Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de
stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere
booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen
de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door
snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in
de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen
had, bij teruggang naar Wiereland.—
In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van
kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—
Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine
handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig
doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend.
Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige
jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen,
drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge
karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend,
vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en
stadsventers, met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en
streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers,
paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t
vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden
slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes
en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de
boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar
op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats,
joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht
van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend
met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen
vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden
hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.
—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!
—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!
—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook
’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!
Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige
jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van
niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde
alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa.
En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar
hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op
zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr
opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en
sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de
koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete
dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking
van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de
klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en
te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche
mummieïg verdroogde groenteventertjes, met broeistank van zomersche
zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers,
leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden
en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden
overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden
rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en
raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu
manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t
gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten
Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen,
aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender,
helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken,
door de losgewoelde groepen.
—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.
—Vrouw Zeune!.... jai doar!!.. is d’r op kommende wège!
—Vrouw Engels.... daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?
Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden
zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:
—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.... ikke kèn
hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!....
—Gaa’-ais! Kerre.... dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten
krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met
loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder
krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde
met ’n Zeedijkster.
Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat
ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie,
vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet
en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot
gesmakt was.—
Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen. Dirk had ’n
bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke
meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende
beenen, met mandjes zat te spelen.—
—Nou seg erijs blondje.... vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n
huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je
d’r nou ’s drie sint seit!.... drie pop de honderd!.... hai je dèn je
b’komst?
—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier
pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!....
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag
ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar
Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar
Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte;
rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op
haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn
ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu
breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul.
En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze
Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—
—Nou blondje.. toe noù!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht,
vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren
schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle
duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje
inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en
uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór
den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t
oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas
en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide
kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver
van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte
de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—
Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en
stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen
drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk
gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe-
en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen
er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in
passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang
en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met
meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette
schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor
d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl
hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug,
sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte
krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen,
bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf,
’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden
span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend
vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten
heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch
doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon
neersmakken.
Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n
hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.... kaike.... da waa’s net
effe acht uur, da kon t’met.... En nou had ie nog ’n lollige
reperoatie.. mit de maid.... ’n afsproàkie veur d’ aêre week.... Da’
gong... ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai
te haige!... bloas jai moar maid.... da’ mo’k ook doen veur main
kossie!.. kaik.... nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!....
Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten
vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas
van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en
trem-jacht, schel geklinkel en gebengel, bonkerde de groote
stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van
paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen,
in den ontwakenden ochtendwemel.—
Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders
verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de
meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de
wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle
oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze
passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer
beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r
blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en
saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend
onder heet-rooie en blauwe rokken.—
Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze
naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven,
dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven,
verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte
schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en
boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—
Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden
zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende,
zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en
felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan
hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t
groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—
Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man,
die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk.
Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n
Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de
lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan,
tusschen ’t gedrang.
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de
opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten
muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en
beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige
zonnigheid.—
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en
donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg
van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen,
donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij
den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend
schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde,
toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen.
Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig.
En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok,
waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant,
tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van
vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij
bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige
straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen
van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze
stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren
van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár
ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de
stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om
straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende,
gloeiende en dreunende stads-leven.—