III.

In den middag stonden de hooiwagens weer leeg op den dijk. De wind was

uitgevlaagd, brieste nu koeler in den zwijmenden polder, en zilver

wolkspel, veerig blank, doorpluimde in ontzaglijke zwierlijn, ’t

hemelruim. Achter, bij horizon, stapelden wolktronen, paars en violet

in dampig en vochtig goudlicht. Van alle kanten uit, achter dammen,

dijken en paden, waggelden de hooiwagens weg, als ’n zwoegend versleep

van duinen.

Gelijk ’n blinkende witte baan, lag gloeizanderige klinkerweg naakt te

blakeren tusschen ’t groen. ’n Adem van zeezoelte koelde soms over ’t

land en in mistig violet slankten de dorpstorentjes op paarse kim.

Wijde middagrust, zwijmelloomde en suizelde over klaverveld en

bouwgrond. Meer bijeengedromd in de middaghitte groepten de droomrige

trage koetjes in vacht-pracht, en smijige huidplooiing. Wat

watermolentjes wiekerden, wìekerden, en bestoven van luwe dampen,

schitterden de slooten of effenden met kroos, in dof prachtgroen,

pasteltintig omstreeld van innig licht.—

Om zeven uur nog stonden Dirk en Kees den laatsten wagen op te laden,

nu vlugger en rustiger werkend, in den koelenden luchtstroom en stillen

aangloei van zonnerood, tusschen den avondlijken val van ritslige

zuchten en polderstilte, eindloos.—

Luidlooze groei van schaduwleven was over ’t land getrokken. Gebroken

kleurval dampte òp in wazig zonnerood. Graasgeluid van koeien raspte

zacht door de weien en blaatgekerm klaagde éven over dijken áán, als

ver kindergeween.

In pastoralen zang verklonken van heel vèr, soms even, menschenstemmen

vaaglijk, en hoog van hooiwagens, door den avondrooden polder. En

roerloos, de weien verklankten de werkersstemmen als zang in den

avondval.

Kweelig vogelgekwinkel, zacht als in den ochtend, jubelde rond en

lichte muschpiepjes stipten ongedurig nog blanke dag-geruchtjes

tusschen oneindige lucht en vlakte.—In ’t westen zwierden

blank-beschuimde wolkjes, als ’n vlucht zilvermeeuwen en blanke

tortels, verdwaalde zwerm in zonnedaal.

Goud-geel en rood omvloeide ’t stedeke Wiereland in zomeravondbrand,

met z’n havenwoel, schepen, kleurig lichtspel, purperglanzig achter

verren boomendrom en molen.

Huisjes, met oud-rood en hel vurig dak, walmden in laten gloed, in

wolkerig avondgoud, bij enkele hoeken, in zacht-wondren brand de

krotjes verguldend als blinkende kluistertjes.—

’t Vlammenrood van zomeravond licht-baande in vervige vegen door ’n

warrel van kleine huisjes, dwars-scheef, krom, verweerd en gebroken,

toch van verre saàmgekringd, met hun geelbeokerde geveltjes en

glans-raampjes, pracht-tooverig aangegloeid in ’t zonnerood. Aan één

kant van polder naar Lemper, rijden de hooischelven òp in

wonder-stille, roode tooverij van magisch vuur.—’t Hooi sfeerde

rood-omwiegeld in angstig-heiligen gloed. Violet kropen de

slagschaduwen als gedoofd vuur onder aan de schelven, met de graszee in

laatste doorzonning er onder, vreemdgeel-groen nu, in zonnedaal. Rij

aan rij, de hooischelven wonderden dáár in de roode zonnetooverij, en

angstiger in doodskruip klom schaduw-violet aan één zij òp, doofde ’t

hooiblond, ’t goudgegloei, ’t gras, in langzamen stijg.

Boven ’t stedeke, ’n zicht ver, stond de hemel in hel-rooien brand.

Wolkenburchten met goudbegloeide boogbruggen en rood gegloeide pijlers,

dreven in geel-okerige zee van licht. Vlammenpoorten boogden hoog,

waaronder uitholden paardestoeten en ruitergestalten in rooden

vlammenvlucht, toeterend op helkoperen trompetten, ’t vuur uit de

avond-hemelen samen.

Ze renden, ze draafden áán, beschuimd, bestoven, ombeefd van gloed, één

draf van renners uit ’t vlammenrijk van rooden avondbrand, naar de

burchten, over gouden bruggen, door kleurige poorten en zilver-groene

hallen. In roodgouden damp ijlden hun rossen, met snuivende trilneuzen,

door ruïne-rijken van vonkend violet.

Vanen van vuur en gloed in nevelspel, wapperden uit, onder brandende

vlammenpoorten en telkens in heviger lichttuimel stortten afgebrande

roode balken en steenen met knetter en vonkspat, ’t paarsblauwe ruim

in, uitgedoofd doodstil vergrijzend.—

Zoo, ’t hemelspel dreef boven stedeke, zomeravondbrand van polder,

geluidlooze ren en fonkelende klaroening van paarden en ruiters, uit ’t

vuur naar de burchten, door gloed en damp voortstuwend in drom, en tòch

stilstaand in aarzeling. Eindelijk versteende de drom, apotheose-stoet

verbleekend in oranje naar paarse mist, de paardkoppen alléén nog vurig

besinteld, in oogstaar; nog éven te zien de hijgende snuifneuzen, in

nerveuzen angst-tril. En boven hun koppen, gloeisperen van vergrauwende

renners, dwars geheven naar ’t vlammenlicht, in starre houding,

grijs-vaag wègdoovend in nevel van paars.—

Onder den wolkenden aarzeldrom, ’t stedeke avondgloorde in stiller

rood, heilig van gloed. Dakjes-wemel, in zonnezinking verteerde in

glansrood; blauw geluik, groene deurtjes en venstertjes vergloeiden

èven zacht lichtstervend. Ruitjes in rooden gloor vervlamden brand,

stillen heiligen brand, en helrood, en purper en zilverleiïg gloeiden

de daakjes, lijnden vervloeiend in ’t wisselend hemelbrio bòven

havenboomen; boomen die groeiden, reuzig tegen ’t late licht in. Wasem

van tinten dampte al lager uit òver ’t stedeke en bleekgoud verstierf

de havenwoel in eindelooze stilte, doorruischt van avondval.

De polder ving laatsten gloed, in blonden aarglans van rogge. Halmen

glimmerden en dauwig lichtwaas dampte over het stervende, verstillende

land.—

De hooischelven stonden uitgegloeid in paarse dofte en ’t gras weifelde

geel-teer onder een zwijmel van hooilucht en bloemzoet.

Vesperklokjes luidden lichtelijk in eindlooze teerderheid, als

zilverende koorgalm van angelus-stemmen. En héél ver af, aan den

schemerenden cirkelrand van polderkom, de dorpjes vereenzaamden,

verschuchterden in bleek grijs. ’t Vee, loom plassend in nevelzee,

verstipte in overgrauwende dampigheid, al kleiner.

Wat hooiwagens vèr op dijk, schommelden, dof in avondlijk mistpaarsen

landdamp. Zoete geuren uit de koelende aarde zwijmden òp, wiegelden

rond. Tjilpertjes, heel zacht, in dooréén jubelenden piep, vlogen áán

en wèg door ’t gras, doorstreepten ’t avondland met zangetjes ijl,

zilverend geneurie van vedels en aëoliens.—

Menschenwee · 第 59 / 92 题