurige zonnedroppels lekten tot hoog bruisend spel
van herfstig vuur; natbloemige flonker van pracht. En een kristallen
liedje verzòng door de ruimte droppelenzang van licht op ’t
regenzilver, zang op de zacht gloeiende dagen.
Rondom de bosschen, heel in ’t rond, goudde kastanjebrand, meloengeel,
besidderd van licht, als gouden sneeuw over de groene nerven gesmolten
en op de blâd’ren weer gestold in goud schitter-rijp. En ’t beukengeel,
en purperig bisschoppig mysterie-rood, zong dwars door de goddelijk
berijpte gouden sneeuw. En de hemel, in ’t fijne zilverende
herfstlicht, spinragde uit, de gouden lichtwebben in den braambrand van
herfsttoover.—
Voor de tuindershoeven hóóg, tot de lei-glanzende of rood-overmoste
bedakingen, stengelden de zonnebloemen, zonnen met donk’re bronzige
harten in den vlammenkrans van hun goud. Overal in Wiereland schoten ze
òp, in den forschen trots van hun stengels en goudpraal, volgend ’t
licht en inzuigend in de donkre harten. De abeelen op duinbrokken en
bosschages, in hun sneeuwing en zilveren ritselgeblaâr, kwijnden
verbleekt tusschen den roodgoud koperen gloei van lanen; langs wond’re
kronkelwegjes, doorruld van rossig zand, waar droomrige stilte boven
herfstbrandende kleur, te suizen en te wiegelen lag, te legendeeren en
te zuchten op zang-zachte wind-vedels, goudtrillend besnaard met
fonkel-teere herfstdraden.
En telkens, tusschen den lagen zwiephang van getwijg, dat te ijlen hing
in koortsig koloriet; tusschen ’t donk’re weenende rood, beschaduwd
purper van prelatenmantels, verborgen rood, al wisselend naar
schitterig koperrood, in tempelige gloeipracht goudgeel oversneeuwd,
meloenig-warm,—verfakkelde de helle vlamming van de lijsterbes,
oranje-hoog tegen ’t luchtblauw, daverenden jubel.—
Heele boomgroepen stonden in bronsgroen en bruingoud, met de doffe
pracht van verouderde kleuren, in brozen bloei verbleekt. Dan plots
weer straalde de zon dóór, feller àchter zilveren wolkbuien uit. En als
’n overstormde stad, overstormd van kleurensneeuw, goochelde de
dóórscheemrende ruimte van boschplekken òpen in koperen gloei; waar,
òver blaren en twijgen, kruinen en stammen, ’t zonnelicht één sprook
van wonderglansen tooverde; moorsch-tempelig, doorgloeiend de goud-gele
sneeuw, het bevende rijp-schitterige kastanjegoud; in wijden
takkenkring, den saffierig dooraderden bladertros doopend in
citroengloed, dompelend in heet oranje.—Zoo, in één gisting van
wonderlicht, satijnig en moireerend, hevig doortinteld en gazig,
nevelzacht en beverig, even doorstreeld van wasemenden kleurfloers,
soms hèl omschijnseld van vloeiend wijnrood, purper en groen, in
herfstigen toover, groeide de stille dagbrand áán.—
Als ’n ondergraven stad overstormd, plots opgerezen uit aardediep, uit
inkrustatie van oudheid, goud-purperde en brons-roodde de herfstbrand,
laaiend door de bosschen, legenden verwevend van boom tot boom; zóó
goudvuurden de paadjes en laantjes in de vrome stilte van hun gloed; de
tinten rond de boomen er opgestoven, er tegen áángeademd, rag, broos,
heel broos en poederfijn, als bloemen-mysterie op bevroren ruiten, in
een wiegelenden schuchteren lijnengroei,—maar nù doorgloeid,
doorvloeid, doorbrand in één kleur-vuur, alles er om áánlaaiend in
magische fonkeling; brand van braambosschig rood, goud-geel, parkietig
blauwgroen, en heet zilverend blankgeel. En al de laantjes in den
herfstmiddag daar verdampend in zonnegoud, dat regende van de boomen,
de roòde stammen en de teer-groene bemòste stammen. En al de
herfstvochten verglanzend, verdampend onder ’t groen-gouden licht van
zonnezink, in tooverenden schitter, tusschen den kleurgloei van
twijgen.—
In de middagen spuide er tusschen de laantjes aquariumlicht, waarin ’t
wemelde van goud-rood fluweel.—Rood fluweel van goudvischjes, in ’t
schichtig lichtende vloeigroen van zeewater, doorschijnend, doorneveld
van mysterische glansen. En de roode, de goud-bruine en geel-bronzen
bladeren trilden er in dàt wondere licht bij zonnezink,—dwars door den
boomenkleurbrand heenschietend,—als fluweelen kleurvinnen van
áánlichtende goudvischjes, purperigen kleurdauw over de herfst-vlammen
plengend.
En nòg later, bij zonnedaal, de herfstdraden in dwarse fonkeling van
licht, elektriseerden als trillende spinrag, goud-roode webben,
doordanst van zwevenden zonnestof.—Door de herfst-zonnige dalende
luchten, vluchten pluimige flamingo’s, wolkvogels in draf, met vurige
vleugels, rood klapwiekend door ’t ruim in waaierigen dans, al bleeker
verpurperend in de avondvaalte; als daar zonk, de fijne herfstavond,
met nagloed van rooden windhemel.—Dan rankten de slanke ruisch-popels
wondergroot tegen de verduisterend roode herfstlucht, fantomig, en
heimweeênd kruinsuisel in zange-wieg en duisteren fluister
verruischend.—
Overal op de akkers, klauterden in de geschonden oofttuinen en
goud-dampende hofjes, de tuinders-jochies in de vruchtboomen, hun
kieltjes heet-blauwig tusschen ’t appelenpurper en perenbrons.
Wonder-stil tegen den avond, wonder stil en roerloos in goddelijken
bloei, verkleurden de vruchtenhofjes in den gouden doop van zonnedaal.
En onder de doorgloeide dahlia-akkers ging rond dan in farandole, ’n
fonkelende dans van gouden, rooden en purperen lantaarntjes, zonnig
geschitter van wiegelend gebloemte in zachten windekezwier;
verschuifelend schijnsel, in wiegel van glansen, donkerig gepraaid door
den naderenden herfstnacht.—