TWAALFDE HOOFDSTUK.

Als ’n fel vuurtje, voortgeblazen en vervonkend rechts en links, door

laster en konkelenden schrik, was de betrapping van Ouë Gerrit door

Wiereland heengegaan. De tuinders keken elkaar aan in stomme

ontzetting, halzige ontdaanheid. Niemand eerst die ’t gelooven wou, als

ie Ouë Gerrit zelf niet tusschen de politiemannen geboeid had zien

wegvoeren. Die brave ouë Blommepot! die d’r nooit dronk, nooit schold,

met z’n ellendig wijf en woeste jongens.... ’t Was d’r puur ’n

meroakel!—

De notabelen beplozen ’t gevalletje, weerden even ’t gemeen luchtje dat

de diefstal zelf ròndspreidde, bejammerden ’t als uiting van geldnood

en zorgen. De fotograaf werd nog al scherp aangekeken, omdat ie den

boel zoo gauw had aangegeven. De tuinders zelf, half-vernield van zorg

door den boonestorm, uitten zich kregel en smartelijk omdat de Ouë

weggevoerd was. Guurt leek gek. D’r sekretarie-heertje keek ’r niet

meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen

als ie ’r al van verre zag aankomen.—

Ze was radeloos van verzet en machteloosheid. Ze verbleekte, vermagerde

in ’r teer gezicht van chagrijn. Ze had ’m laten schrijven, gepaaid,

voor ’m gejammerd, maar ’t hielp niet; hij antwoordde niet eens. Op

straat werd ze dikwijls nagejouwd door kereltjes.—

—Je foàder hep stole! jaù foader is d’r ’n laileke dief.... je broer is

d’r ’n strooper.... je foàder ’n dief!

Dan wist ze niet waar zich te bergen. Om ’r vroegere trotschheid hadden

de Wierelanders weinig meelij met ’r, ze vonden ’t wel wat onbarmhartig

van ’t straattuig, maar verschamperden toch lachjes.—Vroegere

verwaarloosde vrijers boerden ’r in ’t gezicht, hoonden ’r najouwend.

Alleen Jan Grint bleef ’r brandend-jaloersch in stil-ziedende heetheid

bestaren.

De boel thuis was al aan den paal geslagen. Alles genummerd, verzegeld,

stond op punt van verkoop. D’r zou geen vijftig gulden voor de kerels

overschieten.—

Met ’n buffeligen wrok, stom van nijd, en doorknauwd van ellende,

hoek-lijnden de zwijgende barsche koppen op hùn werklooze lijven.—Ze

zeien niks en deden niks, de knapen; slenterden rond, zonder land als

verschoppelingen zoekend naar werk.—Pachtgrond was ook weg. Niemand van

de landheeren die de jongens meer geven wou, en borgen maakten

ommestraatjes, hielden zich niet thuis.

Menschenwee · 第 85 / 92 题