VIERDE HOOFDSTUK.

Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde

rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen

bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers,

kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.

Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t

Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde

eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om

aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het

eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide

rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s

morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m

rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht.

Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes

eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken

vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat

meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig

padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw

boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers

oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de

ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde

groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar

achter zich uit:

—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,....

gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s!

—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.... heè?.... ’k hep nog boone

sneeë, oarebaie plukt!.... sloà stoke.... wortel skoomoakt.... f’skeur

dan je pampiere moar hee?....

Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de

dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien

doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers

van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt

vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar,

knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het

bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend

onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r

paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng

bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes

tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor

de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee

kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de

kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half

uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden

til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de

kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en

purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t

lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende

kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.

Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven,

pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige

rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en

dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende

groente ààn.—

Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte

bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank

stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig

bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens

donkergroen en zilver, als regenden ’r, in zwierigen val, zwermen

duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels

zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en

lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in

zacht-donzen vacht.

Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in

bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge

vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode

koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in

bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste

druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen

bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene

nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—

In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de

akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig

doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van

dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode

dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar

violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste

kleurpoeier.—

Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten

fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels

trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op

dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke

vruchten.

In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen

sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in

heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht,

weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid,

als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch

àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen

kleurfelheid.

Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met

aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.

Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en latten gerankt,

donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en

kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de

sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie-

en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige

wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.

Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in

citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op

stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om

zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n

schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen

zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen,

kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in,

rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool,

prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen

en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten,

gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—

De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange

schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine

zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en

pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t

zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei

van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen

zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei,

stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen

uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in

rooden brandwalm doorheen vlamt.

Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op

’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en

zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen

wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers

heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots

in ’t warme zonlicht uitschietend op open plek, kleurden hoeien en

beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige

bijtjes purend over de akkers.

Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had

zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig

starend op de vruchtjes.—

—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie

naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul

nuwt bloed hee?.... sloàn d’r de dinge uit t’r poote....

—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe,

komp bai de huur t’regt.... wa’ jou?... goeiïgde Jan, de dikbullige

jonge broer.—Nee.... die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.... ’n

happie.... da’ he’k f’murge van lust!...

—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.

—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien

wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?... Wâ he’k roepe

om half vier!... krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te

staike.... en Trien òòk nie....

—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie

t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.

—Krik f’rdorie.... jai kookt ook nie goar!... je skraiuwt van kruis en

munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.... mó’

je màin juùstig veur hebbe!... Nee, moeder hep hullie ’t netjes

lapt.... krik f’rdori!... se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge

puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set....

krik f’rdorie.... je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.... aa’s ’n

kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.... p’rdoes! en Trien....

die aêre.... nee.... die ha’ d’r slinger!...

Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes

in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden.

Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar

niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren

opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half

gekleed, met de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de

peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots

stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen

was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had

ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t

gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen

voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote

voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze

huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.

Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de

meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t

bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze

durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven.

Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in

’r stem.

—Nou.... bai Hulse en Toomaas magge de maissies.... magge sullie tut

vaif uur.... vaif uur sloape!... enne wai binne doodmoei.... wai kanne

nie woàkker om bai hallef vier.... ikke hep sukke bloare àn....

—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n

hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint,

of jullie sel ’t weute.... snurkers!

—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais

faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig

schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.

—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker

naast Jan uit,—’t is broeis hai?... saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo

hait had hep.... ikke leg te swemme puur in main swait hee?

—Nou, onwair da’ sî nog.... bromde Jan, naar de lucht kijkend waar

wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main

groote toon.

—Jou toon deug nie.... laa’k je nie in je nek naime....

—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig

pond!...

Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had

loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang

kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de

paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust

in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht,

waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—

Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen

kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers

heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel,

stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug

vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig

beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand

verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas

rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht,

en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik

aan de akkerpaden.

De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen

het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en

smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en

velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging

er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst

door hùn lijven.

Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd

gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n

plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de

paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die

heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en

stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend

zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers,

ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.

Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als

droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd; als stortte straks ’t

heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén

verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken

gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal,

telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange

gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.... dat ’t onweer afleiden

kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m

benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen... Hij moèst ’t doen

heen en terug, in de benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender

hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n

wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij

lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik

voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas

voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen

en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar

polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens

voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud

water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n

keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij

stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en

telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou

ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende,

dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en

z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige,

natte vuile warrel van verstroomende dingen.—

Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil

bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie

zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien

konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige,

wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had

gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem

wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het

waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere

middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich

verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten

niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t

luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon

pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond

ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook

bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er

niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—

Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde

om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.

—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde

angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders

nooit aansprak.

—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?

—Wee’k soo net nie.... wee’k soo net nie.... kaik de lucht hee?.. hoho!

die is t’met vuil!....

—Loop rond mi’ je lucht.... wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk

achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar

’t pad.

—Hier, neenet Kees, hier!.... soo... daa’s weer ’n aêre... boofe die

bak.... Net soo!... ik mo’ nog main boome ansette!

Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte

boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie

opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk.

Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor

bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en

zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer

wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en

kroppen.—

Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon

achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden

weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde

iets in de lucht, waarop ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer

ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n

tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend

en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t

niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en

nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht

inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat

voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen.

Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte

grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van

begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou

’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—

Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op

’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en

duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog

ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning,

schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om

karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen,

z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter

gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele

lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t

zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten

aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee,

mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig

wielgeraas.—

Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de

aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling

buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de

kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij

dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van

den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp

de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij

telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in,

stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op

te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften

gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken

beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam

duwend, dùwend....

Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n

kar de Haven òp.—

Menschenwee · 第 47 / 92 题