In den middag stonden de hooiwagens weer leeg op den dijk. De wind was
uitgevlaagd, brieste nu koeler in den zwijmenden polder, en zilver
wolkspel, veerig blank, doorpluimde in ontzaglijke zwierlijn, ’t
hemelruim. Achter, bij horizon, stapelden wolktronen, paars en violet
in dampig en vochtig goudlicht. Van alle kanten uit, achter dammen,
dijken en paden, waggelden de hooiwagens weg, als ’n zwoegend versleep
van duinen.
Gelijk ’n blinkende witte baan, lag gloeizanderige klinkerweg naakt te
blakeren tusschen ’t groen. ’n Adem van zeezoelte koelde soms over ’t
land en in mistig violet slankten de dorpstorentjes op paarse kim.
Wijde middagrust, zwijmelloomde en suizelde over klaverveld en
bouwgrond. Meer bijeengedromd in de middaghitte groepten de droomrige
trage koetjes in vacht-pracht, en smijige huidplooiing. Wat
watermolentjes wiekerden, wìekerden, en bestoven van luwe dampen,
schitterden de slooten of effenden met kroos, in dof prachtgroen,
pasteltintig omstreeld van innig licht.—
Om zeven uur nog stonden Dirk en Kees den laatsten wagen op te laden,
nu vlugger en rustiger werkend, in den koelenden luchtstroom en stillen
aangloei van zonnerood, tusschen den avondlijken val van ritslige
zuchten en polderstilte, eindloos.—
Luidlooze groei van schaduwleven was over ’t land getrokken. Gebroken
kleurval dampte òp in wazig zonnerood. Graasgeluid van koeien raspte
zacht door de weien en blaatgekerm klaagde éven over dijken áán, als
ver kindergeween.
In pastoralen zang verklonken van heel vèr, soms even, menschenstemmen
vaaglijk, en hoog van hooiwagens, door den avondrooden polder. En
roerloos, de weien verklankten de werkersstemmen als zang in den
avondval.
Kweelig vogelgekwinkel, zacht als in den ochtend, jubelde rond en
lichte muschpiepjes stipten ongedurig nog blanke dag-geruchtjes
tusschen oneindige lucht en vlakte.—In ’t westen zwierden
blank-beschuimde wolkjes, als ’n vlucht zilvermeeuwen en blanke
tortels, verdwaalde zwerm in zonnedaal.
Goud-geel en rood omvloeide ’t stedeke Wiereland in zomeravondbrand,
met z’n havenwoel, schepen, kleurig lichtspel, purperglanzig achter
verren boomendrom en molen.
Huisjes, met oud-rood en hel vurig dak, walmden in laten gloed, in
wolkerig avondgoud, bij enkele hoeken, in zacht-wondren brand de
krotjes verguldend als blinkende kluistertjes.—
’t Vlammenrood van zomeravond licht-baande in vervige vegen door ’n
warrel van kleine huisjes, dwars-scheef, krom, verweerd en gebroken,
toch van verre saàmgekringd, met hun geelbeokerde geveltjes en
glans-raampjes, pracht-tooverig aangegloeid in ’t zonnerood. Aan één
kant van polder naar Lemper, rijden de hooischelven òp in
wonder-stille, roode tooverij van magisch vuur.—’t Hooi sfeerde
rood-omwiegeld in angstig-heiligen gloed. Violet kropen de
slagschaduwen als gedoofd vuur onder aan de schelven, met de graszee in
laatste doorzonning er onder, vreemdgeel-groen nu, in zonnedaal. Rij
aan rij, de hooischelven wonderden dáár in de roode zonnetooverij, en
angstiger in doodskruip klom schaduw-violet aan één zij òp, doofde ’t
hooiblond, ’t goudgegloei, ’t gras, in langzamen stijg.
Boven ’t stedeke, ’n zicht ver, stond de hemel in hel-rooien brand.
Wolkenburchten met goudbegloeide boogbruggen en rood gegloeide pijlers,
dreven in geel-okerige zee van licht. Vlammenpoorten boogden hoog,
waaronder uitholden paardestoeten en ruitergestalten in rooden
vlammenvlucht, toeterend op helkoperen trompetten, ’t vuur uit de
avond-hemelen samen.
Ze renden, ze draafden áán, beschuimd, bestoven, ombeefd van gloed, één
draf van renners uit ’t vlammenrijk van rooden avondbrand, naar de
burchten, over gouden bruggen, door kleurige poorten en zilver-groene
hallen. In roodgouden damp ijlden hun rossen, met snuivende trilneuzen,
door ruïne-rijken van vonkend violet.
Vanen van vuur en gloed in nevelspel, wapperden uit, onder brandende
vlammenpoorten en telkens in heviger lichttuimel stortten afgebrande
roode balken en steenen met knetter en vonkspat, ’t paarsblauwe ruim
in, uitgedoofd doodstil vergrijzend.—
Zoo, ’t hemelspel dreef boven stedeke, zomeravondbrand van polder,
geluidlooze ren en fonkelende klaroening van paarden en ruiters, uit ’t
vuur naar de burchten, door gloed en damp voortstuwend in drom, en tòch
stilstaand in aarzeling. Eindelijk versteende de drom, apotheose-stoet
verbleekend in oranje naar paarse mist, de paardkoppen alléén nog vurig
besinteld, in oogstaar; nog éven te zien de hijgende snuifneuzen, in
nerveuzen angst-tril. En boven hun koppen, gloeisperen van vergrauwende
renners, dwars geheven naar ’t vlammenlicht, in starre houding,
grijs-vaag wègdoovend in nevel van paars.—
Onder den wolkenden aarzeldrom, ’t stedeke avondgloorde in stiller
rood, heilig van gloed. Dakjes-wemel, in zonnezinking verteerde in
glansrood; blauw geluik, groene deurtjes en venstertjes vergloeiden
èven zacht lichtstervend. Ruitjes in rooden gloor vervlamden brand,
stillen heiligen brand, en helrood, en purper en zilverleiïg gloeiden
de daakjes, lijnden vervloeiend in ’t wisselend hemelbrio bòven
havenboomen; boomen die groeiden, reuzig tegen ’t late licht in. Wasem
van tinten dampte al lager uit òver ’t stedeke en bleekgoud verstierf
de havenwoel in eindelooze stilte, doorruischt van avondval.
De polder ving laatsten gloed, in blonden aarglans van rogge. Halmen
glimmerden en dauwig lichtwaas dampte over het stervende, verstillende
land.—
De hooischelven stonden uitgegloeid in paarse dofte en ’t gras weifelde
geel-teer onder een zwijmel van hooilucht en bloemzoet.
Vesperklokjes luidden lichtelijk in eindlooze teerderheid, als
zilverende koorgalm van angelus-stemmen. En héél ver af, aan den
schemerenden cirkelrand van polderkom, de dorpjes vereenzaamden,
verschuchterden in bleek grijs. ’t Vee, loom plassend in nevelzee,
verstipte in overgrauwende dampigheid, al kleiner.
Wat hooiwagens vèr op dijk, schommelden, dof in avondlijk mistpaarsen
landdamp. Zoete geuren uit de koelende aarde zwijmden òp, wiegelden
rond. Tjilpertjes, heel zacht, in dooréén jubelenden piep, vlogen áán
en wèg door ’t gras, doorstreepten ’t avondland met zangetjes ijl,
zilverend geneurie van vedels en aëoliens.—