Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en
worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late
plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van
kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen
verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel
vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te
drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete
grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den
spoordijk.—
Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans,
vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde
man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne
lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder
purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die
verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van
aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van
alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód,
in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch
vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n
uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger,
tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de
vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—
Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al te wiegen lag in
zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete
kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t
hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en
botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer
verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van
scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van
nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de
karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om
verder te lossen.
Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in
nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke
grashalm heilig nachtgebed uit.
Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre,
uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel
van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als
heimwee-zoete herderszang.
En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud
uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur
gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren
glansen heiligend doorheenzwierden.—