Krekel-dreunzang melodiëerde overal en nergens, afgebroken
avondklanken. Windefluister ruischte rond, vertelde wat in ontroerden
suizel van nachtegloor, en van ’t stedeke woeien áán zwakke geruchten,
brekend op de deining van polderrust, avondstilte op rhytmus van
eeuwigheid gedragen.
Avondgeruchten vaag en wezenloos verzwierven in ’t duistere weide-rond,
en al zachter fluister trilde over donkerend aarde-groen.—Zachter
verstierf ’t ruischgebed van riet in de plassen, de weeke
heimelijk-teere ritsel van aren en halmen.
En dichter op de aarde daalde de hemel, al lager, lager, grijs-nevelig
vervloeiend met ’t duisterend weiegroen, paars-teer, doorsidderd van
avondheilige stilte.
Ver rijk van godswijde stilte in mistig avondgerucht, éven doorweend
van koe-loei, heel vèr, uit donkere wei aanklankend, omruischt weer van
rietzang en halmenfluister.—
En stil, ontzettend in stilte, aan de kim, ging opstand van stomme
silhouetten, schaduwen van werkers, donkere nabeelden van zwoeg,
duister versluip van menschen, stemmeloos verdwijnend in ’t avondpaars
van den onmeetlijken poldernacht.