Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde
rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen
bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers,
kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.
Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t
Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde
eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om
aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het
eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide
rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s
morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m
rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht.
Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes
eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken
vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat
meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig
padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw
boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers
oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de
ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde
groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar
achter zich uit:
—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,....
gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s!
—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.... heè?.... ’k hep nog boone
sneeë, oarebaie plukt!.... sloà stoke.... wortel skoomoakt.... f’skeur
dan je pampiere moar hee?....
Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de
dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien
doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers
van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt
vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar,
knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het
bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend
onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r
paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng
bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes
tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor
de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee
kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de
kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half
uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden
til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de
kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en
purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t
lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende
kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.
Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven,
pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige
rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en
dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende
groente ààn.—
Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte
bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank
stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig
bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens
donkergroen en zilver, als regenden ’r, in zwierigen val, zwermen
duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels
zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en
lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in
zacht-donzen vacht.
Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in
bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge
vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode
koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in
bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste
druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen
bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene
nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—
In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de
akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig
doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van
dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode
dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar
violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste
kleurpoeier.—
Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten
fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels
trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op
dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke
vruchten.
In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen
sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in
heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht,
weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid,
als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch
àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen
kleurfelheid.
Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met
aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.
Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en latten gerankt,
donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en
kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de
sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie-
en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige
wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.
Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in
citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op
stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om
zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n
schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen
zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen,
kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in,
rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool,
prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen
en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten,
gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—
De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange
schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine
zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en
pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t
zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei
van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen
zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei,
stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen
uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in
rooden brandwalm doorheen vlamt.
Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op
’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en
zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen
wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers
heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots
in ’t warme zonlicht uitschietend op open plek, kleurden hoeien en
beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige
bijtjes purend over de akkers.
Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had
zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig
starend op de vruchtjes.—
—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie
naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul
nuwt bloed hee?.... sloàn d’r de dinge uit t’r poote....
—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe,
komp bai de huur t’regt.... wa’ jou?... goeiïgde Jan, de dikbullige
jonge broer.—Nee.... die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.... ’n
happie.... da’ he’k f’murge van lust!...
—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.
—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien
wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?... Wâ he’k roepe
om half vier!... krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te
staike.... en Trien òòk nie....
—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie
t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.
—Krik f’rdorie.... jai kookt ook nie goar!... je skraiuwt van kruis en
munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.... mó’
je màin juùstig veur hebbe!... Nee, moeder hep hullie ’t netjes
lapt.... krik f’rdori!... se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge
puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set....
krik f’rdorie.... je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.... aa’s ’n
kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.... p’rdoes! en Trien....
die aêre.... nee.... die ha’ d’r slinger!...
Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes
in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden.
Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar
niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren
opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half
gekleed, met de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de
peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots
stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen
was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had
ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t
gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen
voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote
voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze
huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.
Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de
meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t
bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze
durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven.
Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in
’r stem.
—Nou.... bai Hulse en Toomaas magge de maissies.... magge sullie tut
vaif uur.... vaif uur sloape!... enne wai binne doodmoei.... wai kanne
nie woàkker om bai hallef vier.... ikke hep sukke bloare àn....
—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n
hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint,
of jullie sel ’t weute.... snurkers!
—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais
faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig
schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.
—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker
naast Jan uit,—’t is broeis hai?... saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo
hait had hep.... ikke leg te swemme puur in main swait hee?
—Nou, onwair da’ sî nog.... bromde Jan, naar de lucht kijkend waar
wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main
groote toon.
—Jou toon deug nie.... laa’k je nie in je nek naime....
—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig
pond!...
Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had
loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang
kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de
paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust
in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht,
waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—
Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen
kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers
heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel,
stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug
vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig
beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand
verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas
rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht,
en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik
aan de akkerpaden.
De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen
het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en
smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en
velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging
er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst
door hùn lijven.
Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd
gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n
plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de
paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die
heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en
stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend
zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers,
ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.
Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als
droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd; als stortte straks ’t
heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén
verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken
gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal,
telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange
gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.... dat ’t onweer afleiden
kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m
benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen... Hij moèst ’t doen
heen en terug, in de benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender
hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n
wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij
lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik
voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas
voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen
en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar
polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens
voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud
water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n
keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij
stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en
telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou
ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende,
dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en
z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige,
natte vuile warrel van verstroomende dingen.—
Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil
bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie
zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien
konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige,
wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had
gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem
wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het
waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere
middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich
verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten
niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t
luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon
pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond
ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook
bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er
niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—
Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde
om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.
—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde
angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders
nooit aansprak.
—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?
—Wee’k soo net nie.... wee’k soo net nie.... kaik de lucht hee?.. hoho!
die is t’met vuil!....
—Loop rond mi’ je lucht.... wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk
achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar
’t pad.
—Hier, neenet Kees, hier!.... soo... daa’s weer ’n aêre... boofe die
bak.... Net soo!... ik mo’ nog main boome ansette!
Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte
boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie
opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk.
Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor
bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en
zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer
wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en
kroppen.—
Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon
achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden
weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde
iets in de lucht, waarop ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer
ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n
tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend
en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t
niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en
nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht
inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat
voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen.
Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte
grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van
begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou
’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—
Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op
’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en
duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog
ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning,
schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om
karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen,
z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter
gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele
lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t
zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten
aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee,
mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig
wielgeraas.—
Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de
aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling
buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de
kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij
dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van
den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp
de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij
telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,
stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op
te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften
gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken
beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam
duwend, dùwend....
Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n
kar de Haven òp.—