III.

Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de

stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere

booten, binnengeankerd.

Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen

de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door

snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in

de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen

had, bij teruggang naar Wiereland.—

In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van

kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—

Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine

handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig

doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend.

Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige

jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen,

drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge

karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend,

vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en

stadsventers, met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en

streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers,

paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t

vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden

slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes

en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de

boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar

op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats,

joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht

van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend

met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen

vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden

hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.

—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!

—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!

—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook

’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!

Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige

jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van

niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde

alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa.

En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar

hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op

zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr

opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en

sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de

koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete

dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking

van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de

klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en

te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche

mummieïg verdroogde groenteventertjes, met broeistank van zomersche

zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers,

leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden

en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden

overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden

rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en

raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu

manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t

gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten

Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen,

aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender,

helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken,

door de losgewoelde groepen.

—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.

—Vrouw Zeune!.... jai doar!!.. is d’r op kommende wège!

—Vrouw Engels.... daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?

Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden

zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:

—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.... ikke kèn

hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!....

—Gaa’-ais! Kerre.... dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten

krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met

loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder

krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde

met ’n Zeedijkster.

Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat

ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie,

vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet

en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot

gesmakt was.—

Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen. Dirk had ’n

bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke

meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende

beenen, met mandjes zat te spelen.—

—Nou seg erijs blondje.... vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n

huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je

d’r nou ’s drie sint seit!.... drie pop de honderd!.... hai je dèn je

b’komst?

—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier

pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!....

Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag

ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar

Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar

Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte;

rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op

haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn

ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu

breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul.

En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze

Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—

—Nou blondje.. toe noù!..

Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht,

vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren

schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle

duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje

inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en

uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór

den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t

oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas

en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide

kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver

van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte

de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—

Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en

stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen

drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk

gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe-

en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen

er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in

passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang

en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met

meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette

schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor

d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl

hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug,

sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte

krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen,

bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf,

’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden

span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend

vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten

heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch

doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon

neersmakken.

Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n

hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.... kaike.... da waa’s net

effe acht uur, da kon t’met.... En nou had ie nog ’n lollige

reperoatie.. mit de maid.... ’n afsproàkie veur d’ aêre week.... Da’

gong... ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai

te haige!... bloas jai moar maid.... da’ mo’k ook doen veur main

kossie!.. kaik.... nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!....

Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten

vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas

van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en

trem-jacht, schel geklinkel en gebengel, bonkerde de groote

stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van

paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen,

in den ontwakenden ochtendwemel.—

Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders

verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de

meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de

wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle

oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze

passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer

beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r

blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en

saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend

onder heet-rooie en blauwe rokken.—

Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze

naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven,

dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven,

verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte

schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en

boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—

Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden

zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende,

zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en

felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan

hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t

groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—

Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man,

die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk.

Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n

Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de

lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan,

tusschen ’t gedrang.

Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de

opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten

muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en

beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige

zonnigheid.—

Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en

donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg

van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen,

donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij

den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.

Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend

schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde,

toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen.

Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig.

En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok,

waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant,

tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van

vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij

bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige

straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen

van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze

stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren

van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár

ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de

stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om

straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende,

gloeiende en dreunende stads-leven.—

Menschenwee · 第 52 / 92 题