’t Kanaal bleef wondre allegorieën-stoeten uitdampen, in paarlemoeren
schitter.
Plots achter den hoog violetten wolkmuur, langzaam verzilverend bij ’n
gloeihoek, vuurde de zon weer uit, niet meer als ’n rood-barende bol,
trillend van zengenden stralenflikker, in hel vulkanenvuur wonderstil
uitzwevend achter donkre aarde, maar nù, als felle goudkokende krans,
violet bevlekt en rood-groen ompijld, ruischend verterend in wit-goud
vuur.—
Eerste toovertoortsing van ros-rood, was weggeschroeid. De weiden
groeiden aan, eindloos in ’t licht, en boven ’t polderland, sloeg een
warrelwind woeling in ’t zonnige, hel-schitterende gras en koren,
blinking in de wolklucht, en vluchtstoei in de schaduwen. Goudlicht
stoof òp, glijdend, schuifelend in wisselglansen over ’t land en de
gods-zonnige heet-doorschitterde slootkanten.—
De wind, zwoel en wild zwabberde over ’t ruischende riet, en de
korenhalmen in zacht-zwellende aar, zwiepten in sterken druisch.—
Overal in blinkende pracht, heet, zonde ’t morgenland, gloeiden de
stolpdaakjes en blakerde hoeven-wit-gegevel. En eindeloos ’t
heet-gezoende gras-groen gloeide, tusschen de blonde hooischelven.
Blauwer ’t hemeldom koepelde uit, verbleekend de kleur-wolken in ’t
stralend, brandend blauw. De wind doedelzakte en joedelde op spothoorns
wildjolig, door ’t heete land, blies zwoelen tocht in dagsnikke hitte,
blies kuilen in de tarwe, knakte halmen, besliertte in ruischschrik al
woester ’t riet, stoof zandwolken langs polderweg op, kolkerend hoog.
Het wipbruggetje met z’n zonnig begloeid geel hek en ophaalleuninkjes
stond heller in gouden vlam, ànders weer dan in z’n eersten rooden
wondergloed, bij zonnekomst.
Als wind, moe van blaas op joedelende spothoorns, ergens aêmechtig
neerlag op ’t land, gloeide de grond in hel zomervuur, knetterden de
halmpjes in ’t groen-gouden schitterlicht, knapperden de aren, dreef de
dag áán, op ’t stille goud-zilveren licht, ’t wit-heete
goud-schroeiende van zomerpolder, vibreerende de eeuwige
fluister-stille verte van Hollandsche wei-eenzaamheid.
Zangerige geruchten wiegden áán, zengend zonnegoud blakerde de hoeven
en erfjes, waar boerenmeiden stapten naar dorsch, en bronzen werkkoppen
langs de brandende hooischelven schoven.—
Langzamerhand kwam er licht gewerk van hooiers op het land. Windzang
joedelde tusschen de bergjes in flapperenden stoei. Klankvage
morgenmuziek luidde òp over ’t ochtendland, week aarzelgeruisch,
murmelend van ver en dichtbij.—
En overal, van allen kant straalde en vlamde de landelijke ochtend,
door ’t rust-zalige van wei en hooi, den blonden zonnevurenden
halmenzang; op klaverrood, paars bloemsel en geel; op den gouden
trillenden brand van schelven.—De roode helschaterende gloei van
stolpdaakjes vlamde in ’t blauw-trillende luchtvuur; eindlooze
doorzonde weilanden dampten in malschen schitter, van ’t gouden
poldervocht doorsapt en de wondre fijne zonnige slootgloei hèl lichtten
als kobalten plassen, verwiegend zomervuur. En rònd ’t hooiland, de
weidengloed met z’n koeblanken schitter, zwart-begitte en bontrooie
glansen, van ’t grazend-zonnige vee.
Zoò, de nevel-gouden morgen, schitter-blakerde wild met den stoeiwind
er achter, die doedelzakte op spothoorns, en dravende zilvervloten door
’t lichtruim joeg, tot soms hij plots zwoel en paf lam lag op de
velden. En heel aan den horizon rondom de dorpjes trilden in dampig
goud, als naderden de torentjes en huisjes daar den eind’loozen
polderkring van groen en licht.