Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren,
klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk,
meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte
òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde
bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de
zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te
moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—
Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende
beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en
geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van
allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven,
meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de
bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet
vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen
lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven
kisten, schuin en vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden
geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren
in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies
en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van
kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken,
bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van
mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t
smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r
kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen
ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar
lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren
herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen,
dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op
zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in
hellegedaver.
’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht,
arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom,
kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en
bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk
en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in
’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van
Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—
Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar
z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met
’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de
methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage,
en speelde, spéélde.—
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver
van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong ie zich
uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf
begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze
voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden
de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete,
zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met
gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden
de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde
zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de
zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende
kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in,
droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende
klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van
teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit
tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang.
Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s
lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans
van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den
luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk.
En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige
kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n
vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef
dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van
tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge
register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als
’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend.
Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten
stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de
koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n
vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte,
in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen,
waren opgestapt, in furie en bedwelming, naar den man die daar zóó
gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—
Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n
klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over,
aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar
met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes
wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes,
drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en
vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie
’t marr kèn! begrijbt u!
Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in
verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had
geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht
kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille
zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en
half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst
van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met
stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles
roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en
sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet
gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei
van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen
luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen,
bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie
z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén
groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend
naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde
met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier
op ’t kwartjes-instrument.
—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh
drobbele water geleik eender!.... ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t
hart!....
—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder....
—Nou ja.... ik bedoell eigelik in uwès boekkie.... de methoòde....
lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het
tie ’t onder de knie!
Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven,
door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch
en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer
lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend
nariep:
—In drie daaghe te leere.... voor ’t kleinste kind!.... de meledie....
Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer
ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van
hellegeblaf.—
Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip
was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar
zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk,
als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven
thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar
en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets
lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met
gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden
naklank van sjacher.
En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar
van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker
van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende
lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte
hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een
sfeer van kroeg-zwijmel.—
Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet van
tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar
lekker, paf-verhit in de kroeg.
Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n
hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde
nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar
toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat
ie al vet was.
Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even
gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt.
Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet
gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n
paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn
met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging,
hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en
getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r
nog was, hield ie zich sterk.
Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais
ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n
centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie
wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot
vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de
mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar
de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje
opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde
zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n
borrel als geen ander.
En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen,
zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt
tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet
mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn
halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde
hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde,
riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los.
Grinneken bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken
kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.
—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels
hee?.... Moar.... van màin goant nie hee?.. van màin hee?.... ikke hep
d’r maide en klain goed....
Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n
neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met
dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.
In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch
genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen
kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t
nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht....
Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat
dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als
’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden
dagzwoeg.—
Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten
hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef
Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld
door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van
kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en
diep, met z’n gloeiende glasvlammen, rookerig, verweerd van hitte,
verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem
schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam
genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den
ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al
voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en
krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien
rooknevel.—
Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t
buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en
spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun
klompen op zandgrond. Van alle hoeken spogen groenboeren en venters in
de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein
bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig
’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen
bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.
Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille
beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp,
grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad
vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—
Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft
er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen
nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was.
Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk
naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in
spuwbak.
—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.
—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.
Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die
gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen
getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en
flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of
van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas
die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.
Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur.
Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk
in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat
’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.
—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.
Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur
gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder
vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde
den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles
half verward. Alleen heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging
naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en
Annie.
—Nou... ik bin d’r op haide op stàp... mond ope.... portemenai toe....
schaterde Klaas opgewonden.
Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht
zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.—
—Nou.. aa’s hai.... had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem
en nàbromde ’m Jan.
Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—...
Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.... heet op
s’n maide... Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late
snoepe!.. Allainig Dirk!.... die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r
soo suur.... soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—
Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook
rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan
waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot!
Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.... Als ’t maar niet
tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen
Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.
—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje
staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om
z’n lippen.
—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.... t’met wá’ bai màin
stopt, veur ’t nest hee?.... ’t mog d’r weer ’n weekie sain.... dan
kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.... Jammer
da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne....
—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.... aa’s
d’r jonge kerels komme.... da treft d’r nou net ellèndig mooi!
—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.... daa’s onder en
boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’s d’r op!
—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde
dikbullige Jan.
—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.... main
maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r
netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie
kooksters, enne meroakels goeie huishousters....
—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige
Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.
—En Geert.... da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.
Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die
maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—
Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil
en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het
verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van
zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—
Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar
Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat
hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets
zeggen kòn.
Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop
van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de
mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde
’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de
voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t
duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig
door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen,
draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in
hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur
van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood.
Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte
venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de
blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t
gordijn, geel-blank door-goud van lichtstroom, met z’n wollige
bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje
hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk,
ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het
warme roodaarde.—
Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t
puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille,
glansgouden gordijntje.—
Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor
’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de
neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen
zóó laat waren meegestapt.
Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n
heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie
soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.