Zonnezang daverde over de gouden akkers!
Zomer- en werkroes in Wiereland en Duinkijk, steeg, stéég.
Aardbeihaal werd op z’n hevigst. Alles in huis lag vergeten,
verwaarloosd, vertrapt.—Elke lèvende hand moest graaien, elke rug moèst
bukken, elk hoofd verzengen in zon. Nergens was volk genoeg. Geld van
ontvangst kwam instroomen, verhitte de tuindersbazen, beduizelde hen,
als ademden ze in tooverland. Kindertjes van twee, drie jaar, liepen
tusschen wat ouderen, verwaarloosd als morsige honden, verstrooid in de
laantjes rond; schooierden op zon-doorzengde erfjes, die rookten van
hitte. Huishoudleven bleef in stàrende verwoesting, in de stille
smoorheete krotjes achter.—Vrouw en kinders, die éven maar wat
beseften, knielden en zwoegden in zonnegang van ochtend tot nacht,
gelijk òp met volwassenen. Midden tusschen den aardbeibrand zwollen de
doppers, de suikerraspers, zoetig en teer lichtgroen.
Tusschen den aardbeipluk kwam de erwtenhaal indringen. ’t Joeg, ’t
joeg. Als ze nòu niet gehaald wierden, groeiden ze te dik, zwollen of
verrotten ze in verpestenden honingdauw, die neerviel op de erwten en
heele regels in gelig-kleverig vocht verschroeide.—
’t Brandde ze in de handen de werkdrift, en zoo kwam nù, tusschen den
zwoeg van den aardbeipluk, de erwtenhaal.—
Zonnezang daverde rondom, elken dag heeter, schroeiender, uitdrogend de
akkers, waar ’t zand op blakerde als heet paarsgruis, bij ander
grondbrok soms, gelijk wit vuur, blink-hevig in stillen damp kokend.
De eerste gouden zomerjubel van wei en boom was weggelicht; gras en
blad verstoofden al zachtelijk in moordenden broeidag en overal langs
zeeweg en lanen, wolkte zand, verstikkend terugzuigend op hagen en
gebladerte, de nerven begravend onder dorre grauwe asch.
Barnende hitte in grijsblauwen hemel, grijs van warmte, wijd
uitstralend in fellen zeng, trilde over de werklijven, stom in hun
arbeid, nu zomer ging rondom branden en moorden.—
Hun koppen, vroeg al doorlanst van vuur, dat neerlaaide uit verblindend
fellen zonnekring, in witte gloeiing,—vlekten en gromden verwoest van
wrok en zweet, sjouw en inspanning. Hun lijven, doorkleft van zurig
nat, voelden verlamd, verweekt onder den brandheeten lichtval, die
dreunde en bazuinde om hen héén, in roostering van leven.—
In stil-sidderende Julihitte, stapte Kees om drie uur al z’n erf op.
Wimpie had er om gesmeekt buiten te zitten, elken dag nu. In ’n
krakend, gebarsten wagentje, dat Ant van ’n Wierelandsch notabele
gekregen had, zat Wim lang buiten de dampige kamerbenauwing. Heel
voorzichtig, terwijl Ant wat hompen brood sneed en de kinders, ontbloot
en vervuild, nog snurkten in de stikkend-broeiende bedsteetjes, droeg
Kees Wimpie naar ’t erfje, schoof ie ’t kapotte kinderwagentje met z’n
lammen kap, tegen ’t goud-okerende muurtje van z’n huis. Groenig-grauw
dorde Wim’s doodskopje, tegen de goud-paarse weerschijnen van
wandkleurig vochtspel; lag ook z’n lijfje pal in de zon, schuin onder
’t hooge raam, waarvan de vuil-bruine postrand, den heelen dag
doorzoemd kookte van groote, dikke razende vliegen, die kringden op ’t
heete ruit, dat gloeide als smidse. Fijn, boven z’n steen-bleeke ooren,
rankte lichtgroen, ciergebogen, de wilde wingerd.
Den heelen dag maar staarde ’t ventje voor zich uit, op den zandigen
zeeweg, in ’t verre prachtgroene duister van diepe kastanjelaan, in
tuin van Jonkheer van Ouwenaar, of bijzij, naar sparreboschjes en ’n
paar angstig krom-gewrongen knotwilgen vòòr aan den weg, groeiend hoog
in de lucht, met wortel-klauwen bloot, in kramp-greep tusschen ’t
duinzand uitvingerend.
Nou lachte ie, ’t zachtzinnige vrome kereltje, met z’n groote
droomvrome, groenblauwe oogen, wijd open; nog altijd in allerlei
variatietjes bepeinzend, uitroep van pastoor, dat ie gauw maar den
geluksstaat moest ingaan.—
En vredig in z’n eigen zieltjes-rust, zat ie in de zon te blakeren,
lekker en te kijken maar, roerloos, soms de vracht van z’n uitgemagerd
lijfje, onder z’n zweetende handjes voelend als ie stil krampte van
dijpijn.—Hij lachte tegen Kees, zachte, vreemd-ontroerende glimlach van
smartmenschje, heel zacht en vroeg-wijs. Vóór ’m had Kees ’n bak met
melk gezet, op ’n krukje, waar ie goed bij kon met z’n stok-magere
armpjes.
Stiller iederen ochtend, ’n zoen drukkend op z’n kopje, ging Kees weg,
voelend diep, dat ’t gedaan was met z’n Wimpie, z’n zoon, dat ie er
èlken dag grauwer, zwakker en beroerder ging uitzien. Wild kwam er weer
verzet tegen alles in ’m stormen, ’n woest blinde gift, ’n heete wrok
zonder dat ie zich uitte. En Wimpie glimlachte maar. Als ie niet te
vermoeid was neuriede z’n stemmetje uit ’t wagentje voor den zonnigen
oker-gouden muur; kringden boven z’n steenbleeke ooren glansen en
vochten op ’t prachtgeveltje, oud roodgoud, in groen-paarsen
weerschijn, gesmoorde jubel van kleurtonen, er ingestreeld, door
wond’re ragge stift van teedersten penseeler.—
Tegen vijf uur elken ochtend, ging Ant weg ná Kees, ’n uur den zeekant
òp naar verre akkers, waar ’n tuinder ’r gehuurd had voor den
erwtenpluk. Vóór ze vertrok, knuffelde ze Wimpie nog wat, bad ze
koortsig in haast, vloekte en schold ze in driftige geprikkeldheid
onder ’t wakkerschudden en opstooten tegen de andere kooters. Al de
kleintjes, van één tot vijf, bleven ongewasschen den heelen dag
rondluieren, schooierig en verklierd op ’t erf, of in de laantjes. Hun
gezichtjes, korsterig, pukkelden, klierden en ’n paar, van drie en
vier, met vuurrood haar, waren zóó bestrooid met groote sproeten, onder
oogen en neus, dat ze bruin leken. Bedilzuchtig Grietje van zes jaar,
kinderlijk miniatuur-moedertje, en vrouw Rams, pasten op de kooters.
Maar vuiler daardoor dwaalden ze rond, met bloote lijfjes en voetjes,
in gescheurde vodderokjes, die hevig stonken naar vuil zand, scharlucht
en poonen.—
Van negen ’s morgens tot ’s middags drie was Dientje aan ’t venten met
visch. Dan dadelijk kwam ze plukken bij ’n tuinder tot zeven uur ’s
avonds. Op marktavonden joeg grootmoeder ’r nà zeven weer naar de
Haven, wéér met ’r stinkende poontjes en nog stinkender scharren. Dan
had vrouw Rams de handen vrijer, bleef zij alleen met de kinderen over.
Schooierig zwalkten die dan nog rond, kijvend, vechtend en grienend.
Soms ’n uurtje, paste Jans op de kleinste, pàs van de flesch.—
Vermorst met zwart-modderig grientronietje zat ’t notendopje in
gebroken mestkar op ’t erf, naast Wimpie, uren achtereen te krijschen,
huilstootend in stuipende zuigelingsdrift, als spoog ’t d’r longetjes
uit,—meestal niet gehoord, en verwaarloosd door half blinde
grootmoeder.
Ouë Rams bleef den ganschen dag roerloos, achter ’t bij plekken
fel-doorzonde cellige raam neergeblokt, in den kamerhoek waar zomers de
poonen en scharrebosjes tegen den vuilen muur vastgehaakt, hun
schrikkelijk rotten stank uithijgden. Bedorven vischlucht zoog door ’t
lage groen-duistere vertrek.—Rams rook niets, zag niets, vervlijmde
hoest-scheuren, slikte rochelslijm in, bleef na elke vlaag die z’n
bovenlijf overeindkromde, in sidder éven vergrauwd-rood, nakrampen z’n
armen en beenen.—Uitgerocheld, zakte ie weer wat lager terug in z’n
stoel, schoven z’n oogen net onder raamrichel dat ie niets meer van ’t
tuin-buiten zien kon, de koperen knoopen van z’n vuil rood
jekkerkraagje alleen bleven zon-fonkelen, als twee gloei-gouden oogen.
Zoo hitten, kleurden of regenstroomden de dagen vóór ’m wèg zonder dat
’r iets anders in ’m bewoog, dan de zuigende pruim in z’n mond, met
smakkende tongpunt van één naar anderen hoek overgewerkt.—Stil staarde
ie, verloren in loomen leefgang van ’n koe, half bewust, versuft z’n
tanigen kop na elke hoestbui dichter tegen venstermuurtje drukkend;
muurtje dat ziedde in zonnegloei; zoo vermummiede z’n neergeblokt
krommig lijf in groenachtig kamerduister, doorschept reflexlicht van
boomen; walmde de rotvuile vischstank van verterende scharren in de
zomerhitte rond ’m heen, als lag in de schuwe donkere balkkamer ’n lijk
te ontbinden.
Zóó, elken dag bleef Wimpie moederziel alleen, huilde hij soms als ie
zonnetje zag wegduisteren en de groene sparrenboschjes, onder
zwaardreigende, angstige onweerslucht, vóór ’m versomberden. Bij iedere
regenbui kwam, tastend en stootend, vrouw Rams ’m wegrollen op z’n
wagentje ’t achterend in, bij ’t pleehok, waar ie bleef tot de regen
had uitgeruischt. Door smeek en huil verteederd, reed ze’m dan weer ruw
en brommerig, onzeker en waggelend terug, tegen ’t muurtje buiten. Maar
niets, op zulke dagen, zei hij ’s avonds van z’n leed tegen Ant of
Kees. ’t Kereltje giste wèl, begreep goed, maar hield ’t
stil-in-zichzelf, dat moeder weg moèst, om wat bij te verdienen,
misschien ’n paar centen over te leggen voor de eerste wintermaanden,
als vader niets om handen had.
’s Avonds, tegen half negen kwam Ant thuis. Nog morsiger dan in den
ochtend, kringden de kinderen om ’r heen, doken ze allemaal een voor
een òp, van allen kant, uit laantjes of erfje, alsof ze roken dat ’r
wat te bikken viel. Maar Ant, half vermoord en doodelijk uitgeput van
hette, ’t zwangere lijf als ’n zware vracht voor d’r buik, zakte op ’n
stoel neer naast Wimpie, kleine hijgjes uitstootend uit dor vertrokken,
heet-murvenden mond, zonder ’n woord te kunnen uitbrengen.—Ze keek niet
om naar d’r kooters, had alleen oog voor Wimpie, dien ze stil toeknikte
soms. Vrouw Rams, nijdig en duwerig in ’r kwaadaardige halfblindheid,
kippigde om ’r dochter heen, nu en dan ’n donker kindergestaltetje van
Ant afstootend, als ze ’t zag schaduwen of honger-stemmetjes hoorde
drensen. Telkens stopte ze ’r éen ’n bonk brood in de hand, tastend met
d’r zoek-vingers langs gezichtje en lijfje of ze soms al hadden
gekregen. Voor d’r man, op raamrand, zette ze ’n bord waterige pap
neer, zonder ’n woord te zeggen.—Jans had ze gepakt en toegeschreeuwd
dat ze op de kleintjes moest loeren met bidden. Eindelijk in
armkrommigen tast, pasjes-schuifelend kamer in en uit, bracht ze ook
d’r dochter ’n bord eten, warm groentekliekje van middagmaal. Maar geen
hap kon Ant doen van uitputting. Eerst ’n uurtje rustig bleef ze
zitten, kwam ze van zelf ’n handje bij, keek ze vrindlijker naar
Wimpie, streelde ze ’m ’n paar maal over z’n doodskopje, dat ie weer
neuriede uit z’n vereenzaming; vroeg ze’m, moe en kort, of ie erge pijn
had gevoeld vandaag, of alles goed gegaan was. Soms, plots in woeste
driftprikkeling, gaf ze ’n woedenden snauw naar ’n wurm dat ’r
bezanikte, of barstte ze uit tegen krijschend dreumesje.—Dan vroeg ze
weer, stil in onrustigen ademhaal, en zacht op-en-neer-beweeg van ’r
hangbuik, d’r ventje wat. Om negen uur, soms tien, kwam Dientje thuis
van de Haven, met ’r ventgeld warm gekneusd in d’r zweethandje; bracht
ze terug overgebleven poonen en scharren. Walgelijke lucht, als van
vuile bokkingen en rottend, zoet bloedstankig vleesch, wasemde van ’r
lijfje de kamer in. Hevig stonk ’t kind-karkasje, d’r vunze kleertjes,
en wat ze aanraakte luchtte mee. Maar niet éen van de Hassels die ’t
rook, alleen werd Kees er nu en dan misselijk van. Soms als lekkernij,
mocht Wimpie ’n poontje zuigen, waar ie meestal geen trek in had. Maar
àt ie ’r één, dan hongerden de kleine zusjes, met sluwe Jansie mee, in
’n stil rijtje voor z’n bedje; loerden alle oogjes gretig naar z’n
langzame eetbewegingen òp, als vuile hondjes die te wachten zitten,
geduldig-roerloos op afval; tot ze plots ruw weggeranseld werden door
Ant of vrouw Rams. Dan langzaam, na eersten schok, rijden ze weer áán,
stonden ze met kleine schuine hoofdgebaartjes loenschig en gulzig voor
’t zieke broertje, stiller nog dan éérst; smakkerend op de lipjes,
vechtend en trappend in worsteling op den steengrond, als Wimpie dan
hier, dan daar, speelsch ’n stukje visch of vel tusschen hen ingooide.
Zacht schaterde ’t ventje dan van pret, om hun driftige grimassen,
grijp-woedetjes, zoek-stooten en wilde hebzucht.
Dientje alleen bleef zitten bij ’t raam, doodop, achter ouë Rams, met
’r mand half open op den vloer, tot moeder ’r roepen zou om af te
rekenen. Maar versuft bleef Ant zitten, als lamgeranseld in ’r stoel,
niet opkùnnend met d’r zacht zwabberenden hangbuik.
Schemering duisterde de kamer in, waar duffe benauwing van versmoorde
zomerlucht in rondrookte, tusschen vunzigen scharstank en
poonenbroeisel. Telkens sulde Dientje met ’r slaaphoofdje tegen muur,
zacht-ronkend in ’t zware kamerduister. Even voor Kees’ komst stak
moeder Rams, beverig en tastend, ’t lampje op, begon Ant àf te tellen,
stond klein-versmald ’t bleeke slaaptronietje van Dientje naast ’r
moeder. Angstig-ingekneld had ze de centjes nog in ’r hand kleven; lei
ze alles in treuzelige rijtjes op de tafel, dat Ant maar te tellen had,
dadelijk kon zien wat ’r verkocht was. En al wist ze dat ’t uitkwam, al
had ze ’t honderdmaal zelf over gerekend, toch ieder keer weer beefde
kindeke van angst, dat ’r wat te min zou zijn.
Kindertjes rondom in de bedsteeën lagen al te snorken, hun lijfjes
tegen elkaar verbroeiend.
Doodop nog, knielde Dientje met ’r bleek uitgeputte gezichtje naar den
schoorsteen, òpstarend naar ’t krucifix, klonk dofmummelend ’r gebed,
teemige gewoontewoordjes, half in slaapwegsullend van de heete dorstige
lipjes. In dommel slingerde ze ’r handjes ’t wijwaterbakje in, boven
Wimpie’s ledekantje, stapte naar ’t bedsteetje, waar ze ’n plaatsje
opendrong tusschen drie naaktgewoelde, stinkende kleintjes.
Ouë Rams en grootmoeder waren naar bed gestapt in hun vuns gangetje.
Daar broeide de hitte nog na, verduft als dampte er ’n warme bron open.
Tegen half elf kwam Kees van de Haven. Z’n gezicht stond grauw van
vermoeienis en verdroogd zweet. Hij beet zich op z’n dunne lippen, uit
stillen wrevel. Geen woord dan werd gesproken. Alleen Wimpie, uit z’n
donker hokje staarde levendig-angstig, van vader naar moeder, stil, met
schraperig neusgeluidje van z’n zwakke korte ademhaaltjes. Op tafel lag
’n half tarfje met roggebrood voor Kees. Loom greep ie ’r naar, en
loomer nog hapte ie ’r in, met breede sperring van stille kaken, lijzig
kauwend, te vermoeid om te malen. Ingeslonken, z’n lijf gebroken van
hitte en uitputting, bleef ie zitten, zonder klacht, stom.
Geen woord klonk tusschen man en vrouw òp. Z’n brood-slikkingen en
kauwgeluid alleen, ver-zuchtte in ’t krot.—Ant bleef hijgend-ademen,
met ’r handen aemechtig op ’r gezwollen buik gekruist, in zacht
duimgeschuif. Dientje lag in ’t bedje wakker, als was met ’r instappen
de slaap plots verdwenen. Ze voelde zich naar in ’r hoofdje, maar
durfde niets zeggen, blij toch dat ze eindelijk lag.—Heete handjes van
zusje, in blind gewoel op haar neergezakt, brandden op d’r lijfje. Maar
stil liet ze de pootjes liggen, te òp en te stikwarm om zich te
bewegen. Stom rekte Kees zich van z’n stoel overeind, in
arm-rengelenden gaap gooide ie z’n jekker en kiel in ’n hoek, dat z’n
schouders in kale zeemanstrui uitschonkten, drukte ie z’n handrug nog
even zacht op ’t klamme kopje van Wim.—In één sprong òver ’t kleintje
heen, dat tusschen hen in sliep lag ie in z’n smoorheet slaapholletje,
te beroerd, te gekookt en gestriemd van pijn, om z’n broek uit te
trekken.—
Langzaam, met paffe gebaren, wrong Ant zich hijgend, zuchtend van ’r
stoel. Zacht, bij elken pas wiegde ’r buik mee, holden ’r lendenen en
telkens met ’r handen veegde ze tranen van ’t goor-mager gezicht.
Altijd in ’r zwangerschap, voelde ze zich weeker en angstiger, zag ze
altijd vizioen van ’n ongeluk boven ’r hoofd hangen. Zacht zoende ze
Wimpie, nog eens, en nog eens, lei ze ’t kleintje, dat tegen Kees’
stinkende pilowbroek was afgezakt met z’n snuitje wat recht, en stapte
na knielgebed voor krucifix, en in verplechtiging van wijwaterkruisje,
geradbraakt van pijngevoel in ’r doorstoofd slaapkrotje.
Ze had trui van Kees nog moeten uitspoelen, zijn en haar hemd, en van
Wimpie nog wat goed, maar ze vòelde dat ’t niet ging, dat ze ’r achter
bezwijmen zou. Uitstellen maar, uitstellen en nou slapen, als ’t kind
dat doorbrand was van zuur, d’r tenminste niet de ooren kwam
volkrijschen van nacht.—