—F’rfloekt.... de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom....
aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur
gain Teun Stainders meer....
De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel
aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg
schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op,
en hurrieden alle tegelijk er om.—
—Op is de boel!... gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board....
Moandag weer ’n handje!.... lachte de Bode, en nou he’k hier nog
prèchtige lelies.... wie mot dur.. wie?..
Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of
ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme
knuist.
—Ikke ook, ikke mot d’r òòk....
—Hier.... doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.... Ikke hep d’r
tien!....
—Màin.... main!.... daa’s gemàin, gilde ’n ander.... ikke hep d’r eerst
sait!....
—Krikf’rdorie.... die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom
òp.. die mo’k hebbe veur main klante!....
De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en
dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk ’n groenboer langs
’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit
’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier
andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd,
sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen
bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige
woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend
spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van
vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw
losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar
bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde
zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel
van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven.
Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n
frisschen kop.
—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.... ikke
hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m
afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte
dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de
boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond
kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu,
achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp
in schuimende koeling en week ruischgestroom.—
Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de
menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje
van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit
dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van
dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met
kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n
borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden,
de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje,
saamgebroeid hurkten achter hun manden.
Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij den boeg,
dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet.
Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù,
lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de
vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele
half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde
zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat
tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als
electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite
kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de
halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de
ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie
van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit
stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten
heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge
kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater
en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete
kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering
zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar
heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van
kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs
verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook,
even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden
de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun
pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel
de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig
en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng
omknellend hun laatste rijkdommen.
’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend,
waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte
telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin
beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde
inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes,
manke jeneverglaasjes; tegen elkaar leunden, flesschen, koppen,
broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de
half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en
morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en
krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek
warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de
venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten,
hàpten.
—Koffie main!
—’n Bakkie g’laik!
De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en
balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme
lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom
gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk
de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig
levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op
verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde
koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van
paarsblauwigen rookmist.—
Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel,
rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige
achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in
zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n
dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en
gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer
reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af,
waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De
vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken
saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg.
Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend
volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen
hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met
donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun
scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond de schenkvrouw,
breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange
bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste
ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als
overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend,
en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de
ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil
emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin
ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de
aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van
buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht,
grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En
’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die
stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid
bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol
geurig koffiebaksel.—
Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de
jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den
zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in
vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met
apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich
gevend aan vroege vraatzucht en drank.
Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n
hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden
bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende
aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige
stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van
venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en
bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen
onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en
smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n
derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door
leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels
om hem, naar Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als
luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint
bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de
vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige
moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken
opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje
krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s
brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke
timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken;
dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de
mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n
scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt,
keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige
zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén
balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n
zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink,
ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n
bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde
hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en
koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes,
telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na
koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede
zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie
dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.
—Màin segoàr.... moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.
—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink
wijzend.
Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange
bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger
onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst
gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen
rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer
gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en
hoog, onder voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de
kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te
hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te
schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen
angst.—
Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht
sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging
lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de
monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die
vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een
flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep
door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende
òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep
daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig
doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in
kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk
en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en
braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit
zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven
dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en
vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit
alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware
tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie
sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige
kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en
wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten
venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel
daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En
wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n
diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig
verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer
in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de
menschlijven, opgepropt verduisterd in grauwig paars en dampig gesmoord
zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe
donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist,
zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens
ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend
den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels
de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den
donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken,
tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval.
Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde
stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén;
lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de
snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen
engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen
zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel.
Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok,
deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder
nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in
schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de
lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden
woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip,
hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende
wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe
energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen
damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en
tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor
van zonnevuur.—
—Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige
stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de
boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!....—
—Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.
—Nou wà’ sel ’t?.... betoàl ’k hullie nie? houw tot soo langest je
snoater,.... nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van
main rechterhoek!....
—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in
hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te
barsten dreigde....
—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù
f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke
oarebai!.... en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.... nou, dan wee’k
daa’k goar bin!....
—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem,
zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie,
met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend
naar de kerels.
Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.
—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.
—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.... t’met... daa’k... toe
he’k de soete fransies sien hep hee?.... Wa’ màin dat d’r toen
teugesloegte.... de vrucht wou nie sette.... alles d’r nog groen en
half raip.. de grond uit!
—Daa’s net... veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main
tuin had, lachte Grint.
—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er
boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de
boel is d’r nou overstroomd hee?—
Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n
weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m
brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in,
bestelde smakkerend en likkend nog een.
—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de
hoàfe hee?.... da stong t’met nie stil.... Van màin drie duusend kilo..
van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul
aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef....
—Wa?.... sooveul?... soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte
smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?
—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook
segge dâ je van ’t winter.... al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je
laif’re mot.—’n Màn, ’n man,... ’n woord, ’n woord.... hee?.... wa’ jou
Dirk?.... wá’ jou Staine, wa jou.... Gais?.... je hoef d’r ommers nie
veur de heule mikmak te f’rkertakteere?....
—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene
oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.... moar ikke f’rkoop wa’ kwait
kèn... aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif
joàr!.... vat je!....
—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe
d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.... en dá’ jòar....
f’rdomd.... sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar
ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.... nie te
f’rkoope.... hee?.... doar stonge wullie.... mit de pet in de ooge
hee?.... en op haide?.... op haide?....
—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen
met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!....
wa’ doene die likkebaire.... niks gedoan hoor!.... sai b’toale d’r
lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost... komme hullie d’r
effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne....
dan.... dan hebbe hullie.... allain mit de oarbaie opsende.... allainig
mit d’r oarbaie.... sien je!.... ’n duusend pop f’rdiend.... in ’n weuk
of soo, hee?....
—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.—
—Je suster rissieko.... soake aa’s piere.... soo staif.... om dà sullie
de loodpot hebbe om vèur te skiete.... sende sullie ònster goed....
deur Duitschland... Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed
hee? O die diefe.... die sloeries! schreeuwde Rink.
—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?... basstemde weer Steyne
achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je
Beijens.... da’ rooide noa niks hee?.... die kaèrel.. hep toen ònster
goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne hee?.... ’n sint ’n
mandje hee?.... mit ’n straip of’r de bakke!.... je was d’r blai da’ se
hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.... Moar die skevuit heb
f’rdiend... die hep d’r waite... dá’ wai gain uitweg hadde hee?.... mit
al ’t goed.... die hep d’r van màin.... van joù.... van jan en alleman
kocht.... hee?....
—Of daa’n skurk was, ’n geep..... tromboneerde de woedestem van Rink,
daa’s Beijens van de Skans hee?.... die skoelje hep d’r ’n achthonderd
pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t
buiteland.... hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb
sitte sien!....
—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai....
jai!.... ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik....
en bestige grond da’ die vent hèp... swoare en lichte.... alles d’r
aife bèstig... god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik
d’r main pink veur... moar da rooit nà niks....
Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat
’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon
werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen
korrel zand van aan Piet of z’n vader.... En nou ’t zoo beroerd ging,
moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n
brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had
als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en
licht.
—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.... kermde Grint.
—Ferrek jai!.... mesiek! mesiek!... aldegoar bluf! doar motte wai
àf.... of tie da’ nie weut hee?.... en kaik erais wa’ doar van de
oarepels komme is?.... die hemme nou self poot!.... gain bloas!....
—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.... suinige
jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie
meer gaift.... aa’s veertien sint ’t kilo....
—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog
sestien sint betoald.... is die fint nou heuldegoar daas?....
—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.... nou goan ie onster
an ’t knibbele hee?.... wa motte d’r wai mee?... aa’s je ’t nie goed
vin.... la’ ie je stoan!.... Je ken je bakke tug nie je kooters te
suige gaife?
Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies
blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.—
—Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.—
—Daa’s kom naige!.... lachte stikkerig ingehouen de lange bediende,
nou.... die suipt gain borrels meer.... die goan d’r mi’ sain neus
allainig in de koffiewind....
Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend
zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels
kuchten.
—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.... riep Rink schor, zich schurkend
met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.—
—’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker
smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!
—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.... vast hoor, schaterde een
achter bankrug.... Seg Hassel.... weneer sel je hooi overend sain?
—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.
Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend
voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—
Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om
waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om
te verstaan.
—Wa’ sai je?....
—Daa’k nie weut.... wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r
nog één daik.... hooi is bestig.... sit van onder ’n strootje in....
moar bestig hoor!
Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten
te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n
kop op borst.
—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie
den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—
—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter
achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak
gericht op Grint.
—Niks gedaan!.... ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.... daa’s achtien
bos!
—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.... mit ’n slokkie d’r
op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven
zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten
kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen
tree.
—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend
achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde
vóór, uit nevel van boeghoek.
Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide
centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende
pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al
klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.—
—F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n
zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich,
snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere
pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren
boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde
wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open
kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend
en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen,
rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond
duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.
Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den
rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:
—Nee!.... da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.... hai kwam ’n kiekie loere
onder de trap hee?.... moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!
—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.... Heé joa’ twee
brandewaintjes mi’ suiker veur de doames... en nóg twai veur main aige
hail hee?.... Nou Oàf!.... ik seg je dàn.... da die Henk d’r sain aige
beeste la’ f’rhongere!—
—Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.... in de
eeuwighait in de loorem....
—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek
naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.... hai likt s’n
urretje op sàin menier.... moar de fint.... ken d’r puur sain honde nie
te vraite gaife.... s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!....—Hee....
hee!.... Dirk.... hai jai hoort da’ die trekhonde.... van.... vàn
Henk.. de koalbuik.... da die d’r twai skoape van Jaanse van de
Lemperwai hep afmoakt.... se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!
—Nou.... wa nou?.. schreeuwde Rink terug.... daa’s tug krek eender....
al die honger-meroakels.... die tuinders doar.... die Lemperhoek
uit.... se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik,
daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige
potje soeke.... en woest aa’s die krenge binne.... se f’rskeure je....
van malkoar.... Bi-jai-’t-Hain!
—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t
roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t
vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.... main baiste legge d’r
vast.... en fraite d’r aige vetje.—
—Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.... laikt t’met of sullie ’n botertonnetje
inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene
hainsteke....
—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr
noakend!.... die beeste motte f’r aige kossie skarrele.... se hebbe d’r
gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire
t’met.... Se benne d’r soo ellendig sterk.... en bloeddorstig.... enne
uithongerd....
Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars
door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten,
sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm
van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht
gloei-kwijnde in dampigen flakker bòven de banken.—Meer kerels stapten
op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen,
waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit
kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef
leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.
Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed
bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze
eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze
zich in woesten woel, los over ’t dek.