In zwierige herrie hosten de Hassels en Grintjes, Hazewind en Rink
vóórop, door ’t korte Klooster-steegje van Haven naar Baanwijk.
Telkens kleurvlammend in warmer tintenbrand, fel, in de duisterende
avondvergouding, schoten lijven van prachtige meiden door ’t licht,
parkietig, groenroode rokken en jakken; paarszilverig bekraalde
japonnen, geel gouden en bronzen manteltjes, pronkerig
dooreenschuifelend in ballettigen warrel.
Wild hosten de goud bekapte boerinnen, hun hoofdtooi in fonkelende cier
uitblinkend onder ’t fijne mutsengaas, met de glanzende kurketrekkers
bij de slapen, naast hoed-bepluimde, slank-prachtige meiden in den
warmen wasem en damp van ’t lichtgevloei.
Rauwe krijsch, zwirrelde achter de Hassels en Grint’s áán in ’t
steegje, en schimmige rompen met bangen schaduwsleep stortten plots in
’n vlaag van kraamgloeilicht, vlak voor hen uit weer vervlammend.
Oranje helle gloed sloeg daar tegen de tronies áán, de monding van
kloostersteeg uitgolvend. In gril en kras streepvlamde de gloed op
voorhoofden, dwars over neuzen en monden, vrat hel in op kleeren en
schouders; beschminkte in wond’ren brand oranjevlammig, wild en
huiverend-woest, kaken en wangbrokken, soms plots in warrel van wind
verschemerend naar roodgeel, rossig oranje en bleekgoud.—
Omzoomd in beverig rosgeel schuifelden de Hassels en Grintjes voort, en
ver achter hen aan, in schemerrood dromden al meer romp-donk’re
dringers, verklonk hijgend rauw gejoel van nieuwe stoeten, zich
stortend en wringend in den steegdrang, ineengeperst tusschen engen
kronkel van huisjes, karren en hekjes, als ’n benauwende bent z’n
duistere opstanding beworstelend.
Uit donk’re kroegjes in ’t steegje, verraasde getier en misbaar achter
groene gordijntjes, schor-rumoer en dreunig zanggezeur. Schunnige
muzikanten trombonden daar uit, schel-valsche zangscheuren, basdiep en
dreunend.
Telkens ritsten groene gordijnen weg van de roe en rossigden de
kroegholletjes goudrookig open, met hun bedompten petroleumwalm,
verstikkende danszaaltjes, kermissnel ingericht voor sprong en zuip.
Kerels met oranje doeken, boevige kroegtypen en zweetende meiden
zwelgden daar in dollen warrel, en tusschen de moffenblazers zanikte ’n
valsche harmonika zuchtenden zang, waarom heen, in kanaljeuzen kankan,
handen tot poorten geheven, de heete meiden, grinnikend en zinnerauw,
verwoelden in kring.—Door ’t steegje heen verklonk in getemperd
gerucht, bachanaal van de geel-dampige dansholen.
Tegen donkeren inham bij lage kaduke krottenrij, waarvan de gevellijnen
in nachtzwart schimden, en kronkelpad slingerde naar doodsche huisjes,
buiten den kermiswoel verstillend als leeggemoord,—zat ’n blinde in
schemer van droef-lichtende nachtkaars. Z’n kale kop, tegen verweerden
roestmuur, vermurmelde ie nederige smeekende bedelwoordjes, één
uitgemagerde beefhand vooruitgekromd met bakje.—Schimmig stààrde z’n
blinde tronie, even beschemerd in bleek wasschijnsel en reuzig
silhouetten rug en hoofdschaduw op ’t verweerde baksteen van den
roestmuur. Langs ’m wrongen en drongen de kermisgangers, nijdig
uitvallend tegen den schooierigen blinde, dat hij zich zoo maar, met
z’n ellende en duistere droefnis, dwars door hun pret te kijk kwam
stellen.
Op Baanwijk brandde ’t avond-goud gas door rossigen nevel van reuzelige
stanken. De bont-stralende kramen stonden er als gigantisch speelgoed
in ’n ravijn van toortsgloed. Ze flonkerden in gondelierige
à-giornopraal en spiraligen kleurenbrand. En alkleurig licht ademde
uit, zengde den paars-duisteren nacht rondom.
Door boterige oliestanken, zoetig, ranzig en prikkelend, nevelde de
lichtval, en de wisselglanzige kraamruitjes, in hun doorvlamd rood en
kobalt, verschoten in kleurige spiegeling, weerkaatst geel en
amber-diep schijnsel, glissend en spelend over glas-glanzingen, in
brekenden klater van prismabrand en avondvonkenden luister. En tegen
overal wijkende achtergronden van rood-rossigen damp, vlamden de
bakovens van verre, als ’n smidsestad in smokerig oranje-helle
omgloeiing; in uitdonkerende verwaaiing en oplichting van likkend vuur
en zwarten walm; dàn weer als altaren waarop takkenbosjes knetterden en
uitrookten. Waar, achter begloeiden mist, de koperen warm-vlammende
meelpotten, tempelig in glorie van amber en goudgeel uitlaaiden,
glimmerenden brand van hel-gepoetst koper.—En achter en tusschen de
vlammende altaren en gouden meelpotten, in flakkerenden damp, de
blank-beservette wafelentafeltjes, omflonkerd van vuur-glans
uitschietende karafjes en glazen, alles in blank-zilverende sfeer,
gloeiend in rijtjes, tusschen de rooddonkere overgordijnen, stoeltjes
en knussige salonnetjespracht. Rij aan rij, achter de ovens, troonden
de dikke baksters op de hooge zetels, als vervette mythe-godinnen, in
de blonde wreedheid van hun geblankette tronies, scheppend uit de
meelpotten, den druipenden lepel uitstortend over de poffertjesplaten,
waarop ’t knetterde, siste en babbelde.—Er boven uit vergeurde ’n
helsche lekkerheid van boterig zoet, tusschen prikkeligen bakoliestank.
De takkenbossen knetter-vlamden; flakkerende smookgloed karnavalde
allegorische lichtgroepen in een duizelenden schroei, en angsthellig ’t
oranjig demonengoud van de ovenvlammen vèrdampte walmen over de
vloekzang-geruchten. Rond den knetter en rook-rooden bak van poffers en
wafels; rond de klepperende geluiden van tangen, sis-roosters en
ijzeren platen, dreunden de helsche orgelkelen tegen elkaar in, in
schellen tingel; en rauw van verslempende misère schreide de
menschenzang rond, van de lichthoeken neerjammerend in den duisteren
nacht, overal om ’t stedeke, ontzet en dreigstil.—
En heller de avondgouden lampenbrand van kramen en olieboltentjes, met
hun kleurige dekzeilen en kakelenden lichtwarrel, vlamden, goudden,
rossigden en barnsteenig-geelden in flonkerige sfeer, als speelgoed van
reuzen.—
Drom na drom schoot er langs, en de boomen voor de tenten, tusschen de
dolle hossers, als levende van schrik verstarde wezens, knokelden en
knoestten in hun gekerfde schors, half belicht, de donkere kruinen
angstiglijk verruischend hoog in ’t nachtzwart.
Op Baanwijk stonden armelijk verlicht, tusschen sjofele
oliekoektentjes, roetig omwalmd van lampetten, de palingstalletjes in
geel-schichtig lichtwaaisel, omhuifd van nachtzwart; de zuur- en
eierkraampjes in nog valeren pittengloei. Achter de zuurtonnetjes in
walmig geelrood, wonderbronzig verbangden tronies van kerels die
schreeuwden tegen ’t beverig getoorts en gewaai van licht, dat rosgeel
schemerleven op de zondige zorgmommen rookte.—
Telkens wat schooierige stelletjes, waggelend en brallend, bleven
strompelen voor de kraampjes en vraatzuchtige monden hapten lever,
verkwijlden zuur; gretige handen pelden stinkende eieren, en
ontvleesden paling. Broeirige vischstank borrelde tusschen de
bakolielucht.—
Kerels en wijven lalden áán, bebonkerden de wrakke kraampjes met hun
vloeken en razernijen, de tronies gedoopt in den wond’ren bronsgouden
flakkergloed, en omkropen van schaduwleven, dat meesloop wen menschen
zich tusschen de lichtdamp drongen; schimmen als zwart-walmige
nagenieters van kermisjool. Schaduwkoppen monsterlijk doorhakt,
verdeukt en misvormd spookten donker onder en òver ’t laag gespannen
zeildoek, dwars tegen bakken en tonnen òp, warrel van schimmen, plots
bij verschuif van stoetjes raadselachtig stil verdwijnend dòor de
wrakken heen, of neerstortend in lichtval van voorbij-kruisend licht.
Achter de armelijke kar-kraampjes, in hun droeve prachtsfeer van
geelrood en bronsros lichtgetril, half omdampt in ’t nacht-duister,
lichtten de hooge roodbehangen speelgoedtenten, minachtend de donk’re
ruggen naar de wrakstalletjes gekeerd. Ze schitterden in hun
fel-kleurigen ballonnetjesgloei, illuminatieachtig-hel, gegierlandeerd
langs de lijnen van vensters en gevels, doorvonkt van lichtjes.—
Het rood-gouden, rood-gele en dampig-bronzige licht stortte, druischte
neèr op den verblindenden flonker van poppetjes, gegarneerd in
prachtbonte kleeren, omstrooid van kleurtjes, geflikker en geschitter;
omgloeide woelige snuisterijen, paardjes, schaapjes, met vurige
keelbandjes; karretjes, tooverbekertjes, ringspellen, alles geurend in
den lokkenden reuk van nieuw speelgoed. En overal in de tenten, wond’re
fonkel en tintel van koperen belletjes en kralen, als indische
gordijnen neerhangend, doorvlamd van licht. Overal kleurige doozen,
speelgoed-geurig en houtvervig, vol zilveren kraaltjes, goudbronzen,
melkwitte en aluminium-blanke snoertjes. Overal in lichtdruisch,
toov’rige slinger van brandend malakiet en wijnrood geparel, onder den
fellen stangboogglans òpflitsend tusschen geurig zaagsel, als
sprookjes-schatten rondgestrooid op goud en zilverpapier; fonkelende
parels en snoeren paars en geel, vurig groen, karmijn en wonder
glanzend blauw, opeengehoopt als ’n vlammend wereldje van zonnig
kindergeluk.
Zoò, hevig gloeide de lange laan van speelgoedtenten, met d’r lokkende
en tokkelende kleurtjes, hun flonkerigen lichtzang, verproestend hun
glansjubel, verlachend hun rood en groen, hun gouden zevenklapperenden
gloed, hun vlammige zonnetjes van parels en kralen. Hevig lokten ze de
kermisgangers aan, lokkend en tokkelend d’r lichtmelodie, dat ze
verbluft stand hielden voor ’t front, uìt razenden hoswarrel.
Tusschen de Jutskoppen schreeuwden wat spullebazen
„bezienenswaardigheden” uit; rauwe kermisspeech met angstigen
suggestieklank in d’r melodramatieke moordstemmen afgedreund.—
—Hier is te sie-en ’t gruufelijke seemonster.. met drie-dubbele rij
tande.. geschote deur een Inlans metroos, tèrfijl dit gruufelijke
monster, besig was een lèfendig mins te verslinde!..
Moordhol timbreerde z’n stem, en vlak naast ’m klonk ’n andere zang....
—Hierr staat te kijk.. ’n meisje uit de binnelande van Suid-Aùstralië..
dewelleke leefendige konijne eet, alsmede.. tabak en gras.... Uw lieden
zult haar hoore in heur gebed aan de maan!.... En hoe sij de
bleekgesichte bloedig skalpeert.... Tien cents slechts per persoon en
per lid.—
Angstig en zwaar melodramatiekte z’n schorre stem van de estrade àf en
in valen schemer geelde z’n gezicht even òp in den flakkerschijn van ’n
kleine flambouw boven de tenttrap. Bij elken aandrommenden hosstoet,
herhaalde ie z’n bange woorden-vracht,.... dat ze de leefendige
konijne.. verslindt met d’r slagtande, glas kouwt en brandende sigare
freet.
Hossers uithijgend, bleven staan en luisterden. Naar rechts werd z’n
stem overschreeuwd door ’n buurman die opriep de massa om te kijken
naar de Zuid-Afrikaansche Boerenworsteling, leefendig voorgesteld in
beelde.... Met ’n ècht slachtveld waar de lijke, bloedend en onthoofd
op neerlegge....
Rond den krijsch der spullebazen, paf-knalden, knetterden en
mokerdreunden de Jutskoppen. Stel voor stel stoette vóór de
reklameplaat van ’t wilde meisje en suggestiever huivergriezelde stem
van den omroeper.
—Verslind leèfendige konijne.... veur de ooge van ’t publiek, eet glas
en brandende sigare.... skalpeert de bloedige menscheschedels.... Over
twee minute sal de nieuwe voorstelling een aanvang neme.... Bereids
zijn er duizende en duizende mensche reeds ingetrede.... Volgt hen en
offert uw dubbeltje voor ’t zien van een natuurgedrocht, het grootste
monster der wereld!
—Waa’n smoel, lolde Hazewind, wijzend met klownig gebaar naar de
kannibalen tronie van de beverfde wilde-vrouw-reklame,—.. En waa’n
skort hep se om d’r heupies.. op dá terain binne de Wiereloànse
neutedopjes tug veul fesoenelaiker.. ikke konsteteer van da main maid
’n heule rokkebeweging om d’r meroakel hange hep....
Woest flodderde ie ’n brandenden zoen op ’n wang van blonde Cor, die
ontsteld, met gaperigen mond en waanzinnige oogen, naar ’t reklamebord,
met ’t wilde meisje er op, stond te kijken.
—Stik, bitste ze in schrik.
Achter Hazewind joelden Dirk en Willem, Henk Hassel en Rink met hun
meiden, omsloten in drom van kijkers. Geert en Trijn luisterden angstig
gespannen naar den impresario, die voor de tent, met z’n rosgeel
beschemerde tronie en z’n moordstem, hun de keel snoerden van angst.
Dirk en Willem dansten eng omkringd van armen en schouders. Piet en
Annie zoenden elkaar dat ’t klakkerde en woest trombonde Rink, boven
allen uitreuzigend:
—’t Maiske frait d’r puur laifendige kenaine.... bi-jai-’t-Hain!..
Daa’s d’r nog us ’n skepsel.... dâ set d’r sooie an de daik! da mo’k
sien.. en jai Hoasewind! daa’s ’n bestige kukkerint veur Kees de
strooper hee?
—Enne glas frait s’ook! enne brandende segoàre... waa’n koorakker hee?
waa’t maid hee, huilerig extazieerde Trijn, de vurige Trijn.
—Over twee minute.. sal de voorstelling ’n aanvang neme.. heere! dames!
voorsiet u van een plaats,—suggereerde de stem van de estrade. Stoet op
stoet nu, drong voor ’t loketje, schoof weg achter ’n koelisseachtig
schot.
—Doar saine wai van g’diend, juichte Dirk, dâ mo’k sien.. sloàchte mit
de tande.. daa’s puur main werk!
—Nee.... neenet! nainet! ik goàn nie, goàr nie, griezelde Annie.
Waa’n maid, vuurde Trijn weer òp, daa’s prêchtig.—Ze rilde vooruit al
van bang-griezelig genot. Stille Guurt Hassel, schuchter bewaakt door
Jan Grint, die haar nà den draaimolen-aanval nog maar geen zoen had
durven geven,—wou ook wel kijken.
—Da waa’s d’r puur aas ’n kemaidie mi bloed, vond ze.
Ze hield zoo dol veel van vechtpartijen met messen, en dat zou niet
minder zijn. Ze zou gaan griezelen en rillen zooveel ze wou.—
Met hun allen, de weerbarstige Annie meegesleept, drongen ze de
tenttrap òp.
Dirk nam plaatsen aan ’t loketje, en wèg hosten ze op den trillenden
plankengrond achter ’t beschot. Ze waren warempel al wat te laat.—
Vóór hen, op tooneelig hokje, in schuwgeel, zwavelig licht, grijnsde en
gilde ’n soort bezetene negerin, met krakerige stem, rauwe fausset, elk
woord als ’n wreeden vloek uit ’r zwellenden keelkrop scheurend. Op ’r
kapsel wuifden woeste veeren, donkere haartooi in schitterenden koperen
ring saamgekranst.—Haar kangoeroe-kop grijnsde met maskerige wreedheid
van ’n hellemonster. Haar harde gele oogen waanzinden wild rond. Woest
verkoeterwaalde ze schorre klanken met den impresario, die laag vóór
d’r stond op den plankengrond, bij ’t publiek. Met ’n krom zwart zwaard
hakte ’t „meiske” in driftstuip op den kerel áán, die haar ophitste met
stootende tongverdraaide woorden, en elken kletterslag op z’n blooten
kop, met z’n groot zwaard, in snelle zekerheid afweerde. Stank broeide
er uit de menschenprop op in ’t halfduister. Allen staarden in ontzag
naar den grijnzenden duiveligen vrouwekop op tooneeltje, waarover ’n
zwavelige lichtschemer flakkerde, d’r gele oogen nog geheimzinniger
verwoestte.
—Dat is gain maid, f’rvloekt! schreeuwde plots ’n matroos. Nou heb ik
tog twintig joar gefàre moar nooit-nie he’k soo’n loeder sien.. dàt
wee’k tog ellendig-best.... daa is.. god-alle jesis! ’n gefèrfde
Amstirdammur!
Ontzet publiekje liet grommen den kerel, staarde, staàrde in bange
suggestie. Bij ’t levend konijntje verorberen werd ’t Annie te benauwd.
Ze rilde en griende toen ze ’t bloed over de zwart-bronze handen zag
stroomen; de tong hoorde raspen tegen de haarhuid òp, den kinnebak zag
lekken in ’t warme bloed, en de apig-lenige vingers de ingewandjes
ingraven.—
—Kaik! kaik.. da stuipt d’r in hemmes klaufe, gierde Dirk woest, die
ken d’r puur ’n bairtje slagte!
Meisjes en vrouwen vergilden kreten van afschuw. Maar doorschokt van
brandende passie, bloeddronken, drongen Dirk en Rink nog meer naar
voren, de meiden heeter omknellend en meesleurend.
De furie Marie Pijler schaterde. Geschok en getier raasde door ’t
tentje.
De roode, bang-begloeide tooneeldoeken, waartusschen ’t kangoeroesche
grijnswijf sprong als ’n hellemonster in Vitus-dans, schroeide telkens
áán, in den lichtflakker. Onder ’t vreten rimpelde ’r kop als ’n
oudwijvenmasker; groefde en grijnsde de wellustmond.—Bloed lekte ze van
d’r vuilgrauwe lippen en brok voor brok van ’t uiteengescheurde
konijntje verdween in den stinkenden bloedmuil, geweldig elastisch en
rood-groot gesperd.—
Guurt griezelde, genoot in schokken van huiverenden wellust. Ze zou
zich zoo, in die bloederige beestigheid best op Rink hebben kunnen
smakken, op den gierenden reus, dien ze in ’t spokende flakkerlicht
verliefderig lokte met ’r prachtoogen.—Annie had de kijkers gesloten,
stond in donkeren nàstaar te sidderen. De blonde furie kalde tegen de
vurige Trijn en Dirk hijgde van genot.
Allemaal in ’t hok griezelden, staaroogden in heete ontroering wat ’r
nòg gruwelijkers volgen zou.
Alleen de matroos, Wierelander van geboorte, bleef onwillig staren op
bloederigen vraatmond.
—Da waa’s d’r ’n k’nain van spek! daa’t is gain waif.. dat is ’n kerel,
’n geverfde hassebas.. gaif d’r ’n lel da se duiselt..
—Sou jai maine.. Nou.. doas glad-en-al mis, bazuinde Rink’s stem uit ’n
vaal-lichtenden hoek, ’t is d’r ’n ègt ekserploàr.. ’n heul ègt swart
meroakel..
—Kaik d’r gele smoel... juichte Dirk hoonend, en d’r lampies.. ’t gal
is d’r deur d’r bloed hainsloàge! daa’s main weut!
—Waa’n kakkerlak! kom d’r hier.. sloan ik je tronie deur viere! wou jai
main segge van hoe ’t mot weuse? ikke heb d’r twintig joar in Oostinje
foàre.. enne nou.. in de foestain! Sou ikke nie van de toart had hebbe?
—Oostinje.. jai mi je dronke gleuf!.. en die maid is d’r tug heuldegoar
van Estroalie!
—Nou wat, sputterde verblufd dronken drenzerige matroos.. dat is..
god-aldegoar-een-pot-nat! Estroalie is d’r Ostinje.. enne Ostinje..
Estroalie..
—Hou tug je bek.. soa’k d’r mi je test.. saa’k d’r mi je test.. wai
sienne d’r nie..
—Sien.. sien.. gaif d’r ’n lel.. daa’s se.. daa’s se duiselt!
—Als de heere nu nog brandende sigare te misse hebbe.. zal ’t
vraatsuchtigste monster der wijreld se alle opete!
Van alle kanten gloeiden uit ’t halfduister punten áán. Dirk had eerst
z’n sigaar vuurhel aangeblazen, stopte ’n einde, ’t monster zelf in d’r
lenige bronzen klauwen.
—Hier swoart meroakel, doar hai je ’n happie, eet d’r f’rsmoakelik..
Blaasbalgend laaide ’r muil in ’t vuur, dat de vonken in haar
duivelende grinniktronie spatten, lippen en kin telkens even gloedrood
opvlamden.—Haar naakte lijf in schaamlap omplooid, danste nerveus met
klapperende sprongen op de kreunende en trillende tooneelplanken. Haar
armen pagaaiden en doller ’r keelkrop verkrijschte zang. En telkens,
als vuurpunt van nieuw brok sigaar, ’t hevigst opgloeide in ’r blaas,
sperde ze de kaken, d’r grauwe lippen er in botten streel overheen
aaiend, beet ze toe, kauwde en spoog ze vuur, achtereen, verslindend
sigaar op sigaar.
Hazewind braakte van pret. De meiden gilden van schrik, maar Cor en
Annie hadden er genoeg van. Ze wouen niet langer blijven. Guurt was
woedend dat ze weg gingen. Geert Grint holde ook mee, de jongens
drongen op, Willem naast Geert, Dirk dadelijk er hanig-haastig bij.
Jan Grint drong zacht mee, maar Guurt snauwde, beet van ’r àf, volgde
in wrevel. Ze was weer nùchter, verwenschte de gloeierigheid van den
zwartkrulligen Jan, die z’n oogen uitschroeide.
Vlak voor hen uit, stormde uit kijktent er naast, ’n schater-drom, die
daar ’n reuzin van zevenhonderd pond had bekeken.—
—Alle jesis waa’n hurk! hep jullie sien? da binne d’r fierkant tien van
main maid, lalde ’n vent, slap-lachend en in bochelige verwringing de
tent uitzwaaiend.
Meiden, dierlijk verhit in smerige taalwellust van kerels bij ’t
reuzinnewijf, barstten eenmaal op straat, mee uit; lebberden zich vast
op de zuigmonden der hysterische drinkebroers, verkrijschend na elken
zoen, hun vuile liedjes.
De meid-tailles omkneld, de monden op elkaar gezogen, hosten ze in
blinde razernij, de lijven in branderige lusten op een geplakt, door de
paukende roffeling en dreuning van de gemartelde orgels.
Stoet bij stoet, in zwalkenden krijsch, holde achter de Hassels en
Grints áán, en telkens, dronken zwaaiende paren, strompelden uit ’t
duister in den brandschijn van kramen en spellen. Van zangmond tot
zangmond ging de flesch rond, en heele rijen lam gezopen en
verflodderd, braakten langs de boomen, verstrompelden tusschen ’t
schaduwduister van tentruggen, smakten daar spuwend neer, in rauwen
ronk, in zucht en bral, wezenloos uitrochelend ellendegeschrei van
verrampte dronkaards.
Van allen kant op Baanwijk gruizelden en smakten flesschen en kruiken,
en ’t stortend geraas van glas rinkelde tegen de keien.
Op middenlaan van Baanwijk, achter de oliekoektenten en speelgoedkramen
brandde het rosse luchtrood van kermisnacht ’t bangst, tusschen de
paarse duistering van schuttingen en wat eenzame somnambule-krotjes.
Langs de allée vlaagde moordende klankstorm van dronken kelen,
eindeloos van misère, raasden de boertjes en wijven òp, met kleurige
narrige mutsen òver hun petten gekruifd.—
Bij verre uitvlamming van koperen bakovens bleven ze trampelend staan,
met de gloedweerkaatsing, roodbevend op de geknauwde tronies,
aangevreten van passie. Hel-omlijnd in den lichtgloei, ging spartelend
beweeg weer van armpjes en beentjes; kaprioolden ze waggel-zwaar tegen
elkaar op, om en om meiden, de korpulente nekken scheef, dat hun
vloeimutsen krampten slaapmutserig over hun tronies, hun boeketten en
linten wegsliertten her en der. Hun breede broekjes en pijjekkers
schaterden mee in kanaljeus-lachende plooikronkels.
Drie vloeimutsen op elkaar had de reuzige slungel zich op z’n pofpet
geplakt, en in den dansenden waggel van z’n schonkig lijf en botten
zeehondenkop, ging rond ’n flapper van serpentines, rood, geel, groen
en blauw, in den oranje-verdampenden hemelgloed.
Plots week in achterwaartschen kankan de heele boertjesstoet en
hinkende slungel-herkuul, naar duisteren hoek, stond stil ’t geraas,
verduisterden al meer en meer achterkoppen van boerinnen met den
glanzenden schemer van hun zilveren en gouden kappen tusschen de
tentruggen.
Van den polder àf lag havenwoel open, kraterend, goudspuwend en
roodsmokend overdampt als ’n vuurregenende heksenbrand, waar stank
rondsmeulde van geschroeide menschenbouten.
Daaràchter, de eindelooze poldernacht, ruisch-stil en starend
geheimzinnig. Telkens uit andere hoeken van Haven schoten vlammen òp,
doofden weer wèg in nachtzwart, en soms, uit ’t stikkeduister joelden
in moordende geruchten stoeten áán in bengaalsche hel.
Als paarse nacht openbarstend, waaruit goud-roode stoeten-brand
fantasmagoorde, en kleurschaduwen ijlden, zóó sidderde ’t bengaalsch
licht áán over huisrompen, boomen en wezens.
Menschentronies in bijtende helheid grijnsden naakt onder dien
vuurgloed. Telkens ànder licht laaide op, in wond’ren groei; paarsrood
dat sidderde en huiverde in schrik van helheid; violet dat brandde en
verschroeide wandaligen kermishos; en groen-fosforizeerend vuur, met
infernalen beef-weerschijn, huiverend in woeste glanzing ’t stedeke
overlaaiend, of Satan verderf-adem uitblies door heel ’t dolle
kermisbachanaal. Krijschjubel verklonk bij elken nieuwen kleurenbrand
van de mombakkesen, de lijk-groene, de paars-helsche, de
rood-huiverende.
En telkens verstierf de gloed in ’n trillende duistering.
Dan vèr, in oranje pracht, om zwart van nacht, vlamden nà, lampions en
flambouwen, walmend en zigzaggend door ’t duister als ’n oproer van
hellebardiers. En wreed, over de wond’re avond-hel van kleuren en
tinten, over afgronden van duister diep en gedempt gloeisel, stormden
de orgelklanken, raasden de mannestrotten, heeschten de vrouwekreten,
ontembaar, doorschroeid van passie. Geslagen in razernij, renden de
stoeten weer her en der, in kruis en warrel, van den starenden
angst-nacht in ’t vlammenlicht, de Baanwijk af, Haven òp, Haven àf,
Baanwijk òp, in daverende hiha’s en hos, verhijgend in barstende
opwinding.
Waanzin-beweeg trampelde áán met de sputterende boertjes, en als ’n
verzinnelijkt Hosanna schreide hun beestige krijsch door de brandende
lucht, verzwaaiden hun flesschen, en verrochelde ’t onweer van hun
ronkende falderahee’s. Bij den hoog-walmenden oranjigen gloed van wat
Jutskoppen bleven ze weer staan. Bral en krijsch martelden los uit hun
strotten en in heete zinnedrift smakten ze zich op de mooie Jutsmeiden.
Pal boven hun koppen en kleurmutsen dampte nu hèvig de brand-roode
luchtnevel, van die plek uit, over de heele Baanwijk rondschroeiend. De
boomen in den damp aangeverfd, leken reuzige monniken in barsche pijen,
stil gebogen boete doend, er door Satan neergestold in krampig schuw
afgrijs-gebaar.—
Voor schiettent lawaaide ’n spullebaas overschreeuwd door eén van
panorama-mechaniek, en die vent weèr in stemmen-worstel met
somnambulen-wijven en kinematografen-eigenaars.
De Hassels en Grintjes, nu weer achter het trampelende boerenstoetje,
vóór de Jutskoppen uitdringend, wouen wel slaan, maar dat beviel Guurt
en Geert niet. Dirk en Rink slurpten limonade voor ’n gebakkraampje,
waar ’n bleekgeel mopssnuitig juffertje, goud-bekapt en fleurig
gesjaald bediende. In vroolijken fonkel rijden daar de glaasjes
limonade wijnrood.—De meiden moesten toch ook wat likken, en wankelig
keek Dirk in z’n portemonnaie onder ’t gele licht, of ie den bodem al
zien kon.
—Dat is vijf te min meneer, sprak koel verkleed juffertje.
—Vaif? vaif? wa helhoak vaif.... daa’s glad-en-al-mis spotte ie ’r
lachend uit.
—Daa’s net! Sai hep d’r drie lait.... enne.. de maide tien.... enne
ikke twee.... en Rink.... enne Merie.... daa’s kaike!.... daa’s....,
rekende verward Willem mee.—
—Drie.. drie, gierde in dronkig heeten bulder Rink.. noumins.. de sel
d’r salderemosterd g’nog sai’n hee? jai smoort... smoort gain wolf an
je borst hee?
—Waa’t d’r nie is betoal jai sellefers moar medam, lachte Dirk weer
tegen de nijdige mopssnuitige juffer,—of aêrs komp ’t vast bai ’t
huurtje t’regt!
—Daa’s net... debies! roggemegochel! juichte huillachend Rink, ’n vuist
bonkhamerend op de toonbank dat ’n rilling door de vonk-roode limonade
ging, en ’n rinkel door de glazen.—
Met ’n woesten krijsch plots was Rink tusschen ’n aanzwierenden
hostroep ingesprongen, sleurde dwars door haakarmen van meiden en
vloekend-onthutste kerels, zijn Grintjes en Hassels heen, en met ’n
stem van ’n sprekende fagot, dreunde ie uit:
Nou gaste! aa’s één man bai de Jutskoppe! màide stoàn d’r halt! Die de
prais hoalt hep d’r uit jullie te kiese!
In ’n dronken storm, opgezenuwd in furiënde hevigheid, waggelstapten de
kerels mee, naar ’n alleenstaanden Jut, waar niet veel volk om heen
joelde. Twee stoere kanaljemeiden, madonnig kapsel en bloothoofds, de
slanke lijven omstrakt in zwart-zijden glanzende boezelaartjes,
schreeuwde de kerels toe.—
—Alloo manne! prebeer je g’luk! laat sien je kracht! laat d’r vlak-af
kijke wa je ken! Slaan d’r op! Semberleen! schop ’m op s’n pet!
Rink ’t eerst, was in woeste woeling van z’n reuzig lijf op de
schreeuwmeiden toegesprongen, gaf één wijf ’n wreeden streel onder de
mollige kin en rukte de moker uit ’r hand. Meiden en kerels waren in
kring achter ’m opgeschemerd in den flakkerigen ros-oranje gloed.—
—Op sai heere en dames! beval de andere Jutsmeid in ’t zwart,—meneer
mot ruimte hebbe.. om te rake! Sla d’r vrij op meneer.... dat ’m ’t gal
uit s’n strot spat! hij sel d’r tog nie van bloeie!
—Ruimbaan! schreeuwde nog ’n Jutskerel, met geelrossigen muizensnuit,
pal onder den fakkelwalm van z’n paal bij den klapperhaak.
Geert, Guurt en heel ’t meidenstelletje week achteruit.—De kerels
scharrelden naar de Jutsvrouwen. Piet Hassel liet Cor los, wou zoetjes
de zwart-beboezelaarde mooie kanaljes besluipen, die in ’t
flambouwenrood tusschen den walm, wondergloedig oplichtten, met de
slanke lijven en aanhalige gezichten, de goud-felle oogen, omwaasd in
den damp van hun paal.—
Muizentronie stond aan den knalhaak om den klapper recht te schuiven na
elken slag. En Rink reuzig, half bevlamd z’n schriklijken
landlooperskop, in kangoeroesche rugkromming, z’n herkulische schonken
donkerig omschaduwd, hijgde voor ie begon.—
Cyklopisch, even waggelend, hief ie den moker, met één zwaai hoog door
de lucht, dat ’r suizel koelde rondom.—
Donker en dreun-dof plofte z’n hamer uit ’t duister op ’t Jutsblok.
Knettering spatte boven de omstanders en in den fakkelgloei hitsten de
meiden ’m op.—
—Dat is raak meneer Simson.. dat is d’r ’n mannetjesvint!
—Mooi, mooi! porde de andere mee, met kanaljeuzen lach en
zinnestreeling uit ’r goud-bevlamde oogen ’m begenadigend.—
Rink hief weer den moker. Z’n half-duistere lijf groeide in den
oranjigen nevel. Z’n beschemerde armen, geweldig, spanden, daalden en
rezen als hefboomen, en weer in doffen dreun mokerde ie néér z’n hamer
op ’t Jutsblok.
De meiden rondom juichten. Opgehitst in satanische drift bleef ie
doormokeren slag op slag, dat z’n borst blaasbalgde, z’n beenen
beefden, en z’n groene oogen sperden in bevlamde razernij.
—Veur Semberleen! Veur Kitsener! Veur Roodes! gilden de Jutsmeiden mee,
met elken slag in rauwe opwinding. Ze hadden schik in den reus. Elke
knetter was raak! In cyklopische mokering dreunden de schokken door z’n
krampende klauwen, ging sidder door z’n gekromd lijf, kittelde genot
door z’n knarsende kaken.—En boven z’n woesten kop spatte kruidknetter
tot den paaltop, verwuifden de flambouwen hoog in de lucht walmige
vlammen, sidderden de vlaggetjes in kronkel om ’t ijzer.—
Heftiger joegen de zwart-beboezelaarde meiden ’m òp en doller mokerde
dolle reus neer, in heete razernij van dreunen, dat ’t blok waggelde en
van een dreigde te barsten.—
De Grintjes gierden van lol en de blonde slanke furie, Marie Pijler,
wou ’m te lijf, schreeuwde schor dronken, dat ze’m doodzoenen zou.
—Daa’t is ’n mannetjesputter! Jou Rink, jòu mo’k hebbe.. wa mo’k mi die
snotter van ’n Henk! joù! joù! gilde ze door de dreunen heen, als ’n
bezetene.—Ze sprong naar voren, naar achter en sidderende wellust
trilde door haar wiegende heupen, waarop ze zich bofte van genot.—
Rink mokerde door, in ’n blinde woeste razernij, dat de Jutsmeiden
verbleekten van angst. Z’n hamer suiselde lucht rond, uit duister in
licht.—
Marie Pijler, in ’t toortsige goudrossige rood, duivelde van hysterie.
Haar lippen schuimden en ’r handen jeukten langs d’r borsten. Ze gilde
door, tusschen z’n mokerdreun, en wilder, opgewondener gierden de
Grintjes.
Stoeten bleven kijken naar den half-donkeren reus, die onvermoeibaar
hijgde en trilde als zou ie iedere minuut, daar dood ter aarde storten.
Toen werd ’t de andere verblufte kerels te benauwd.
—Hee Rink! jai hep d’r Joë ’tmet an brai sloage hee? s’n harses
meroakele d’r van malkoar! Nou motte wai de kerel nog ’n arrempie
uitdroaie hee?
—Nog veur vaif sint, hijgde Rink met waanzinblik, en weer zwaaide in
krampigen lijfschok en razenden dreun, slag op slag neer.
Als ’n beul uit de hel neergestormd, in den oranjigen lichtflakker en
walm, met even begloeide knots moord rond-rammeiend, zoo spier-spande
z’n lijf in de laatste stuipkramp van slagen. Z’n losse overhemd
fladderde uit z’n broek, en heel z’n zondagsche plunje vermodderd
bemorst, flodderde om z’n dronken korpus.—
Eindelijk òp, hijgend, gebroken zwaaide ie den hamer tegen den grond,
zoende, in fellen hartstochtstuip de beboezelaarde Jutsmeiden met
heeten lippenslurp, en strompelde bek-àf, zweet-dampend achter ’n
palingstalletje neer, snakkend naar adem.—
Dichter dromde ’t gestoet om de Jutskoppen. De mooie kanaljes, hitsten
òp, streken hun handen lokkerig langs hun zijïg-gespannen glanzende
dijen, lachten en lonkten. Willem, Dirk, Hazewind, Piet en Jan Grint,
Henk en de heele stoet sloeg raak. Jutskop lag half aan brei. De paal
met z’n knal en knetter, leek ontvleesd karkas van levend-gemartelde
die dood gemokerd werd door lynchende bende, en bij elken dreun op ’t
veerende blok, ’n stuipende rilling door z’n beschilderd geraamte
verschokte.—
Heeter hitsten de Jutsmeiden òp en telkens zwaaide de reuzige moker de
lucht in, houweelde duisterend ’n rossigen glimstreep door den
flambouwenflakker, dat banger de oranjige sfeer, kerels, mokeraars en
meiden ombeefde.—Al meer tronies, àchter elkaar opgestoet, schemerden
áán in den hamerkring, de heete oogen gericht op de waggelende
cyklopen, die doordreunden en beulden onder de brandende lucht.
Elke ronde betaalden de meiden voor hun galants. Maar Rink, Rink de
neergesmakte reus, had de mokering ’t langst uitgehouden, ’t meest en
felst verknetterd. In woesten sprong smakte de blonde Marie Pijler, met
de schittermedailje, jaloersch uit de handen der kanaljemeiden gerukt,
op Rink, die brakend te vloeken lag in kraampjesduister. Als ’n
bezetene zoog ze ’m den vloek-mond dicht met brandende zoenen, smakte
’m den hals vol, gilde en raasde dat zij en niemand anders dan zij hèm
hebben most.. veur de heule kermis.
—Slaat ’m dood! Semperleen! Kitsener! krijschten de Jutsmeiden weer
achter den wijkenden stoet Hassels en Grints áán. De kerel bij den
kruithaak onder de fakkelende walming, liet loensen z’n muizentronie,
vertrilde z’n begloeide oogen gretig naar ’t bezopen volkje, dat de
kanaljeus-lokkende boezelaars-meiden vingen met d’r zinnestreel en
hitsenden roep.—