Al donkerder verzonk de polder, vereenzaamd in nachteduister.—

Krekel-dreunzang melodiëerde overal en nergens, afgebroken

avondklanken. Windefluister ruischte rond, vertelde wat in ontroerden

suizel van nachtegloor, en van ’t stedeke woeien áán zwakke geruchten,

brekend op de deining van polderrust, avondstilte op rhytmus van

eeuwigheid gedragen.

Avondgeruchten vaag en wezenloos verzwierven in ’t duistere weide-rond,

en al zachter fluister trilde over donkerend aarde-groen.—Zachter

verstierf ’t ruischgebed van riet in de plassen, de weeke

heimelijk-teere ritsel van aren en halmen.

En dichter op de aarde daalde de hemel, al lager, lager, grijs-nevelig

vervloeiend met ’t duisterend weiegroen, paars-teer, doorsidderd van

avondheilige stilte.

Ver rijk van godswijde stilte in mistig avondgerucht, éven doorweend

van koe-loei, heel vèr, uit donkere wei aanklankend, omruischt weer van

rietzang en halmenfluister.—

En stil, ontzettend in stilte, aan de kim, ging opstand van stomme

silhouetten, schaduwen van werkers, donkere nabeelden van zwoeg,

duister versluip van menschen, stemmeloos verdwijnend in ’t avondpaars

van den onmeetlijken poldernacht.

Menschenwee · 第 60 / 92 题