IV.

In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de

Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met

de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den

dronken hellewaggel.

Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever

in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder,

verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn.

Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen,

stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige

landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten,

stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van

poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar

zakrol van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige

pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen

met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak

boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in

vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen

deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk,

hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en

slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets

afviel.

Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en

worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende

kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen,

scharren, en vroege vruchten.—

Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de

kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den

roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend

vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van

misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven

riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van

prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de

roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden

verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale

gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden

omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van

rood-dampigen pittenwalm.

Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.

Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t

geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over

hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand

van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn,

jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de

oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden

in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen,

oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder

petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige

schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van

omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers

dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en

meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode

kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende

fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde

stalletjes.

Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig

en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies

uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en

aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels,

zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en

koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de

spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de

handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de

waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den

oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten

en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in

’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om

de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en

kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer

monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun

stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte

hun roep om koopers.—

Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken

muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te

slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind,

tien dagen kraamsch, durfde nog niet mee venten om d’r zwakke lijf, en

om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.

Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t

zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten

karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den

waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.

Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om

dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar

joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken

herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—

Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t

licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog

net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t

boomlommer in.

Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie

haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon

verdraaien.

Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij

d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien

ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door

’t lawaai:

—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs... aldegoar nuut goed!

Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den

brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit,

boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens

neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de

straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet

snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op

d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze

proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den

kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme

prikkelende reuken.—

Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal,

brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de

verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende

verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen

avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan

overdag.—

Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten,

keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende

omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als

iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven

wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—

Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot

zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader

schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur,

iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze

hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer

niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende

drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie

vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n

uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had

ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—

En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze

zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere

havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en

half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes

uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:

—Mooie poone, aldegoar nuut goed!

Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden,

die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en

eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren

poldernacht in.—

Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer

opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende

hemelwijdte.

De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de

mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels

roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.

Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood

vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t

donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam

opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul,

opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje

walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend

over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd

met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl

verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid

gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en

infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.

Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van

schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in

prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd

verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet

werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de

inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in

vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren,

wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En

weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den

kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood,

prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend

massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den

diep-donkeren hemel inhijgend.

Menschenwee · 第 70 / 92 题