ZEVENDE HOOFDSTUK.

In ’t hart van ’t haventje, en op Baanwijk-boulevard, was plots,

tusschen zonnelaat licht en gewoel van groentekarren, onder

kastanjelaan en boomlommer, vreemd gedruisch van kermiswagens komen

òplawaaien; brokken van tenten, ingangen, poortig-cirkusachtig

beschilderde deuren; warrel van paarden, tusschen schonkige kerels en

meiden, zigeunerstoeten, overwaaid van vreemden gloed, en kleur-fel

bont gekeer.—Langs de Haven en Baanwijk ratel-wielden en bonkerhotsten

de gloeierige kermiskarren áán, met de schooierige kerels vóórop,

paardje of ezel vast aan den toom, zwenkend en kronkelend door

havenrumoer en sjacher-gedrang van venters.

Op de kar-balustrades waggelden morsige vrouwen in rotplunje, met

onooglijke kinders, borst-lurkend.—En achter, en òm de karren hortte

gore nasleep van beluisde wezentjes, meestrompelend over kei en grint.—

Onder ’t jongezellen-landvolk van Wiereland furiede de

kerels-uitgelatenheid los, lichtelijk flirtend met woelig wellustige

meiden, brutaal en fel van passie. Troepjes werkers sprongen in

klepperenden klompendans en boeren-kankan, met beenen-guitigheid en

komieke handgebaren op de meiden áán, midden op straat, onder erotisch

bombardement van zoenen. Volkje van Wiereland, ’t zuipende verhitte,

uitbarstende, hoorde van àf de akkers de meiden gillen en heet

schateren, hoorde ’t gewoel van kermisgangers en daverend belalden ze

elkaar, in ’t voorbijgaan. Ze hoorden geklop, getimmer op de Haven,

door de straten heenhamerend in verwaaid gerucht, uit tenten en kramen

die in ’n paar uurtjes, geraamte-ribbig en naakt opgegroeid stonden. Ze

hooren ’t lawaai van de kermisrazernij, de vreemde stemmen en

spraken.—’t Zien aandrijven van schuiten, met ’t kleurig spul van

brokken schiettenten, draaimolens, bont gestraal van zwaar beverfde

schommelbakken, goot scheuten gierende pret over de popelende kijkers.—

Vreemd getrappel van hitjes uit ’t paardenspel hoefklakkerde over de

Haven, en de kinder-kijkertjes omkringden, wild en verbluft in

verbijstering, de beesten. Gemompel en gekonkel tusschen de

Wierelanders klonk overal door, al maar over de kermisjool; wat er zijn

zou, wat er wàs, wat ’r komen ging.

Schetterende voorklank en rauwe jubel van lol, brachten de

straatorgels, twee dagen vóór ’t openen van kermis,—dertig levende

klank-orkanende wezens, elken ochtend vóór ’t stadhuis bijeenwaggelend

in rij, om van die gewijd-officiëele plek uit, heel Wiereland van alle

kanten vol te roffelen, te betrompetten, te bepauken in schellen

schater en daver, te omgolven met heet getjink, geraas en gedreun van

dooreen rammelende klanken.—Midden in tragen zwoeg der landwerkers

omdaverden ze de straatjes in hellen joel en roffel. Soms rammelden

drie orgels naast elkaar in de deftige Bikkerstraat, in heeten donder

van trombones, de stedekestilte met klankrazernij verpletterend. Aan de

huisjes tingelde ’t den ganschendag; gingen schuwe armoekinders, in

doorvreten plunje, naakt-beenig en stank-verwasemend met ’t bakje rond,

liepen moeders achter de draaiorgels áán, in gore ellende van

stoelenmatters-scharrelaars. De wreed-snuitige kerels, ’t straatorgel

verrollend van deur naar deur, bleven door-draaien onder ’t

voortwielen, en in woeste gluiperigheid knorden hun harige dier-woeste

tronies, snauwen naar wijf en bedelkinders. Als verstrooide optocht van

melaatschen schooierden ze achter elkaar aan, de klankengekke orgellui.

En ’r òm, de angstig-verschuwde vrouwenhoofden, mottig-wreede en

blondharig, verwilderd-romantische, op zwaren borsthang kinders

sjokkend; en de rossige en zwart-besnorde boeventronies, van mannen,

jukkig gekaakt, doodelijk uitgeput met schuwen oogenkijk van gluipende

overrompelaars en hongerende dieven; of zwaar krachtpatserig d’r

lijven, in landloopers-gezondheid, tusschen de wijven, dralend en

bedelend, versmald in den knel hunner rood-vale en groene

misère-jassen.—

Daartusschen in forschten òp, donker bronze kerels, met koperig

ringwerk in d’ooren gedraaid, zwart-glanzend haar, kleurige doeken om

den hals, melodramatiekerig-romantisch in hun zuidelijk armoekoloriet,

hun tambourijn in knuisgedruisch van rinkel en bellenzang, met

tenoor-beverig weemoedslied begeleidend.

En telkens de romantiekerige Mignon-schooiers, snauwden scherp-radde

woordjes neer op de bedelkindertjes, als kleurige deurtjes van cynische

Bikkerstraters gesloten bleven en bakjes niet meer kletterden van

rondgestrooide centen.

Zoo ging er al twee dagen, voor opening van kermis, sjofele woel en

rondgang in alle Wierelandsche wijkjes en achterafjes; bleef jubelende

klinkklank schetteren in kleurige deunen; klompklepperden om de orgels

al meer kerels en meiden hun boerenkankan. ’s Avond’s vooral, als op de

drukke, breede Baanwijk, tusschen duisterende geraamten van tenten en

kramen, vlammig fel licht uitschoot van de winkels, de stoeiende paren

overbeefde in rood-gelen walm, en kleurige vóórjubel van kermis

demonisch tegen de half-aangegloeide boomstammen oplaaide, schroeide

rond in avondbrio, de duivelsche zeng van karnavalgloed.

Op de Haven was de voorwoel ’t hevigst. Daar zeilden en dobberden de

schuiten áán, voor den wal.—Woeste hunkerende jochies, doortrild van

kermisrazernij, smakten zich als wroet-miertjes op de spul-brokken, van

schuitdekken afgevoerd naar standplaats. En al luider, door den nog

drukken sjouw en markthandel der groenboeren, dwars door vruchten en

voerkarren, ging de gistende kermiswoel. Werkelooze sjouwjochies en

schoolkinders hijgden onder de vrachten die ze te verdragen kregen,

planken en fundamenten van draaimolens, vuilkoperen stangen, paarden en

ringwerken, staven, wilde dieren en kleurige lompen. Ze hijgden, met

kramperige pret van aandoening, en dolle lol-stralende oogen. Ze

gierden dat ze zoo vlak bij, in hand-tastende aanraking leefden met de

heilige kermis-brokken. Ze verbluften elkaar met ’t tillen van al

zwaarder vrachten, en dwars door den groenboerzwoeg en kroegsjacher,

hielpen ze de vreemde, norsche kermiskerels, die gretig de ventjes

lieten sloven en sjouwen, zich vertillen en half-verrekken. Want diè

merkten den pret-duizel in hun helle oogen, den groei van hun genot bij

elk grooter stuk dat uit de schuiten opgedragen werd.—En angstvoller

van ontroerende pret, verbreedde de echtheid van hun kermisvizie, als

ze uitzinnig, plots te dragen kregen, groote brokken dekoratie, bont

schilderwerk, verf-riekende doeken waarop moordtafreelen bloedden,

waarop bulderzeeën schuimden met lijk-paarse schipbreukelingen,

uitgeteerde weggezonken juffers en meneeren in nood; waarop

kruitdampten, veldslagen van Transvaal, Boeren in bont rumoer, onder

angstige hemelen, stinkend naar bakolie en gemeene uitgedroogde verf.—

Met bevend ontzag, staarden ze op de halve lijven van moordenaars, op

den zeebruis en ’t rottende zwalpende vlot neer, op hakkende Boeren en

doorgevlijmde Engelschen.—

Een groepje droeg ’n griezelig moordtafreel op den kop, en gestreden

werd er hevig, met heerlijken griezel-angst voor de werkelijkheid der

beelden, dat Jan de beenen had van de moordenaars, en Gijs de

bovendeelen van de schipbreukelingen, Piet de geweren van de Boeren, en

Toon den grond. En vlak voor hun oogen gebeurde ’t, al die

gruweldingen. In rillender suggestie liepen de jochies vlak achter

elkaar, staarde de een naar den ander, niet wetend wat ’t worden ging,

als de brokstukken op elkaar ingevoegd gebouwd stonden. En al meer

kermisdingen sjokten ze áán. Komieke harelekijnen, met streepkleurige

broeken voor schiettent, wapenschilden, kachelpijpen en hoededoozen.

Dan schoot schater los, ontspande hun angst voor de front-dramatiek der

groote kijk-tent. Al komischer mengeling van grappige en angstige

voorwerpen droegen ze uit, en zóó voelden de jochies de kermis in hùn

gretige pootjes, nu zij hielpen opzetten en bijeengroepen. De

kermisklanten beukten en vervloekten de kinders, als ze in hun

verbijstering en lol, verkeerd den rommel uitdroegen. Dan joegen ze de

kereltjes plots wèg met ’n woest lippengebrul om angst te wekken. In

bangheidsstuip holden ze heen naar huizenkant van Haven, tusschen

karren en geboomte doorzwenkend, uit schrik brutaal scheldend en

hoonzwaar uitfluitend de kermisgasten. Zoo van ver, keken ze dan met

stil genot, naar groei en vleeschwording van al de tenten, draaimolens

en spellen.

Eén breed en hoog lattengeraamte stond er al boven alles uit, ’n

schouwburg waar kerels tot in den nok hurkend hamerden en klopten, in

davering van scheepstimmerwerf. Schouwburg-geraamte was zoo vlug

verrezen dat de tuinders ’t bijna niet hadden zien bouwen.—

Aan stillen kant van ’t haventje, ònder polderdijk, schooierden bijéén,

op ’t hel-groene grasveldje, de bonte kermiswagens. Als melaatsch

menschgroepje hurkten daar saâm, de verluisde kinders, meisjes en

vrouwen met hangende haren en vervuilde ragebollen. Hun morsige bloote

voeten ploeterden in ’t warm-zonnige gras.

De wijven daar, met rottende lompen aan ’t slobberig lijf, zwijnden

rond hun kermiskar, en boevige kerels, rossige en donkere, luierden op

de balustraden-trapjes, pijpen den mondhoek ingebeten, rookten vadsig

in zonnebroei. Rond hen zwirrelde maar ’n trage warrel van ’t

beestig-morsige kinderkriel, krijschend, joelend, bevuilend ’t

grasveld, dat helgroen vlamde ònder kleurig-melaatschen menschenkluit.

Eén dag vóór de kermis was Augustus-zon weer doorgevlamd achter

wolkgrauw, zette ’t plots bewoonde, anders doodstille grasveldje, met

z’n stinkende luier-ellende, in groenen lichtdaver, en kleurenbrand. De

fel-bonte kermiskarren, eerst dof en druilig onder grijs-stugge

hemelstolping, blakerden en vlamden nu òp in ’t gras, de plankige

kasten, hard geel, wreed-fel geel en rauw Zaandamsch hutjesgroen, féros

en wrang in den zeng-gloei van smoor-dampende Augustuszon.

Rood-bruin de hekjes en balustrades, menierood-helle pilastertjes en

wielspul, kanarie-gele en meloengoûd-vlammige zijwanden, scharlaken

assen-spul en spaken, zoo gloeiden ze tegen elkaar òp, de kist-lage

kermiskarren, als één brandende kleur-rij, één braking van rauwen

gloed, van ònder zengend ’t gras, van bòven zengend de lucht, ’t

eindeloos-aangroeiend polderblauw.

Als ’n drom harig begroeide apen kropen de trage wezens, loom dooréén

in den zonneblaker; kammende wijven, hekserig en brutaal, naakte

kinders en verlompte meisjes. Tusschen blauwig-triest gerook van kleine

straat-kacheltjes, midden op ’t veldje, hurkten smoezelige tooverkollen

met sproetige zuigelingen. Daar naast rengelden, wijdbeensch-achterover

en lig-zittend ’n paar jonge meiden in oostersche sfeer van

siësta-traagheid, schreeuwend om beurten tegen ’n stoetje kerels, zwart

als kolenbranders. Tusschen de kacheltjes aan eindhoek, stonden traag

konkelend, donkere kermisgangers in ’t trillende walm-zwart van den

rook, elkaar te beschelden, en jonge meiden, in verkaalde

fluweelmisere-jakjes,—paarsig en donker smartenrood, gore restjes van

pronk’rige akrobatenplunje,—scholden méé, woelden zich in de

loshangende ragebollen, omzengd van karren-gloed en kleurenvlam van

knetterend-heeten zonnedag. Al meer belompte vrouwen waggelden áán uit

miniatuurdeurtjes van karren. ’n Walg-stank van zurige ellende walmde

òp uit de kleur-heete kermisplek. En vreemd, in Spaansche cier, ging

tusschen den zigeunerigen kleurgloei van hun wagens en rommel ’t brio

van hun versleten opschik en rauwe behaagzucht; Spaansche cier daar

wreed neergeluierd in de schroei-felle zon, overgolfd van licht,

naakt-gezengd in den dag, versmart en rampzalig in den verbijsterenden

vloek van hun helsch-bonte vurigheid; rampzalig in het verzweetende

blanketsel van hun cirkuspronk en passie, overlaaid in zonnigen smoor

met de bloedroode en geel-férose verf van hun huiverig-opgesmukt,

moordend ellende-bestaan.

Vrouwen met bloote borsten sleurden kinderen mee bij de haren, in de

krot-nauwe karren. Andere, spiernaakt, werden weer de holletjes

uitgestooten, schreeuwden en grienden, vluchtend naar versten hoek van

grasveld. Telkens monsterden nieuwe harige koppen òp uit de lage

wagen-deurtjes, plots wègduikend in ’t vuil-diepe kamertjes-binnen van

kar; verschenen dan weer, kiekeboeënd in gesprek-schreeuw met

buitenhurkenden.—Ontkleed boenden anderen zich op ’t gras, tusschen en

vóór de wagens, dierlijk naast elkaar krijscherig doorscheldend.

Van woelige Haven af, klonterden de karren en menschen in wriemel van

kruipende kleuren, onder de drijvende stilte van polderlucht en land,

eindloos wijd-om. Dìchterbij ronkte de hurrie uiteen, verwalmde

kachelstank en rook, rond stoetjes en rommelige wagenboedels. Onder de

karwielen kropen al meer klierige kinders uit, met moddertronietjes,

zwart-verbakken, als vervuilde duiveltjes zich opgravend uit

aard-ingewanden. Tusschen de paardjes en trekhonden vochten ze, en één

morsig groepje ranselde ’n vuil-zinlijk aapje, dat grijnsde en wild

flikkerde met oogenwit, bij elken mep en ruk aan z’n staart z’n

hekserig rimpelkopje nijdig plooide, doorjeukend met z’n harige handen

z’n luizige lijfje, bedacht tòch op iederen kinder-aanval.

Wild gekonkel ver-ratelde onder de kakelwijven, rauwe stemmen in

alsoortig dialekt, Vlaamsch, Fransch, Duitsch en Amsterdamsch

woordgewarrel; spraak van wezens die in heete drift van samenbroei

maand aan maand, elkaar al verstonden door stem-intonatie. Vloeken en

dreigementen bulderden rond in plotsen overgang van zacht-vleierig

gesprek, verdoffend in klankloos geteem.

Achter bassenden en jankenden hondenstoet lagen jonge meiden in

luierkring op d’r buik, op ’t heet-zonnige gras, de handen ingehaakt

onder kin, met onderbeenen de lucht inzwabberend, zich naakt schoppend

tot den rug. Ze begierden elkaar, groeven zich vuilnisbelten van

zinlijke lol, stootten de handen onder de kaken wèg, dat hun tronies ’t

zengende gras insmakten. Ze beranselden elkaar in woesten stoei, dat

hun flodderige lompen scheur-risten en kraakten van de half-naakte

lijven. Los de haren over schouders en ontbloote borsten, droogden ze

zich de zweettronies met d’r onderrokken of gore hemdfladders.—Een

brandende woestijnige hette, schroeide over den meidenstoet in ’t

gloei-gras, dat schitter-vonkte en hel-groende. Een luiïge loomheid

sufdutte dan plots weer in de snikheete Augustus-zonning.—En rookige

walmbenauwing van de straatkacheltjes, verwoei wolkerig over hun

verstoofde bloote armen en beenen, en morsige lijven.

Akrobaatkerels en draai-orgelaars schuimden daar samen met uitgestooten

schooiers en landloopers van den omtrek, bedelaars en manke mirakels,

zich veilig voelend in de boevige broederschap der kermisklanten,

hinkend en lollend onder de goochelaars en kijvende waarzegsters.

In Oosterschen gloei zwirrelde tegenover den meidenstoet ’n

vrouwenkeet, afgebeulde kijfkoppen, waaronder zeerig-beklierde, bevrat

en bepokt, met bloed’rige vlekken onder d’oogen als moordmaskers in

melodrama. Afgezonderd op kachelrand zat één jonge vrouw,

mooi-Carmenachtig gloeiend ’t zwart-blauwe prachthaar, met ’r

droef-verliefde hondenoogen te staren in de lucht, verwiegelend ’n

versnotterden slapenden zuigeling op d’r knie. Als ’n paar

orgeldraaiers van hun rondgang door ’t stedeke, ’t grasveld opreden,

wuifde en kruifde plots ’n waaierspel van hel-rooie, blauwe, gele en

wit-gore rokken òp achter de wagens van den meidenstoet, bradend op den

buik in zonnevuur. Dan kwam er danspassie onder de heksen en jonge

meiden, kiekeboeden wat tronies en halve bovenlijven uit kardiep,

ontblootten zich brokken van kammende en kleedende armen. En achter de

orgeldraaiers liepen mee, centenophaalsters, donker-harige meiden,

slank en kanaljeus in hun groen en paarse afgesleten fluweelen lijfjes,

vurig met hun kleur-gloeiende hoofddoeken als zigeunersche kappenbrand

van Spaansche cier op de pracht-donkere haren. En langs de slanke

heupen, tenger en wulpsch-elastisch, krioelde ’t van kleurige doeken,

en om de meidenschouders vonkte ’t van goudspatjes, vurig gevlam van

roode en groene sjaal-franjes, bonte en warme cier van zuidelijke

passie-beesten. Er ging geschuifel tusschen de karren bij hun

ommetocht, er verklonk gevloek en gelach op de kar-trapjes, in ’t

wagendiep, en uit den meidenstoet, met d’r kinnen ingehaakt op handen,

rolden al meer paren wèg, ’t grasveld òver in brandenden zonnezwijmel.

Geen sterveling van fatsoenlijk Wiereland durfde over de spoorbrug ’t

grasveld op, te gaan kijken naar den luizentroep, die van verre, stil

in eigen sfeer, z’n brandend brio en traag-geschooier bleef

verzwijmelen,—

Van woeligen havenwal àf, tegenover ’t polderstille wèggeschuwde

zonnige grasveld, stroomde ’t zonnelicht in kleurigen klots néér op ’t

bruin-groene watertje. In troeb’lige golfjes kabbelden daar in

zonnewiegel, de kleur-zengende kermiskarren, onderste boven. Ze

gloeiden en plasten daar in ’t hel-bezonde havenwalletje, als met vurig

zwam bestreken; de wijven òmgekeerd met hun roode, paarse en groen

fluweelen rokken, hun vleesch-gore malots, de blonde en roode

kinderragebollen; de omgekeerde naakte morsige lijfjes; de wagens met

hun rauwen gloed en uitgespuwd verf-bloed, schel vernist in de

Augustus-zeng, strakke trillende polderhitte en warmtenevel, inzuigend

’t helle licht in den alkleurigen zongloei, verscherpend de vlam-felle

ommetrekken van karren en wezens, tegen den blauwenden polderhemel in.

Zoo dreef de melaatsche hellestoet, in vulkaan-kleurige hevigheid

neergezwamd op ’t nat van den walstroom, zwabberend en verkruivend in

de waterrimpels en ’t golf geklots, omkabbelend pramen, tjalken en

schuit-vervoer. Zoo leefde daar twéé keer, brok bestaan van zomersche

kermismisere, in de trage zonnige slaperigheid en den loomen zwijmel

van niets-doen; één keer op ’t doodstille grasveld, aangeschuimd in de

kokende kleur-klater van licht, de hel-kleurige karrenrij in den

smorenden zeng van zonnedag; àndere keer, in ’t walletje, ’t

overgloeide water, karren en wezens omdraaiend in de spiegeling van ’t

brandende licht, dooreenvloeiend in heeten kleurenwarrel.

En rondomme van de Haven roffelden de orgels, snerpten de fluitenaars,

trompetten en basten de registers hun demonischen klankenorkaan,

tusschen rauwen menschenzang en schetter van kermisinstrumenten.

Menschenwee · 第 67 / 92 题