Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t
van kijkers en gillers.
De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t
licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud
geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige
hosstoeten, voorbijrennend.
In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit
binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t
donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven
belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter
lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht,
bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap,
meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend
tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide
franje.
Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t
belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de
hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en
groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel
elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en
lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van
voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn
wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en
duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende
orgelstrotten.—
De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met
hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend
goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en
zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal,
draaiend, al draaiend in een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud,
soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als
vonkvliegend raderwerk.
En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in,
één deun, één deun.—
Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de
meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen
en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt,
zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken,
tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder
z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen
molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden,
zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—
Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde
zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat
met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de
knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan
Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou
eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor
goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n
eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.
De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze
zitten, dubbel betalend.
Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een klein mallemolentje
gesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten
karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar
draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al
sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had
in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken
ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie
tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en
jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels zoo suf
met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen
duizel, half bezwijmd.—
En vuriger wentelde ’t jochie den mallemolen, verblindend in den
koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.
Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de
verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—
Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar
op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest
nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n
dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes.
De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de
straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat
ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met
stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:
—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel
debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ
je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!
—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan
vat je! lolde Piet.
—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa
fraite.... poone! aiêres!.... hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur
lekkers!
Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en
de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag
alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem
de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van
Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.
—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs
goed, dat voelde Dientje ook wel.
Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en
hapten in ’t blanke vet en vleesch.
Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.
—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak!
woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?
Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n
warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van
vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:
—Enne liefe makraile.... lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel
’t weuse op haide veur de doàmes.
—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.
—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje,
schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje
aangeland was.
—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan
jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.
—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.
—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en
deurmoaselt.... wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders
woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en
dertig bikkelharde in main pins.
—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.
—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul,
langsaampies maid.. dan braikt ’t laintje nie!
—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?
—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:
Heb jai sommes trek in ’n oliebol
Je kop roakt d’r vast nie van op hol!
Je loâ je waige of suipt ’n bier
Je host, je lach..igt, je haift pelsier..
En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek
oranjeschijnsel:
—Je host, je lach-igt, je haif pelsier
Je loâ je waige, je suipt je bier!
Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.
Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier
aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje,
geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam
van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood
ommistend de gloeikleurige tenten.
’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige
boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.
De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende
geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen
uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in
rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers
in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank
oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van
spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren,
zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van
elektriek.
En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend
gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen,
op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen
gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale
roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide
kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend
geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de
stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den
brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende
en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs
de duisterende polderzee.—
Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger òp in den
zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister,
doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van
uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang
daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de
bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte
plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen
gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden
dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun
glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun
midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop,
wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de
lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes,
breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den
oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij,
van den vuurschijn uit, ’t duister in.—
Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer
òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden,
kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden
lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van
dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens
en lampen opslurpte.
Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden
die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte,
kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering
van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd
van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze
draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle
kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht,
koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste
knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze
spuwden in den kermiswoel, horlepijpten de beenen in wilde harlekinade,
en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde
in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.
Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich
vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de
dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten
voelden.—
Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend
roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en
zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel,
schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide
z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met
puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n
karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee
boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—
Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in
hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met
schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig
terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond
waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek
na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en
klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm
ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig
als ’n zuigeling:
—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!
De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de
hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r
dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich
afstootte.
En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig,
met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven
uitrochelend.—
Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde
met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen
vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun
oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in
spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in
de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend
in eindlooze serpentiens.—
De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de
serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de
slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun
ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden
nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten
zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes,
mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En
haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen
den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring
inwaggelden.
Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van
karmijn-valen schijn op de kaken.
Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu
gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels
wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en
dijen.
Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte
kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend
met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden
ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in
protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen
vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter
drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.
Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift,
spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden plots tegelijk als
op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.
De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop
slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op
de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan
greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten
hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in
dronken draf op een klein agentje àf.
Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen,
die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen
boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in
schramperig geglans.
De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote
lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en
slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en
losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde
haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel
vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels
met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t
Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de
haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij
spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige
woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren.
Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig
schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.
—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom
kerlinike.. kom- ker.... linike.... kom!.... ikke seg... da d’r ’n hap
is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun
kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor
verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij,
aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en
boffen rond, in snauwende vloeken.
—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n
straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r
niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n
bofedeurtje deur de muur hainskiet!
—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n
poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de
rokken tot d’r borsten opgesjord.—
—Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.... achter ’t tessie, hinnikte
’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht
met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—
Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der
kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral
van stemmen en in draf stormden helpers áán.
Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén,
waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de
meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste
in rood-gelen walmgloed.
Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op
elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de
gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale
onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg
gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar
flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.
Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en
hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De
schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de
geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze
voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop
oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel
gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—
’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede
tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten
bijeenknellend in de boeien. Maar ze trapte zich naakt dat de
helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed
moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten
daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den
oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.
Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in
donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.
—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels
en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde
toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t
helmstoetje.
Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten
ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t
stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en
stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken
meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en
verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor
de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den
menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t
maar in hoongeluid alleen.
Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.
Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch
d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend
naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.