II.

Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers woeste

rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld

met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, ’t gloeiend akkerzand in

klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend,

de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van

ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt,

verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z’n vroege

Juliglorie daverde hoog in ’t eindloos blauw, ingeschroeid in kringen

van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee

rond.—En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die

in dorre, schorre hette smachtten naar regen.—

Lèvende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als

groeven ze in lava, en ’t zengende licht koortste en kookte zóó, dat de

akkernevelen in ’t verre blauw wit en fijngrijzig vervloeiden van

warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in

woestijnige zonnemarteling, met den opengegraven grond al heeter

uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede

hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in ’t licht, rooibakken

éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend

metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in

gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde

kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van

wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische

plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar ’t pad, ladend de

zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw

gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in

woesten grabbel rukkend met hun vingers ’t zand open, wroetend dieper

den grond in, tot ze de bollen met heel ’t wortelennet, beklonterd fijn

gevezel, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende

rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen,

leeg in ’n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er

schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in

zonnevuur, met de groote zeven in de handen, waar bronzige stofwolken

onderuit stormden, òver gekromde ruggen en ingebukte koppen van rooiers

héenwarrelend in wilden stuif, dat àl de werkers, momenten weggedampt

vernevelden in ’t bronzige stofgoud, langzaam weer bijtrokken als

gestalten van ènkel licht.—

Het licht, in koortsige wellustgamma’s van kleurhitte, sloeg,

schroeide, bazuin-dreunde om hen heen, tegen ze áán.—De laaiende

zomerbrand regende z’n zonnevuur neer, rond en op de werkers, die

groefden, groèfden en woèlden in den akkergrond; in de gloei-heete

aarde die hen teisterde en martelde. Als bij rooversstoet in oostersche

sprook, ging er ’n graafdrift onder de stomme werkers, kampend tegen ’t

zonnevuur, om schatten te vinden, schatten op te delven, in koorts en

jacht van arbeid, bàng betrapt te worden door anderen. Knieën stramden

en pijnden als in zweer, polsen en handen kreunden stil. Gezwollen

kronkelden klauw-pezen, in bange paarse benauwing, en kreten van

werkersgramschap stootten òp dat zwollen kop-aderen en slapen. Hun

longenhijg trilde door de lucht als zachte zuchten van machienzuiger.

Maar alles toch van hùn ploeter smoorde tegen den grond, die uitbraakte

brand van zand. Dieper graaiden hun pijnvingers, feller gloeiden hun

polsen in de blakerende aarde, de aarde die zelf kreunde en kermde

onder den zwarten zwoeg der mannen; onder de orgieënde voluptueuse

lichtrazernij, den heerlijken, goddelijken almacht-brand van zon.

Doffer in den grond smakten hun klonterende bollen in de bakken en

fonkelschalen en stiller schoven hun knieën vóórt door de heete voren,

natrillend nog van hun lijfsvracht.—

Zóó, elken dag rondom den pluk van aardbei en erwt, lag het bollenland

in den gloeienden zwijmel van zomerbrand.

Elken nieuwen dag om hen heen, met z’n uitzwijmelend bloemenvuur,

gloeide in kleuren en glansen, bloedde in rood, goudde in warm geel als

een reuzig goud-dampend kerkraam, vàn de aarde geheven, hoog en

oneindig, tot in ’t hel-lichtende azuur. Elken dag in den brand van

zijn eigen kleurengloed, verrees als ’n reuzig kathedraal-venster, met

z’n scharlaken bloeding van vitrails en rosetten, in ’t laaiende licht.

Zóó zaligde de hemel in godlijk kobaltblauw, ’t azuur van

middeleeuwsche vitrails, in den azuren droom van heilige figuren. Zoo

kleurde de aarde in het zingende brons en extatische geel van z’n

gloeiende glas-verven, omdampt in den aureolenden goudglans van

altaarlicht.—

Zoò, in ’t bloedrood van ruitenbrand, als ontzàglijk kerkraam met z’n

bogen en gierlànden, vlamden de bloemende zonnedagen in ’t azuur,

gloeiend, kleurdampend en jubelend in de oneindige glorie van

zomerleven.

En daaronder stom, de werkers, de geloovers van den arbeid, de

zwijgende devoten van den machtigen zwoeg op ’t land.—Stommer en

gekneusder elken dag weer, schoven hun knieën door de voren, ’t

schitterheete zand. Dieper groeven hun klauwen den hitte-adem van de

aarde naar hun longen. En geweldiger in de zonnelaai ging het

schuurgeluid van hun zeven over de akkers, de wolkenstuif van het

bronzen zand òver hun gekromde ruggen. Alsof de aarde, de stille

rooiers nòg eens wou overstroomen met den trillenden zeng van haar

zonne-lava.—

Verder op ’t land, naar den zeeweg, stonden de werkers onder de

eindlooze hemelblauwing, met zware armhalen rottend loof van hyacinten

en krokussen weg te schoffelen, hun lichtgestalten uitlijnend in de

trillende hittelucht. Hoeken, in prachtigen kleurenschimmel, teer

pastel, toonfijn, als tinten van doffe poeier, lagen tusschen gerooide

bronzen akkers; loof dat zingend stierf in laatste kleurenkoorts. In

donzig groen-dòf en goudlila,—als er op oud hekwerk uitvocht,—pastelden

de akkers met rottend loof, verneuriënd ’n doodenzang van tinten

tusschen ’t fel-jubelende zomergroen van boomen, hagen en pluimgras.—

Duffe lucht van rot geblaar, als vunze stank van aardappelenkelder,

verstoofde in de zonnehitte, vervloeide tusschen de glansen van ’t oud

goudleer-rood en bronsgroen, dat zacht golfde en moireerde soms in

windwuif. Midden in den doodenzang van ’t bolblad, stonden de rooiers,

wegsliertend in woeste onverschilligheid de stervende bladeren, met

harkende, breede halen van hun blinkscherpe schoffels, ’t loof als vuil

ophoopend in de greppels. Van allen kant over de akkers, wiekten ààn,

in droomerige zwiertjes, kleur-teere vlinders, in lichtcier bemanteld,

fluweelen scheepkens van glansen, droomerig zeilend in luchteblauw,

zonder richting wiekvleugelend door het hittewaas, plots rustend op

zonnevonkend boomgroen van hagen, of verdwijnend tusschen getemperden

pastelgloed van ’t stervend loof.—Van allen kant kwam aanfladdering van

pauwoogjes, stralend prachtkoloriet van atalanta en goudvosjes, als

toef sidderschoone kleurenveeren uiteengewaaid over de

akkers.—Gloeinaakt schroeide ’t land, in wit-violette hette naar

horizon vernevelend, waar vèr, vlinderwiekjes met hun kleurgloed loomer

verzwijmelden in zoet rooksel van geurenden, zonnigen bloemendamp.—

Tegen half vier, op derde schoft, zakten de rooiers in hagenluwte neer.

Even rustten de gebroken polsen, gekneusde handen, zeere toppen. Schuw

van pijn, gingen de zwartgroene vermartelde klauwen, in gretigen hap,

naar ’t brood. Groepjes rengelden slaperig van uitputting, in mat-zoet

ledengerek. ’n Paar werkers wreven hard hun verstijfde knieën. Anderen

weer, nog stiller en strammer in hun kort schoft, schooierden plat op

den buik, in de half-schaduwende koelte van singelhoek, handen onder de

kin gehaakt, kop éven op, als bezwijmden starend zonder te zien, naar

akkers die vóór hen verblakerden.

—Daa’s ook ’n klus, kaik sàin te goàpe legge noà oàsem! schreeuwde er

één, spottend wijzend op ’n kerel, die ’t zòò martelend benauwd had,

dat ie van z’n rug telkens op z’n buik draaide, uit de schaduwreep

wegwoelde, en eindelijk pal onder gloeisteken van zonnevuur, op den

rug, met oogendicht gezicht naar den hemel, voor dood bleef liggen. ’n

Ouë vent naast ’m zat recht òp, met z’n schouers tegen ’n haag, lijzig

te happen uit stukkenzak.

Sarrende bromvliegen gonsden om hun zweethoofden, loerend op

warmtewasem van nat vel. Drie kruiken gingen rond, en zwaar-gretig

klokten slokken verkookt water de heet-droge kelen in. Maar roerloos de

kerel op z’n rug, ùit de luwte gerold, met z’n kop naar den hemel,

armen boven z’n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij

kòn niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kòn niet spreken, te

machteloos zelfs om vliegendans op z’n dichtgeschroeide oogen en

bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van

lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half

vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte.—

Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten

laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in

lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke

hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. Naar den

zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen,

dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén.—Soms

poortten verschietjes òpen, als violette nisjes, ingediept onder ’t

akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve

boomschaduw te dommelen, loom van hitte.

Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand

gezet, ópenden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in

schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken dòòrvonkte.

Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van

licht, in sprookjesschemer.—Teergrijs en blauwpaars zengden òp de

akkers wat schuurdaken.—Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de

gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zòò fellen

zonschitter, zòò verblindend in uitstraling en fonkeling over de

naakt-lage bollenakkers, dat ’t was, of dààr ’n aardebrok begon weg te

gloeien, in ’t vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak

hemelblauw vlamde ’t daar, straal-sterrelend; ’n uitbarsting, of de zon

’n stuk lawa-leven van háár leven, zengender en trillender, in helle

fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde

aarde had neergestort.

En telkens uit de zijlanen, die in reuzekring van groen en schaduw om

de akkers dromden, stroomde zoete reuk áán van waggelende hooiwagens,

en meidoorn zwangerde z’n hartstochtaroom uit, als om Wiereland te

verzwelgen in geuren.

Soms, van de akkers àf te hooren, bonkerde in loomen waggel, ’n

hooiwagen langs de landhaag, nu en dan bij open plek, achter

boomstammen te zien, in ’t goudgestroom van z’n haren, zoetste hooirook

in den zonzwijmel van akkerbrand uitstortend.—Van boschkant uit, ergens

diep verborgen, verklonk koekoekzang, eentonig, toch vreemd-verhalend

van minne-romantiek. Eentonig ontroerend zong koekoek dóór, in de

gloeiende middaghitte, vreemd-lokkend geluid; optooverend visioen van

koel-groen boomendonker, waar, op dàtzelfde middaguur, nimfen

gevaarlijk-angstig stoeiden met van-zinnen-geschroeide faunen.—Geluid

dat òpriep, fantoom van koelend bladerenlommer, waarònder de nimfjes en

satyrs speelsch plasten in waterzilver; met schaterjubel kringdansten,

doorholden onder zilverende ruischfonteintjes, die kleurvonken

rondspoten, koel, in hun druppels-plengende kristallenspartel; en waar

al verder, al vèrder de nimfjes verzwierven, tusschen het lokkende

schemergroen, verloren in jagenden zinne-zwijm.—

Hooger weer nà schaft, steeg werkroes, ging er sneller schalenfonkel

over akkers.—Zwaar stonden de verbuilde karikatuur-zakken met

bollenvracht, op den paarsen grond, sterker rookten de voren van hitte,

sjouwden de kerels op en af de greppels naar de karren op ’t pad, in

stommen zwoeg met al geweldiger lasten op rug en hoofd. Nergens meer

ging één lang uitgehaalde ademhaal.—

Rooiers en plukkers, verbronsden in ’t late licht van avond. En breed,

in kringen, trokken de kleurgloeiingen en glansen over de akkers, rond

de werkers, die zwoegden tot in den nacht, in àl andere pracht en zwenk

van lichtspel, onder zwervende, oneindige fantasmagorie van het

ontzaglijke, stille wolkenleven.—

Menschenwee · 第 46 / 92 题