Als ’n fel vuurtje, voortgeblazen en vervonkend rechts en links, door
laster en konkelenden schrik, was de betrapping van Ouë Gerrit door
Wiereland heengegaan. De tuinders keken elkaar aan in stomme
ontzetting, halzige ontdaanheid. Niemand eerst die ’t gelooven wou, als
ie Ouë Gerrit zelf niet tusschen de politiemannen geboeid had zien
wegvoeren. Die brave ouë Blommepot! die d’r nooit dronk, nooit schold,
met z’n ellendig wijf en woeste jongens.... ’t Was d’r puur ’n
meroakel!—
De notabelen beplozen ’t gevalletje, weerden even ’t gemeen luchtje dat
de diefstal zelf ròndspreidde, bejammerden ’t als uiting van geldnood
en zorgen. De fotograaf werd nog al scherp aangekeken, omdat ie den
boel zoo gauw had aangegeven. De tuinders zelf, half-vernield van zorg
door den boonestorm, uitten zich kregel en smartelijk omdat de Ouë
weggevoerd was. Guurt leek gek. D’r sekretarie-heertje keek ’r niet
meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen
als ie ’r al van verre zag aankomen.—
Ze was radeloos van verzet en machteloosheid. Ze verbleekte, vermagerde
in ’r teer gezicht van chagrijn. Ze had ’m laten schrijven, gepaaid,
voor ’m gejammerd, maar ’t hielp niet; hij antwoordde niet eens. Op
straat werd ze dikwijls nagejouwd door kereltjes.—
—Je foàder hep stole! jaù foader is d’r ’n laileke dief.... je broer is
d’r ’n strooper.... je foàder ’n dief!
Dan wist ze niet waar zich te bergen. Om ’r vroegere trotschheid hadden
de Wierelanders weinig meelij met ’r, ze vonden ’t wel wat onbarmhartig
van ’t straattuig, maar verschamperden toch lachjes.—Vroegere
verwaarloosde vrijers boerden ’r in ’t gezicht, hoonden ’r najouwend.
Alleen Jan Grint bleef ’r brandend-jaloersch in stil-ziedende heetheid
bestaren.
De boel thuis was al aan den paal geslagen. Alles genummerd, verzegeld,
stond op punt van verkoop. D’r zou geen vijftig gulden voor de kerels
overschieten.—
Met ’n buffeligen wrok, stom van nijd, en doorknauwd van ellende,
hoek-lijnden de zwijgende barsche koppen op hùn werklooze lijven.—Ze
zeien niks en deden niks, de knapen; slenterden rond, zonder land als
verschoppelingen zoekend naar werk.—Pachtgrond was ook weg. Niemand van
de landheeren die de jongens meer geven wou, en borgen maakten
ommestraatjes, hielden zich niet thuis.