Versmoorde haat giftte weer áán, tegen Hazewind, tegen Willem, Henk en
Jan Hassel. Dirk bleef dronken stotterend razen en vloeken, spoog ’n
pruim tegen Willems broekspijpen aan, in minachtend krakeel.
Maar Geert, dronken-week, angstigde weer bij; zei huilerig dat ze met
den eersten den besten kerel ’r vandoor zou stappen als de gasten
bakkeleien gingen. Dat hielp. Dirk schrok, ontnuchterde. Willem greep
’t zwartje weer bij den linker, en Dirk bij ’r rechterarm, en voort
ging ’t in brallenden hos.
Hazewind kneep z’n meid telkens zoo hevig in de dijen dat ze gilde,
trapte en schold van pijn.
—Jou kreng, jou f’nainbaist, huilde ze half.—
Z’n buldoggenkop grinnikte van genot in even fijntjes oogengesluit.
Heimelijk zinneziek, loerde hij op ’n nieuw plekje op ’r lijf dat ie
nog niet venijnigjes tusschen z’n tang-vingers geknepen had.
Plots met hun allen hosten ze ’n donkeren zijweg òp, bij Spoorbaan naar
den polderweg.—
Naar ’t uitgestorven polderduister, weilandennacht in donkeren
rustadem, verwaaiden vage zangkreten en verzwakte hurrie van
afgedwaalde kermisgangers.—
Dronken kerels, lamgebeukt en uitgebraakt, lagen bij bruggetjes, dammen
en aan slootkanten, dwars in ’t duister te ronken of te grommen, te
spartelen of eenzaam in de eindloosheid te razen.—Enkelen hingen half
ingezakt over schering en prikkeldraad, kallend tegen den nacht,
godlasterend en vloekend, de beenen gewond, en de handen gescheurd in
’t piekende ijzer, duistere geradbraakte en lamgebeukte
verschoppelingen, in delirium-angst of stomme onmacht.—
Van den stil-starenden donk’ren polder àf leek de laat-nachtelijke
kermis ’n krochtendrom: een in vlammen neergestort brok hel op aarde,
hellekrochten en mijngangen, fantastisch-woest doorzwaaid van goud-gele
en rood-oranje walmende flambouwen. Heel ’t karnaval lag daar als
vuurbrakende holen, waar zwart-roode, paars-rossige en groen-gele
schimmen op trillende, achteruitdansende en weer naar vòren kruipende
achtergronden van vlammen en vuur kaprioolden, in ren en kannibaligen
woest en hos.
Van den weipolder àf, gebouwden heel vèr, de hel-beblakerde tenten, en
bevlamde spullen, de zwarte ruggen verneveld in rood-paarsen nacht. In
woestkleurige pracht lag de krochtenstad daar neergebrokkeld, verzonken
half in vuurzee, omlikt, omkraterd van licht en gloed; dobberde en
deinde daar van vèr de infernale woel van voorthollende waanzin-blinde
amokmakers in al wisselender hel van schijnsels.
Orgeldreun en roffel waaide vertemperd den weinacht in, verklankte vaag
in roezemoezigen warrel van valsch geschetter.—
De hooge toortsen van Jutskoppen en ommegangers, de lampenflikker
goudhel, van molens en spullen, vervlamden demonische orgie de
polderstilte rond.
Als één adem steeg òp zwijmel en brandende passie van duizenden, boven
de lichtene krochtenstad; als één adem vervloeide de zwavelig groen en
goudrood doorgloeide nevel. In één hos ging om, de helsche menschenren
trampelend ten dans, dans van kleurige schimmen, donk’re en bevlamde
rompen.
Adem van àl de lampetten, al de flambouwen, adem van àl ’t licht; ’t
gouden, ’t rood-woeste, ’t ros-gloeiende, ’t wond’re gele, ’t
fakkel-bronzige, ’t elektrisch paarse, ’t vuur-oranjige en doorsmookte
van vlammenovens,—steeg daar uit, als ’n helsche demonische hijg, bòven
de kermishaven. En door ’t licht-woeste fantastische geweld, scheurde
de hinnekende jool van waanzinnige zangers, verbeefde de hossende
trampeling, groeide de massadreun der stoeten tot muiterij en
opstanding van gedrochten, vluchtend uit ’t hellevuur, omkronkeld van
weerlichten, jankend van pijn en gemartel.—
Rood-bang verflakkerde de zwartige walm door de dampende diepte, de
brandende luchten en de kleurwond’re lichtsferen.—
Zoo, als één adem van dierlijksten gloei, als één wolk boven ’t
kermisland drijvend, koortste de ziedende passie van de zingende meiden
en kerels òp, schroei van hun zinnen, brand van hun lijven.
En ontembaar spoten ze hoog uit, den nacht in, hun satansgetier, hun
moordende driften, in den helschen fonkel van ’n heelemaal-zich-geven;
doorsnikt van rauwe uitzinnigheid. En samenbrandend mèt de lichtkoorts
en ’t vuur boven de Haven, sloeg hun zwoel-hevig begeeren door den
ontzettenden nacht. In omneveling zonk uit, de sfeer van
avondgoudlicht, verkraterd rond de krochten, zengend den demonischen
hemelbrand van nachtkarneval.
Doodstil lag de polderwei in den spokenden nacht, èven maar buiten de
kermishaven.
Laat in den nacht hokte de roode walm-adem van duizenden lampetten op
zuurkarren, paling en oliekoektentjes.
De regen had de keien beglimmerd en in pracht-vloeiige schijnsels
sloegen de fakkels en pitten hun gloed tegen de straat óp. Onder de
hossende beenen nu vloeiden goudgeel vuur en paarse zeeën, fel en
golven uitspoelend, wijd om.—
Als droop van façaden, lijstwerk en spiegels, van daken en spullen,
ruiten en palen, een kleurengloed àf, zoo vlamde en helvloeide ’t licht
plots op de natte keien.—
Aquarellige gloed glimmerde rond in vurige plassen paars en goud. Plots
boorde felle doof van rossige stalletjes donk’re gaten in ’t
kermisland. Heele straatbrokken duisterden, en keienvuur verdween.
Van alle kanten zwaaiden stemmenstoeten weg in ’t donker, de laantjes
om tuinderijen in, en polderweg òp.
Onder de stalletjeslui ging snelle pak; gekraak van beoliede doeken om
duistere karbrokken.—Soms, met ’n glans van voorbijhossende
toortsendragers nog òverschroeid, rossigden zwoegkoppen tusschen
geraamtewrakjes en zeilen òp in den nacht.
Klagelijker en kermender steunden de orgelstrotten, verzwakkend in
gerucht. Heele stellen reden weg ’t grasveld òp, waar de kermiskarren
eindeloos triestten in polderstilte.
Half drie en nog zat Dientje Hassel te bibberen achter haar oliedoek
met gloeislaap in d’oogen.
Ant was ’r komen halen, al kon ze van ellende en zwakte nauwelijks op
’r beenen staan. Ze snauwde dat Dien maar ’n gulden meer had gehaald
dan Zaterdagavond. Dat had ze heelemaal niet verwacht, gromde ze.—
Rillig verbibberde Dientje wat tegen, met slaapduizel in de oogen, de
ooren vol schetter en dreun nog, ’t kopje gerammeid van
voorbijduivelende herrie.—
Zelf had ze maar één oliekoek gehapt, omdat ze niet meer durfde nemen
voor Ant. En wee, verrild, stapte ze achter de stomme moeder de
Baanwijk òver, naar ’t Duin.—
Plots zwegen al de orgels, doofden de voetstanglichten van kramen en
spellen. Overal duisterde dieper de nacht.
Dronken gerucht van verren enkeling viel nog ontzet tusschen de
nachtstilte. Dreunklank was verzwolgen en kermisgloei weggedonkerd tot
valen opstand van tent-duisteringen, en grillige òpstaande
nachtdingen.—
Van de stille Wierelandsche straatjes rauwden soms nog òp, krijsch van
vechtenden in ’t donker, moordachtige angstgillen van vrouwen uit
laantjes om Duinwijk. En heel van vèr, onder de geschondene meiden in
de woest-offerende vrijage, vergalmde:
—Aauw.. wat ’n ska-ande!
Ontzet, veràf, verreutelde de dronken strottenkrijsch van kerels, als
’n groot geschrei door den rood-geschroeiden nacht.