Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers woeste
rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld
met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, ’t gloeiend akkerzand in
klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend,
de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van
ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt,
verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z’n vroege
Juliglorie daverde hoog in ’t eindloos blauw, ingeschroeid in kringen
van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee
rond.—En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die
in dorre, schorre hette smachtten naar regen.—
Lèvende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als
groeven ze in lava, en ’t zengende licht koortste en kookte zóó, dat de
akkernevelen in ’t verre blauw wit en fijngrijzig vervloeiden van
warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in
woestijnige zonnemarteling, met den opengegraven grond al heeter
uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede
hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in ’t licht, rooibakken
éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend
metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in
gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde
kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van
wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische
plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar ’t pad, ladend de
zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw
gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in
woesten grabbel rukkend met hun vingers ’t zand open, wroetend dieper
den grond in, tot ze de bollen met heel ’t wortelennet, beklonterd fijn
gevezel, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende
rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen,
leeg in ’n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er
schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in
zonnevuur, met de groote zeven in de handen, waar bronzige stofwolken
onderuit stormden, òver gekromde ruggen en ingebukte koppen van rooiers
héenwarrelend in wilden stuif, dat àl de werkers, momenten weggedampt
vernevelden in ’t bronzige stofgoud, langzaam weer bijtrokken als
gestalten van ènkel licht.—
Het licht, in koortsige wellustgamma’s van kleurhitte, sloeg,
schroeide, bazuin-dreunde om hen heen, tegen ze áán.—De laaiende
zomerbrand regende z’n zonnevuur neer, rond en op de werkers, die
groefden, groèfden en woèlden in den akkergrond; in de gloei-heete
aarde die hen teisterde en martelde. Als bij rooversstoet in oostersche
sprook, ging er ’n graafdrift onder de stomme werkers, kampend tegen ’t
zonnevuur, om schatten te vinden, schatten op te delven, in koorts en
jacht van arbeid, bàng betrapt te worden door anderen. Knieën stramden
en pijnden als in zweer, polsen en handen kreunden stil. Gezwollen
kronkelden klauw-pezen, in bange paarse benauwing, en kreten van
werkersgramschap stootten òp dat zwollen kop-aderen en slapen. Hun
longenhijg trilde door de lucht als zachte zuchten van machienzuiger.
Maar alles toch van hùn ploeter smoorde tegen den grond, die uitbraakte
brand van zand. Dieper graaiden hun pijnvingers, feller gloeiden hun
polsen in de blakerende aarde, de aarde die zelf kreunde en kermde
onder den zwarten zwoeg der mannen; onder de orgieënde voluptueuse
lichtrazernij, den heerlijken, goddelijken almacht-brand van zon.
Doffer in den grond smakten hun klonterende bollen in de bakken en
fonkelschalen en stiller schoven hun knieën vóórt door de heete voren,
natrillend nog van hun lijfsvracht.—
Zóó, elken dag rondom den pluk van aardbei en erwt, lag het bollenland
in den gloeienden zwijmel van zomerbrand.
Elken nieuwen dag om hen heen, met z’n uitzwijmelend bloemenvuur,
gloeide in kleuren en glansen, bloedde in rood, goudde in warm geel als
een reuzig goud-dampend kerkraam, vàn de aarde geheven, hoog en
oneindig, tot in ’t hel-lichtende azuur. Elken dag in den brand van
zijn eigen kleurengloed, verrees als ’n reuzig kathedraal-venster, met
z’n scharlaken bloeding van vitrails en rosetten, in ’t laaiende licht.
Zóó zaligde de hemel in godlijk kobaltblauw, ’t azuur van
middeleeuwsche vitrails, in den azuren droom van heilige figuren. Zoo
kleurde de aarde in het zingende brons en extatische geel van z’n
gloeiende glas-verven, omdampt in den aureolenden goudglans van
altaarlicht.—
Zoò, in ’t bloedrood van ruitenbrand, als ontzàglijk kerkraam met z’n
bogen en gierlànden, vlamden de bloemende zonnedagen in ’t azuur,
gloeiend, kleurdampend en jubelend in de oneindige glorie van
zomerleven.
En daaronder stom, de werkers, de geloovers van den arbeid, de
zwijgende devoten van den machtigen zwoeg op ’t land.—Stommer en
gekneusder elken dag weer, schoven hun knieën door de voren, ’t
schitterheete zand. Dieper groeven hun klauwen den hitte-adem van de
aarde naar hun longen. En geweldiger in de zonnelaai ging het
schuurgeluid van hun zeven over de akkers, de wolkenstuif van het
bronzen zand òver hun gekromde ruggen. Alsof de aarde, de stille
rooiers nòg eens wou overstroomen met den trillenden zeng van haar
zonne-lava.—
Verder op ’t land, naar den zeeweg, stonden de werkers onder de
eindlooze hemelblauwing, met zware armhalen rottend loof van hyacinten
en krokussen weg te schoffelen, hun lichtgestalten uitlijnend in de
trillende hittelucht. Hoeken, in prachtigen kleurenschimmel, teer
pastel, toonfijn, als tinten van doffe poeier, lagen tusschen gerooide
bronzen akkers; loof dat zingend stierf in laatste kleurenkoorts. In
donzig groen-dòf en goudlila,—als er op oud hekwerk uitvocht,—pastelden
de akkers met rottend loof, verneuriënd ’n doodenzang van tinten
tusschen ’t fel-jubelende zomergroen van boomen, hagen en pluimgras.—
Duffe lucht van rot geblaar, als vunze stank van aardappelenkelder,
verstoofde in de zonnehitte, vervloeide tusschen de glansen van ’t oud
goudleer-rood en bronsgroen, dat zacht golfde en moireerde soms in
windwuif. Midden in den doodenzang van ’t bolblad, stonden de rooiers,
wegsliertend in woeste onverschilligheid de stervende bladeren, met
harkende, breede halen van hun blinkscherpe schoffels, ’t loof als vuil
ophoopend in de greppels. Van allen kant over de akkers, wiekten ààn,
in droomerige zwiertjes, kleur-teere vlinders, in lichtcier bemanteld,
fluweelen scheepkens van glansen, droomerig zeilend in luchteblauw,
zonder richting wiekvleugelend door het hittewaas, plots rustend op
zonnevonkend boomgroen van hagen, of verdwijnend tusschen getemperden
pastelgloed van ’t stervend loof.—Van allen kant kwam aanfladdering van
pauwoogjes, stralend prachtkoloriet van atalanta en goudvosjes, als
toef sidderschoone kleurenveeren uiteengewaaid over de
akkers.—Gloeinaakt schroeide ’t land, in wit-violette hette naar
horizon vernevelend, waar vèr, vlinderwiekjes met hun kleurgloed loomer
verzwijmelden in zoet rooksel van geurenden, zonnigen bloemendamp.—
Tegen half vier, op derde schoft, zakten de rooiers in hagenluwte neer.
Even rustten de gebroken polsen, gekneusde handen, zeere toppen. Schuw
van pijn, gingen de zwartgroene vermartelde klauwen, in gretigen hap,
naar ’t brood. Groepjes rengelden slaperig van uitputting, in mat-zoet
ledengerek. ’n Paar werkers wreven hard hun verstijfde knieën. Anderen
weer, nog stiller en strammer in hun kort schoft, schooierden plat op
den buik, in de half-schaduwende koelte van singelhoek, handen onder de
kin gehaakt, kop éven op, als bezwijmden starend zonder te zien, naar
akkers die vóór hen verblakerden.
—Daa’s ook ’n klus, kaik sàin te goàpe legge noà oàsem! schreeuwde er
één, spottend wijzend op ’n kerel, die ’t zòò martelend benauwd had,
dat ie van z’n rug telkens op z’n buik draaide, uit de schaduwreep
wegwoelde, en eindelijk pal onder gloeisteken van zonnevuur, op den
rug, met oogendicht gezicht naar den hemel, voor dood bleef liggen. ’n
Ouë vent naast ’m zat recht òp, met z’n schouers tegen ’n haag, lijzig
te happen uit stukkenzak.
Sarrende bromvliegen gonsden om hun zweethoofden, loerend op
warmtewasem van nat vel. Drie kruiken gingen rond, en zwaar-gretig
klokten slokken verkookt water de heet-droge kelen in. Maar roerloos de
kerel op z’n rug, ùit de luwte gerold, met z’n kop naar den hemel,
armen boven z’n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij
kòn niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kòn niet spreken, te
machteloos zelfs om vliegendans op z’n dichtgeschroeide oogen en
bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van
lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half
vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte.—
Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten
laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in
lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke
hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. Naar den
zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen,
dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén.—Soms
poortten verschietjes òpen, als violette nisjes, ingediept onder ’t
akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve
boomschaduw te dommelen, loom van hitte.
Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand
gezet, ópenden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in
schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken dòòrvonkte.
Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van
licht, in sprookjesschemer.—Teergrijs en blauwpaars zengden òp de
akkers wat schuurdaken.—Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de
gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zòò fellen
zonschitter, zòò verblindend in uitstraling en fonkeling over de
naakt-lage bollenakkers, dat ’t was, of dààr ’n aardebrok begon weg te
gloeien, in ’t vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak
hemelblauw vlamde ’t daar, straal-sterrelend; ’n uitbarsting, of de zon
’n stuk lawa-leven van háár leven, zengender en trillender, in helle
fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde
aarde had neergestort.
En telkens uit de zijlanen, die in reuzekring van groen en schaduw om
de akkers dromden, stroomde zoete reuk áán van waggelende hooiwagens,
en meidoorn zwangerde z’n hartstochtaroom uit, als om Wiereland te
verzwelgen in geuren.
Soms, van de akkers àf te hooren, bonkerde in loomen waggel, ’n
hooiwagen langs de landhaag, nu en dan bij open plek, achter
boomstammen te zien, in ’t goudgestroom van z’n haren, zoetste hooirook
in den zonzwijmel van akkerbrand uitstortend.—Van boschkant uit, ergens
diep verborgen, verklonk koekoekzang, eentonig, toch vreemd-verhalend
van minne-romantiek. Eentonig ontroerend zong koekoek dóór, in de
gloeiende middaghitte, vreemd-lokkend geluid; optooverend visioen van
koel-groen boomendonker, waar, op dàtzelfde middaguur, nimfen
gevaarlijk-angstig stoeiden met van-zinnen-geschroeide faunen.—Geluid
dat òpriep, fantoom van koelend bladerenlommer, waarònder de nimfjes en
satyrs speelsch plasten in waterzilver; met schaterjubel kringdansten,
doorholden onder zilverende ruischfonteintjes, die kleurvonken
rondspoten, koel, in hun druppels-plengende kristallenspartel; en waar
al verder, al vèrder de nimfjes verzwierven, tusschen het lokkende
schemergroen, verloren in jagenden zinne-zwijm.—
Hooger weer nà schaft, steeg werkroes, ging er sneller schalenfonkel
over akkers.—Zwaar stonden de verbuilde karikatuur-zakken met
bollenvracht, op den paarsen grond, sterker rookten de voren van hitte,
sjouwden de kerels op en af de greppels naar de karren op ’t pad, in
stommen zwoeg met al geweldiger lasten op rug en hoofd. Nergens meer
ging één lang uitgehaalde ademhaal.—
Rooiers en plukkers, verbronsden in ’t late licht van avond. En breed,
in kringen, trokken de kleurgloeiingen en glansen over de akkers, rond
de werkers, die zwoegden tot in den nacht, in àl andere pracht en zwenk
van lichtspel, onder zwervende, oneindige fantasmagorie van het
ontzaglijke, stille wolkenleven.—