In ’t hart van ’t haventje, en op Baanwijk-boulevard, was plots,
tusschen zonnelaat licht en gewoel van groentekarren, onder
kastanjelaan en boomlommer, vreemd gedruisch van kermiswagens komen
òplawaaien; brokken van tenten, ingangen, poortig-cirkusachtig
beschilderde deuren; warrel van paarden, tusschen schonkige kerels en
meiden, zigeunerstoeten, overwaaid van vreemden gloed, en kleur-fel
bont gekeer.—Langs de Haven en Baanwijk ratel-wielden en bonkerhotsten
de gloeierige kermiskarren áán, met de schooierige kerels vóórop,
paardje of ezel vast aan den toom, zwenkend en kronkelend door
havenrumoer en sjacher-gedrang van venters.
Op de kar-balustrades waggelden morsige vrouwen in rotplunje, met
onooglijke kinders, borst-lurkend.—En achter, en òm de karren hortte
gore nasleep van beluisde wezentjes, meestrompelend over kei en grint.—
Onder ’t jongezellen-landvolk van Wiereland furiede de
kerels-uitgelatenheid los, lichtelijk flirtend met woelig wellustige
meiden, brutaal en fel van passie. Troepjes werkers sprongen in
klepperenden klompendans en boeren-kankan, met beenen-guitigheid en
komieke handgebaren op de meiden áán, midden op straat, onder erotisch
bombardement van zoenen. Volkje van Wiereland, ’t zuipende verhitte,
uitbarstende, hoorde van àf de akkers de meiden gillen en heet
schateren, hoorde ’t gewoel van kermisgangers en daverend belalden ze
elkaar, in ’t voorbijgaan. Ze hoorden geklop, getimmer op de Haven,
door de straten heenhamerend in verwaaid gerucht, uit tenten en kramen
die in ’n paar uurtjes, geraamte-ribbig en naakt opgegroeid stonden. Ze
hooren ’t lawaai van de kermisrazernij, de vreemde stemmen en
spraken.—’t Zien aandrijven van schuiten, met ’t kleurig spul van
brokken schiettenten, draaimolens, bont gestraal van zwaar beverfde
schommelbakken, goot scheuten gierende pret over de popelende kijkers.—
Vreemd getrappel van hitjes uit ’t paardenspel hoefklakkerde over de
Haven, en de kinder-kijkertjes omkringden, wild en verbluft in
verbijstering, de beesten. Gemompel en gekonkel tusschen de
Wierelanders klonk overal door, al maar over de kermisjool; wat er zijn
zou, wat er wàs, wat ’r komen ging.
Schetterende voorklank en rauwe jubel van lol, brachten de
straatorgels, twee dagen vóór ’t openen van kermis,—dertig levende
klank-orkanende wezens, elken ochtend vóór ’t stadhuis bijeenwaggelend
in rij, om van die gewijd-officiëele plek uit, heel Wiereland van alle
kanten vol te roffelen, te betrompetten, te bepauken in schellen
schater en daver, te omgolven met heet getjink, geraas en gedreun van
dooreen rammelende klanken.—Midden in tragen zwoeg der landwerkers
omdaverden ze de straatjes in hellen joel en roffel. Soms rammelden
drie orgels naast elkaar in de deftige Bikkerstraat, in heeten donder
van trombones, de stedekestilte met klankrazernij verpletterend. Aan de
huisjes tingelde ’t den ganschendag; gingen schuwe armoekinders, in
doorvreten plunje, naakt-beenig en stank-verwasemend met ’t bakje rond,
liepen moeders achter de draaiorgels áán, in gore ellende van
stoelenmatters-scharrelaars. De wreed-snuitige kerels, ’t straatorgel
verrollend van deur naar deur, bleven door-draaien onder ’t
voortwielen, en in woeste gluiperigheid knorden hun harige dier-woeste
tronies, snauwen naar wijf en bedelkinders. Als verstrooide optocht van
melaatschen schooierden ze achter elkaar aan, de klankengekke orgellui.
En ’r òm, de angstig-verschuwde vrouwenhoofden, mottig-wreede en
blondharig, verwilderd-romantische, op zwaren borsthang kinders
sjokkend; en de rossige en zwart-besnorde boeventronies, van mannen,
jukkig gekaakt, doodelijk uitgeput met schuwen oogenkijk van gluipende
overrompelaars en hongerende dieven; of zwaar krachtpatserig d’r
lijven, in landloopers-gezondheid, tusschen de wijven, dralend en
bedelend, versmald in den knel hunner rood-vale en groene
misère-jassen.—
Daartusschen in forschten òp, donker bronze kerels, met koperig
ringwerk in d’ooren gedraaid, zwart-glanzend haar, kleurige doeken om
den hals, melodramatiekerig-romantisch in hun zuidelijk armoekoloriet,
hun tambourijn in knuisgedruisch van rinkel en bellenzang, met
tenoor-beverig weemoedslied begeleidend.
En telkens de romantiekerige Mignon-schooiers, snauwden scherp-radde
woordjes neer op de bedelkindertjes, als kleurige deurtjes van cynische
Bikkerstraters gesloten bleven en bakjes niet meer kletterden van
rondgestrooide centen.
Zoo ging er al twee dagen, voor opening van kermis, sjofele woel en
rondgang in alle Wierelandsche wijkjes en achterafjes; bleef jubelende
klinkklank schetteren in kleurige deunen; klompklepperden om de orgels
al meer kerels en meiden hun boerenkankan. ’s Avond’s vooral, als op de
drukke, breede Baanwijk, tusschen duisterende geraamten van tenten en
kramen, vlammig fel licht uitschoot van de winkels, de stoeiende paren
overbeefde in rood-gelen walm, en kleurige vóórjubel van kermis
demonisch tegen de half-aangegloeide boomstammen oplaaide, schroeide
rond in avondbrio, de duivelsche zeng van karnavalgloed.
Op de Haven was de voorwoel ’t hevigst. Daar zeilden en dobberden de
schuiten áán, voor den wal.—Woeste hunkerende jochies, doortrild van
kermisrazernij, smakten zich als wroet-miertjes op de spul-brokken, van
schuitdekken afgevoerd naar standplaats. En al luider, door den nog
drukken sjouw en markthandel der groenboeren, dwars door vruchten en
voerkarren, ging de gistende kermiswoel. Werkelooze sjouwjochies en
schoolkinders hijgden onder de vrachten die ze te verdragen kregen,
planken en fundamenten van draaimolens, vuilkoperen stangen, paarden en
ringwerken, staven, wilde dieren en kleurige lompen. Ze hijgden, met
kramperige pret van aandoening, en dolle lol-stralende oogen. Ze
gierden dat ze zoo vlak bij, in hand-tastende aanraking leefden met de
heilige kermis-brokken. Ze verbluften elkaar met ’t tillen van al
zwaarder vrachten, en dwars door den groenboerzwoeg en kroegsjacher,
hielpen ze de vreemde, norsche kermiskerels, die gretig de ventjes
lieten sloven en sjouwen, zich vertillen en half-verrekken. Want diè
merkten den pret-duizel in hun helle oogen, den groei van hun genot bij
elk grooter stuk dat uit de schuiten opgedragen werd.—En angstvoller
van ontroerende pret, verbreedde de echtheid van hun kermisvizie, als
ze uitzinnig, plots te dragen kregen, groote brokken dekoratie, bont
schilderwerk, verf-riekende doeken waarop moordtafreelen bloedden,
waarop bulderzeeën schuimden met lijk-paarse schipbreukelingen,
uitgeteerde weggezonken juffers en meneeren in nood; waarop
kruitdampten, veldslagen van Transvaal, Boeren in bont rumoer, onder
angstige hemelen, stinkend naar bakolie en gemeene uitgedroogde verf.—
Met bevend ontzag, staarden ze op de halve lijven van moordenaars, op
den zeebruis en ’t rottende zwalpende vlot neer, op hakkende Boeren en
doorgevlijmde Engelschen.—
Een groepje droeg ’n griezelig moordtafreel op den kop, en gestreden
werd er hevig, met heerlijken griezel-angst voor de werkelijkheid der
beelden, dat Jan de beenen had van de moordenaars, en Gijs de
bovendeelen van de schipbreukelingen, Piet de geweren van de Boeren, en
Toon den grond. En vlak voor hun oogen gebeurde ’t, al die
gruweldingen. In rillender suggestie liepen de jochies vlak achter
elkaar, staarde de een naar den ander, niet wetend wat ’t worden ging,
als de brokstukken op elkaar ingevoegd gebouwd stonden. En al meer
kermisdingen sjokten ze áán. Komieke harelekijnen, met streepkleurige
broeken voor schiettent, wapenschilden, kachelpijpen en hoededoozen.
Dan schoot schater los, ontspande hun angst voor de front-dramatiek der
groote kijk-tent. Al komischer mengeling van grappige en angstige
voorwerpen droegen ze uit, en zóó voelden de jochies de kermis in hùn
gretige pootjes, nu zij hielpen opzetten en bijeengroepen. De
kermisklanten beukten en vervloekten de kinders, als ze in hun
verbijstering en lol, verkeerd den rommel uitdroegen. Dan joegen ze de
kereltjes plots wèg met ’n woest lippengebrul om angst te wekken. In
bangheidsstuip holden ze heen naar huizenkant van Haven, tusschen
karren en geboomte doorzwenkend, uit schrik brutaal scheldend en
hoonzwaar uitfluitend de kermisgasten. Zoo van ver, keken ze dan met
stil genot, naar groei en vleeschwording van al de tenten, draaimolens
en spellen.
Eén breed en hoog lattengeraamte stond er al boven alles uit, ’n
schouwburg waar kerels tot in den nok hurkend hamerden en klopten, in
davering van scheepstimmerwerf. Schouwburg-geraamte was zoo vlug
verrezen dat de tuinders ’t bijna niet hadden zien bouwen.—
Aan stillen kant van ’t haventje, ònder polderdijk, schooierden bijéén,
op ’t hel-groene grasveldje, de bonte kermiswagens. Als melaatsch
menschgroepje hurkten daar saâm, de verluisde kinders, meisjes en
vrouwen met hangende haren en vervuilde ragebollen. Hun morsige bloote
voeten ploeterden in ’t warm-zonnige gras.
De wijven daar, met rottende lompen aan ’t slobberig lijf, zwijnden
rond hun kermiskar, en boevige kerels, rossige en donkere, luierden op
de balustraden-trapjes, pijpen den mondhoek ingebeten, rookten vadsig
in zonnebroei. Rond hen zwirrelde maar ’n trage warrel van ’t
beestig-morsige kinderkriel, krijschend, joelend, bevuilend ’t
grasveld, dat helgroen vlamde ònder kleurig-melaatschen menschenkluit.
Eén dag vóór de kermis was Augustus-zon weer doorgevlamd achter
wolkgrauw, zette ’t plots bewoonde, anders doodstille grasveldje, met
z’n stinkende luier-ellende, in groenen lichtdaver, en kleurenbrand. De
fel-bonte kermiskarren, eerst dof en druilig onder grijs-stugge
hemelstolping, blakerden en vlamden nu òp in ’t gras, de plankige
kasten, hard geel, wreed-fel geel en rauw Zaandamsch hutjesgroen, féros
en wrang in den zeng-gloei van smoor-dampende Augustuszon.
Rood-bruin de hekjes en balustrades, menierood-helle pilastertjes en
wielspul, kanarie-gele en meloengoûd-vlammige zijwanden, scharlaken
assen-spul en spaken, zoo gloeiden ze tegen elkaar òp, de kist-lage
kermiskarren, als één brandende kleur-rij, één braking van rauwen
gloed, van ònder zengend ’t gras, van bòven zengend de lucht, ’t
eindeloos-aangroeiend polderblauw.
Als ’n drom harig begroeide apen kropen de trage wezens, loom dooréén
in den zonneblaker; kammende wijven, hekserig en brutaal, naakte
kinders en verlompte meisjes. Tusschen blauwig-triest gerook van kleine
straat-kacheltjes, midden op ’t veldje, hurkten smoezelige tooverkollen
met sproetige zuigelingen. Daar naast rengelden, wijdbeensch-achterover
en lig-zittend ’n paar jonge meiden in oostersche sfeer van
siësta-traagheid, schreeuwend om beurten tegen ’n stoetje kerels, zwart
als kolenbranders. Tusschen de kacheltjes aan eindhoek, stonden traag
konkelend, donkere kermisgangers in ’t trillende walm-zwart van den
rook, elkaar te beschelden, en jonge meiden, in verkaalde
fluweelmisere-jakjes,—paarsig en donker smartenrood, gore restjes van
pronk’rige akrobatenplunje,—scholden méé, woelden zich in de
loshangende ragebollen, omzengd van karren-gloed en kleurenvlam van
knetterend-heeten zonnedag. Al meer belompte vrouwen waggelden áán uit
miniatuurdeurtjes van karren. ’n Walg-stank van zurige ellende walmde
òp uit de kleur-heete kermisplek. En vreemd, in Spaansche cier, ging
tusschen den zigeunerigen kleurgloei van hun wagens en rommel ’t brio
van hun versleten opschik en rauwe behaagzucht; Spaansche cier daar
wreed neergeluierd in de schroei-felle zon, overgolfd van licht,
naakt-gezengd in den dag, versmart en rampzalig in den verbijsterenden
vloek van hun helsch-bonte vurigheid; rampzalig in het verzweetende
blanketsel van hun cirkuspronk en passie, overlaaid in zonnigen smoor
met de bloedroode en geel-férose verf van hun huiverig-opgesmukt,
moordend ellende-bestaan.
Vrouwen met bloote borsten sleurden kinderen mee bij de haren, in de
krot-nauwe karren. Andere, spiernaakt, werden weer de holletjes
uitgestooten, schreeuwden en grienden, vluchtend naar versten hoek van
grasveld. Telkens monsterden nieuwe harige koppen òp uit de lage
wagen-deurtjes, plots wègduikend in ’t vuil-diepe kamertjes-binnen van
kar; verschenen dan weer, kiekeboeënd in gesprek-schreeuw met
buitenhurkenden.—Ontkleed boenden anderen zich op ’t gras, tusschen en
vóór de wagens, dierlijk naast elkaar krijscherig doorscheldend.
Van woelige Haven af, klonterden de karren en menschen in wriemel van
kruipende kleuren, onder de drijvende stilte van polderlucht en land,
eindloos wijd-om. Dìchterbij ronkte de hurrie uiteen, verwalmde
kachelstank en rook, rond stoetjes en rommelige wagenboedels. Onder de
karwielen kropen al meer klierige kinders uit, met moddertronietjes,
zwart-verbakken, als vervuilde duiveltjes zich opgravend uit
aard-ingewanden. Tusschen de paardjes en trekhonden vochten ze, en één
morsig groepje ranselde ’n vuil-zinlijk aapje, dat grijnsde en wild
flikkerde met oogenwit, bij elken mep en ruk aan z’n staart z’n
hekserig rimpelkopje nijdig plooide, doorjeukend met z’n harige handen
z’n luizige lijfje, bedacht tòch op iederen kinder-aanval.
Wild gekonkel ver-ratelde onder de kakelwijven, rauwe stemmen in
alsoortig dialekt, Vlaamsch, Fransch, Duitsch en Amsterdamsch
woordgewarrel; spraak van wezens die in heete drift van samenbroei
maand aan maand, elkaar al verstonden door stem-intonatie. Vloeken en
dreigementen bulderden rond in plotsen overgang van zacht-vleierig
gesprek, verdoffend in klankloos geteem.
Achter bassenden en jankenden hondenstoet lagen jonge meiden in
luierkring op d’r buik, op ’t heet-zonnige gras, de handen ingehaakt
onder kin, met onderbeenen de lucht inzwabberend, zich naakt schoppend
tot den rug. Ze begierden elkaar, groeven zich vuilnisbelten van
zinlijke lol, stootten de handen onder de kaken wèg, dat hun tronies ’t
zengende gras insmakten. Ze beranselden elkaar in woesten stoei, dat
hun flodderige lompen scheur-risten en kraakten van de half-naakte
lijven. Los de haren over schouders en ontbloote borsten, droogden ze
zich de zweettronies met d’r onderrokken of gore hemdfladders.—Een
brandende woestijnige hette, schroeide over den meidenstoet in ’t
gloei-gras, dat schitter-vonkte en hel-groende. Een luiïge loomheid
sufdutte dan plots weer in de snikheete Augustus-zonning.—En rookige
walmbenauwing van de straatkacheltjes, verwoei wolkerig over hun
verstoofde bloote armen en beenen, en morsige lijven.
Akrobaatkerels en draai-orgelaars schuimden daar samen met uitgestooten
schooiers en landloopers van den omtrek, bedelaars en manke mirakels,
zich veilig voelend in de boevige broederschap der kermisklanten,
hinkend en lollend onder de goochelaars en kijvende waarzegsters.
In Oosterschen gloei zwirrelde tegenover den meidenstoet ’n
vrouwenkeet, afgebeulde kijfkoppen, waaronder zeerig-beklierde, bevrat
en bepokt, met bloed’rige vlekken onder d’oogen als moordmaskers in
melodrama. Afgezonderd op kachelrand zat één jonge vrouw,
mooi-Carmenachtig gloeiend ’t zwart-blauwe prachthaar, met ’r
droef-verliefde hondenoogen te staren in de lucht, verwiegelend ’n
versnotterden slapenden zuigeling op d’r knie. Als ’n paar
orgeldraaiers van hun rondgang door ’t stedeke, ’t grasveld opreden,
wuifde en kruifde plots ’n waaierspel van hel-rooie, blauwe, gele en
wit-gore rokken òp achter de wagens van den meidenstoet, bradend op den
buik in zonnevuur. Dan kwam er danspassie onder de heksen en jonge
meiden, kiekeboeden wat tronies en halve bovenlijven uit kardiep,
ontblootten zich brokken van kammende en kleedende armen. En achter de
orgeldraaiers liepen mee, centenophaalsters, donker-harige meiden,
slank en kanaljeus in hun groen en paarse afgesleten fluweelen lijfjes,
vurig met hun kleur-gloeiende hoofddoeken als zigeunersche kappenbrand
van Spaansche cier op de pracht-donkere haren. En langs de slanke
heupen, tenger en wulpsch-elastisch, krioelde ’t van kleurige doeken,
en om de meidenschouders vonkte ’t van goudspatjes, vurig gevlam van
roode en groene sjaal-franjes, bonte en warme cier van zuidelijke
passie-beesten. Er ging geschuifel tusschen de karren bij hun
ommetocht, er verklonk gevloek en gelach op de kar-trapjes, in ’t
wagendiep, en uit den meidenstoet, met d’r kinnen ingehaakt op handen,
rolden al meer paren wèg, ’t grasveld òver in brandenden zonnezwijmel.
Geen sterveling van fatsoenlijk Wiereland durfde over de spoorbrug ’t
grasveld op, te gaan kijken naar den luizentroep, die van verre, stil
in eigen sfeer, z’n brandend brio en traag-geschooier bleef
verzwijmelen,—
Van woeligen havenwal àf, tegenover ’t polderstille wèggeschuwde
zonnige grasveld, stroomde ’t zonnelicht in kleurigen klots néér op ’t
bruin-groene watertje. In troeb’lige golfjes kabbelden daar in
zonnewiegel, de kleur-zengende kermiskarren, onderste boven. Ze
gloeiden en plasten daar in ’t hel-bezonde havenwalletje, als met vurig
zwam bestreken; de wijven òmgekeerd met hun roode, paarse en groen
fluweelen rokken, hun vleesch-gore malots, de blonde en roode
kinderragebollen; de omgekeerde naakte morsige lijfjes; de wagens met
hun rauwen gloed en uitgespuwd verf-bloed, schel vernist in de
Augustus-zeng, strakke trillende polderhitte en warmtenevel, inzuigend
’t helle licht in den alkleurigen zongloei, verscherpend de vlam-felle
ommetrekken van karren en wezens, tegen den blauwenden polderhemel in.
Zoo dreef de melaatsche hellestoet, in vulkaan-kleurige hevigheid
neergezwamd op ’t nat van den walstroom, zwabberend en verkruivend in
de waterrimpels en ’t golf geklots, omkabbelend pramen, tjalken en
schuit-vervoer. Zoo leefde daar twéé keer, brok bestaan van zomersche
kermismisere, in de trage zonnige slaperigheid en den loomen zwijmel
van niets-doen; één keer op ’t doodstille grasveld, aangeschuimd in de
kokende kleur-klater van licht, de hel-kleurige karrenrij in den
smorenden zeng van zonnedag; àndere keer, in ’t walletje, ’t
overgloeide water, karren en wezens omdraaiend in de spiegeling van ’t
brandende licht, dooreenvloeiend in heeten kleurenwarrel.
En rondomme van de Haven roffelden de orgels, snerpten de fluitenaars,
trompetten en basten de registers hun demonischen klankenorkaan,
tusschen rauwen menschenzang en schetter van kermisinstrumenten.