Vale lichtgloor van ochtendmaan weifelde boven het
polderland.—Zomernacht, in vochtige stille glansen, was aan ’t
versterven, in eindloos stille ruimte. Geruchten van eeuwigheid,
suizelden in schelp-ruischend doorduisterd luchtgewelf en
aard-schemer.—Rust van weide-sluimer waarde rond, in zachten ademhaal
van landontwaken, rond lucht- en aarde-stilte.
Luidlooze groei van wazig, zilverpaars ochtendgloren, alom. Stilte,
heilige stilte, huiverde over ’t polderland, eindloos bedehuis van
zwijg, godstilte in kring van bidders.—
’t Licht verweefde en groeide in wazige gestalten, uit nevelig
nachteduister. Zacht, doodelijk zacht en broos áángloren kwam ’t licht,
stiller, sluipender over ’t morgenstille, glorend, zilvergrauwe
land.—En àchter de paars-grijze hemelwolken, die áánlichtten in sterker
gloor, staarde de nacht, al bleeker, blééker.
In grijs-paarsen toover en tinten van sluimer, glorend en vaal droomde
’t stedeke Wiereland òp uit een mist van paarsen, ijl-zwevenden
ochtend-damp, die òm de vage daakjes, vèr-af van ’t land, langzaam
weefde, al wééfde, ragweb van bleek morgenpurper.—
Geruischloos wiekte de geheimbrooze landstilte òp uit den roerloozen
ochtend. Zachte tocht van blanke lichtvleuglen, ruischte over de
nevelige stedeke-daakjes, en violet-teer òpkronkelende landwegjes. Al
zachter vloeide ààn ’t hemellicht, in wondre weving, geheime groei van
glansen,—àl paarser gloorde ’t boven de wondre stille weien.—
Tot zacht geruisch van ontwakend leven kwam beven boven ’t land,
murmelend vibrato van wond’re zoete klankjes, aanstemmend den
landelijk-zilveren morgen. Heel van vèr, en rondom,
vlei-tjielptengesmoord, angstig-ingehouen, kweel van vogelenkeeltjes,
murmeling en wiegeling, zoet-innig luit-gestem van luchte-zangertjes.
En sterker preludeerde òp, gesmoorde jubel van zilveren kweelertjes in
ochtendgebed, al áánstemmend den dag, den goudrooden zonnedag, die
komen ging.
Heilig, verstommend heilig, vloeide de zilveren fluister van orgelende
keeltjes door luchtgewelf, een blank, zalig-zomersch landgerucht,
áánklankend al jubelender, zoeter, al fijner en hooger, mèt ’t glorende
licht van den morgen.
Zilver-blanker en wonder-heimelijk verruischte het licht achter de
harpenaartjes van hemel en wei, die wiek-vluchtten door wolkenruim en
graszee.—
Zomerochtend-gloed, roodblond en groenig-goud, àl goud, verpurperde
dampiger over ’t eindloos land, en heel de aardekom rookte van rood
licht.—
Van ver, uit nachtweefsel, schemerglansde de hemel, en paarse wasem
nevelde. Zacht-blond, roodblond èven de hooischelven, in glanskopering
rij-den áán, betoortst in toovervuur van bergje tot bergje.
Van erfjes àf, uit Wierelandsche huisjes en polderstolpen, klonk
haangekraai, zomer-zang’rige klank en zang, die hèl opgroeiden uit de
stilte-eeuwigheid en neerstortten in gouden geluidsval van triomfaal
alarm. Elk geluid, zwak-stemmend, aanzwevend uit paars ochtendgrauw van
stadje, vèr naar weizee toe, werd zang-trillend leven, verwiegelde
tusschen luchtgewelf en roodaarde-gloed.
Sikkelmaan zilverde zacht in aanlichtend lila-blauw van hemel, waar,
tusschen meeuwblanke wolkjes, bleek purper streepte. Heel ver, naar nog
glorenden polder-horizon, boven dorpjes-verren nevel, gloeide òp in
rijk van glorend morgenrood, een brand van bleek-oranje vuur, ’t
schemerend wei-groen zacht bekaatsend. Daar, òver ’t dorpsnevelige,
zweefde klooster-heimlijke stilte.—
Plots, in een kring van paars gewolk zweefde òp ’n kruis, bloedrood in
prachtschijn, hoog-òpgericht in ’t luchtgewelf.
Uit ’t paars rondom, schuifelden gestalten, wazige morgengeesten, die
stom den stervenden nacht instaarden. Langs ’t bleek oranje schuifelden
ze voort, ’t nevelrijk van morgenrood in, verheiligd, met wonder licht
beglansd.—En stil, in hun god’lijken staar naderden de morgengeesten ’t
oranje vuur, òm ’t wolken-belichtende hemelkruis geaureoleerd.
In zachten ochtendgloed ging rond geheime groei van wolken en licht.
Midden in ’t paars-massaal wolkendom was plots het kruis geslonken,
doorbroken tot toortsenkrans van rood licht.
Haan-kraai verklonk nu in sterker ontwaak-triumf over ’t morgenland, en
hoòger mèt zonnegloor, viel blank fluitgeruisch in, wiegelend spel,
jubel-teer en murmelend van windharpen die te neurie-peinzen hingen in
’t glorend-purperen luchteruim. Vogelkens mijmer-zangden,
ontroerend-broos, en uit de aardewei wonderen òp, paleizen van zoet
luitenden jubel, klankenhallen en poorten van zomervreugd, in den
kleurigen gloei van morgen-gloor, rood-wazig en groenend-goud, omspuid
met den zilverenden damp van ’t eerste nevellicht rondom. En
wind-huiver omdauwde ’t polderland met bloemenzoet, graszoet, hooigeur
en klaverrook.—
Al sterker ruischte áán ’t licht, zette in wondren gloed en fijnen
glinster de groen-gouden wei, wekte de stille peinzende kleuren van ’t
hooi, de haver, de rogge.—
In zang van toortsige gloedsfeer begon ’t heilige gebed van de tinten
naar ’t licht.
Heel de ochtendpolder, toch vol wondre stilte-geruchten, vage
klanktrilling en vroom gesuizel van ’t landstille eindlooze; al de
hooi-schelven, de bloeiende klavervelden, de weibloemen, jubelden
zacht-ingesmoord naar de Zon, die verrijzen ging. De luchtrand,
rood-dof vergloeid, onder ’t massale wolkenland van paars, kartelde en
wentelde nog wat vurige zonnewieltjes, dat ’t sprankelde van vonksels
rondom in het ruim. Van verren horizon, aan polderdorpjes, glansden
roode daakjes, in grijs-violetten morgennevel, en torentjes spitsig en
bits, ontgrauwden.—
Goudgroen golfde het licht, ochtendazuur van blauw-penseé glansen en
weerschijnen in, gloeide de wolkkring boven horizonbrand áán, als paars
vuur, àl hooger prachtpaars, eindloos uitgekranst in ’t hemeldiep. De
hooischelven, in koperen goudgloed, stonden aan één zij te branden in
goudvochtigen nevel en rood-sferigen lichttoover in altaren-wonder,
door ochtend-goden er om heengeademd.—
Golfgloed van rood-goud beefde van schelf tot schelf. Over heel de
weizee vlamden zij áán de bergjes in liniën, tooverroode gloed; meer
schijnsel dan licht, meer waas dan glans, vreemd gegloei van
nimbus-brand, die trilde en toch schroeide, vlamde, straalde, en zelf
zich weer wègweefde in sfeer van wonder-zàcht schitterend goud, dat
tusschen de schelven wiegde en weefde, en de wei-aarde ros-groen
begloeide.
Laag, scherend langs ’t land, zengde blonde gloed van ’t
ochtendlicht.—Hier en daar fonkelzwartten de koeien òp in hun glanzig
huidgit, dat glansde als natgeplast satijn.—
Wierelandsch stadje uit paars grauw opgedampt, begon te leven, in
weerglans van ochtendrood. De pannen-daakjes, bijeengebrokkeld, vingen
glanzen, donker en lichtrood, grijs en leiblauw. De groote toren stond
beaureoold in madonnig vuur, dat goud-zacht gloeide, en van vèr, er
achter, uit ’t sluimerende stedeke, jubelden zacht méé ochtendgebeden
van lichten en kleuren. Aan polderweirand, waar zòn verrijzen ging,
kwamen dampig en rood, uitstralende zonnesluiers, en in zwier van gazen
wiekslag hing zweeflicht over eindloos groen.—
Heel ’t polderland verwasemde meer en meer z’n vroomrooden
ochtendbrand, of diep in de hemelen, àchter aardeduister, een God
voorbijging, en zijn fonkelende stoet van lichtende hemellingen, ’n
gloed en praal van jubel-glansen, vóór z’n zonne-gang liet uitstralen,
den morgen in.—
Soms leek de roode aarde van binnen uit te gloeien, fel brandend, door
gronddonker heen, licht vervlammend uit zengend binnenste.—
Van Lemper-polderkant wolkte paars de lucht, rose, gloedloos, in zachte
verglijing van purper-weeke tinten. Dáár in ’t eindeloos luchtstille,
was heimvol naspel van zonnegloren, lag groen van bouwgrond er onder,
in een koester van licht, brandden langzaam de wolken áán, ruischte een
sombere huiver van tinten, ver buiten zonne-komst.
Dammetjes stonden aarzelend te kleurgroeien in ’t stille bouwbrok;
rijzen piekten zilverig-brons de lucht in, en klaaglijk geloei van
verre koeien woei áán, over weiland en hooi, ver, waar ’t vergalmde in
’t murmelende ochtendgerucht van ’t land.
Verder den polder in, langs de purperende slootkanten, die in ’t
nevelzwierige morgenrood en hemelgloei te dampen dauwden, wasemde ’t
kanaal als ’n breede bron, lichtend in een kleurigen wiegel en kabbel
van schijnsels en dauwglansen.
Als in sprokenland dampten òp, gestalten en kleur-nevelen, in stoeten
vlietend, al vlietend en zwevend langs de gouden oevers, verkwijnend en
opgeslurpt, sprookjes-grillig in hemelgloei, verschuiflend over ’t
rood-begloeide gras.
Door de hemelen oneindig, ging bang-ontzette, stille werking van kleur.
Onder den muur van paars gewolk aan horizon, gistte en bloedde ’t rood
als bezworen brand, goud-rood bloed van den gestorven nacht, geofferd
aan den naderenden zonnegloor. Geheime vlucht van geruchten ging blank
en blond door de ochtendluchten. ’n Angstige stijging en aangloei van
kleur en licht, brandde, smeulde, sintelde in ’t hemelwelf. Als
begloeide koepel erautte luchten-welf zonnekomst, in dreunenden
kleurenzang.
Het land, met z’n aangegloeid groen, de geluidlooze daggroei, de
blondroode, de blond-gouden zomermorgen, uit paarsen nacht van hemeldom
en sterre-zilverend-duister òpgerankt; de gloeiende ontwaak- en
licht-jubel van huisjes en verre boomen; de zang van koeien, in de
stilte-eeuwigheid; het stijgen van de vogelenkeeltjes, als harpjes en
vedels, in zanggekwinkel,—alles werkte en jubelde door de hemelen, ’t
godstille morgenland, herautend de zonnekomst.
Onder ’t muur-hooge wolkenpaars waar Zon moest verrijzen, gloeide
vuur-feller òp ’t rood, al hooger in gloed, den verren wolkenomstand
bevend bevlammend. En alles kleur-herautte áán ’t felle groote Licht
dat komen ging.
Er zat bange ontdaanheid en grootsch ontzag in de kleurwolken, die
opdreven ten jubel, nu niets nog verrees!
Maar àchter den horizon, waar ’t zonnevuur gloeide, in een brandenden
vlammen-ring van licht, gebeurde al de onzichtbare stijg van de Zon,
laaide vuurweg òpen, in walmkleurigen brand, áángloeiend al sterker de
wolkenrijken, rondom geschaard in den gloed-bloedenden hemelkoepel.—
Wat stomme landwerkers stapten over polderbrugje van kanaal, naar de
dorschen. Onder hun beenen brandde de aarde rood, roodblond, goudgroen,
en hun gezichten gloeiden in aureolenglans, omvlamd van hemelvuur, dat
uitstralen kwam.
Stom liepen ze áchter elkaar, de stille zwoegers, even starend in den
vlammenden horizon, waar ’t licht herautte.—
Eindelijk, ’n kartelende vuurslang, als ’n kronkelflits van bliksem,
òmgesmeed in éen schok, éen tril, tot vuur, boorde uit den
luchtbezworen brand òp, ontzettend van kracht en hevigen glans, met
bevenden rood-gouden-kop fònkelend.
Plots gloeide héél de luchtbrand aan, vlammend rood, en de muur van
paarse wolken boven den morgengloed, schroeide tot violet-vuur, dampte
uit, een azuren waaier van goud, in felle breede stralen, doorspat van
trillend roode zonne-fonkels.
Laaie gloed danste en sidderde in nadering van Zonnegloor. Brandgeur
rookte rond in de hemelen.—
Al de wolkgrotten, de wolkruïnen, de wolkpoorten en burchten, vlamden
in den morgenbrand.—En fèl, in den vuurschijn dromden wolkwezens òp,
kleur-herautend in ontzag, langs de aarde, de hemel-randen.—
Op den trillenden vuurkronkel, omgesmeede bliksemschicht, die
aangloeide in al heviger fonkel, hèl-rood, dromden de wolkwezens, en
nevelgeesten uit violet wolkenrijk neergedaald, al sterker herautend,
met aangezicht in gloed geschroeid, gekeerd naar ’t groote licht, naar
den Zonnewagen die rijzen kwam, áánschuimen z’n brandende en ziedende
wielen in een golfgloed van rooden wonderglans.—
Ontzettend verstild, ging de vlucht van geruchten over ’t landgroen;
éen suis, éen fluister van aanbiddend, wachtend leven.—
Mysterisch geruisch van verstommende klanken, harpte wèg, over ’t land.
’t Riet zong zachtsten fluister, de korenhalmen ruischten zang-zachter,
de weibloemen, blauw en goud, glansden vreemd, in extatischen gloed.—
Hemelwelf van Lemperpolder gloeide nà, in rose brand, en wolkrijken
daar, herautten nà, ontzag voor stijgend hemelvuur. Over heel ’t
polderland scheerde ’t licht. Roode dauw dampglansde, en vonkgroen
verdruppelde schittervuur in ’t natte goudgroene vochtgras.
Heel de polder, eindloos, zwom in gloedglansen van purperen brand en
groen-goud zomer-vuur. Het kanaal wiegde zonnerood, zonnegoud,
zonne-paars als ’n schitter-paarlmoeren kleurplas.—
Peinzend-stille bruine paardjes wachtten, laag den kop; githuidige en
rood-bonte koeien stonden omfonkeld, omplast in ’t licht, dat steeg,
stéég, in laaien gloei. En trillender, de levende vuurbliksem,
omgesmeed tot slang, in den fellen hemelbrand onder violetten wolkmuur,
gloeide áán. Vuurslang verbeefde rood gevlam op wolkenkring rondom, en
z’n spitse kop siste ’t morgenlicht áán, tot heller goud-rood vuur, tot
gloeitroon.
De hemel laaide òp, spoot uit vulkanig brandgoud.—Overàl, achter
violet-vurig gewolk uit, rookten brandstapels, lekte vlammenrood.—
Plots vuurde òp, hèl-gloeiendst, ’n trillend punt, brok krater-kogel,
en lòs achter de lichtende aarde, zweefde òp een bol van ènkel laaiend
schitter-hevig vuur, ontzèttend van fonkel-rooden oer-gloed.
In éen schok van licht, laaide heél ’t polderland òp, in roode
blinking, goud-groene helheid van hevig licht, als stond de aarde in
brand, volgestort met zonnetoortsen.
Een zwijmelende jubel van kleuren en glansen zengde rond de wei en ’t
hooiland. Het kanaal, waar de zon laag-scherend, op neerschoot
stralenbrand, met z’n gele wipbrug stond in rood-gouden flakker van
licht.—
In ontzettend moment van luidloos verschijnen was Zonnebol in z’n
daverende helheid, z’n trillend rooden zèng, achter de aarde
opgezweefd, en snel z’n goud-vurigen troon genaderd.
In matelooze kracht, stortte hij nu uit, zeegolvend breed, eindeloos
licht dat deinde, en roodvlammig golfde en goudwiegelde éérst, maar
plots schroeide en zengde, en rondslingerde zonneflambouwen, tusschen
’t gras, tusschen de hooischelven, tusschen beesten, dammen en rijzen.
Dollendans van licht zonnesprankelde, spartelde en priemde, lanste en
pijlde uit den hemel, die zelf, als immense koepel van zonnevuur
polderland òmstolpte.
Alles beefde in den ochtend òp met ’n schok van fel genot. Ruisch van
goudvleugelenden wind woei áán, tusschen een bazuinstroom van
zomervuur. Kwinkeleer jubelde òp, losschaterend, onder de gouden
hemelpoorten als orgelkelen, hoog in ’t kleuren-ruim uitzingend.—
Een zomerende bloesemgeur wasemde uit de rood-begloeide,
wonder-glinsterende weien, en zonnevreugd omdaverde de bebouwde aarde.
De Lemperpolderlucht wolkbrandde in nagloei van ’t eerste zonnevuur.
Afgebrokkelde vlammepoorten ver-rookten er kleurwalm. ’n Weg dáár,
onder poortendom, lag open naar hemelburchten, waar teer-rose
verschieten schemerden. Karperkleurige lichtschubben ringden boven de
poorten, en vèr, heel vèr, onder hoogste, vurig bezonde wolkenruïne,
hingen lampions van zonnegloeiing tusschen gouden regenbogen in ’t
blauwend firmament.
Zonnegod luidde z’n goudene licht-klokken uit, in ’t brandende
hemelruim. De Juliochtend bleef jubelen van lichtglorie, tot plots
zonnebol onder violetten wolkmuur wegdook. Er tegenover, in geweldigen
kring, was plots ingestort ontzag’lijk bouwsel van kleurwolken.
Als ’n stukgewaaide gothische kathedralen-stad in hemelruim, bleven
zwerven en zweven daar, brokken gloeiend brons, karmijn, en purperen
gloed-scherven, roode torenspitsen en klokkengouden cijferplaten,
blinkend tegen ’t sterker jubel-blauwend azuur.
Wolken als kruisramen en bevlamde vensterbogen kathedraalden er,
doorrinkeld van geel, doorstroomd van bloedrood, kanteelen en
schipstukken, in vlammenpracht, doorstookt van laatste schijnsels.