TWEEDE HOOFDSTUK.

De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar

toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en

langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers

uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten,

vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes,

omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en

gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen

eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.

De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de

kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij

hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere

zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen

aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog

de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.

Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in

herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde.

Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers

van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend,

spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar

geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene

akkerland.

Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd

in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen,

was herrezen dáár, uit eerst groene, stil-mijmerende aarde, een

lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een

mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken

dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in

wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende

glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong

een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de

warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.

Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel,

bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende

bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend

paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.

Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden

in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht,

verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte

zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En

weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere

akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende

anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels,

kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep

dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van

korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes

met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van

doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige

kleuren-kelkjes verfonkelend.—

Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten,

wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren,

verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in

jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als

voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t

dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden

zonnedroom.

De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen, overal

ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren,

doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der

vruchtjes.

Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond,

die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als

beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het

lage bladerdiep.—

Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige

kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en

mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit

zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring,

kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis,

tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in

zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken,

anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van

al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.

Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen

ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen,

bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.

Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de

nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:

—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi

sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De

kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog

vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de

schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—

Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de

groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de

rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig

doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden

in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige

kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in

zonneschitter. Telkens, de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de

vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes,

volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.—

—He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.

’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt

op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden,

smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep

van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat

de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers

voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden

tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”,

achter hun hielen neerbouwend.—

Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en

lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en

vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t

loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes.

Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte

mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende

omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode

zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende

hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal

tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van

zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en

wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van

reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige

barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet,

tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden

zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en

dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde,

lekte, smeulde.

Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van

aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de

handjes gezwollen van greep en pluk, ging één zoet-zalige stroom van

rooden geurdamp zwoel over de akkers.

Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n

anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe

familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak

’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf

ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit

te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot

op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie

met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend,

de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen

toch.

Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar

vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.... Dá’ stopte ie

zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo

slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n

swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies,

deurvrete van oardevlooi.... En nog meer!.... s’n uitjes.. stonge

slecht.. tedicht op malkoar soait.... weer skult van Piet.... hep ’t

soo wille.... enne.... van de somerandaifie.. kwam ook nie veul....

most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.... skuld van die f’rekt slechte

woàteràfvoer....

—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’

nog bosse veur f’nòafed.... hai hep de mande, veur àftetarre an de

hoàfe....

Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad

toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette

uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers

voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk,

met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden

stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In

wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig.

Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes en lanen òver naar

akkers, door de geurnevelen héén.—

In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder

òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk

weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag;

liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de

gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.

Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan.

Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje

kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.

Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die

droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten

de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in

opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van

vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in

zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in

stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide

boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen

weerschijn.—

Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n

berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er

wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n

andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol,

maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de

jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich

plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.

Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n

eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed,

als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas.

Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de

akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n

begeerte van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de

centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet

wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.—

—Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies....

Gain raipe hoho!.... die naim tie puur nie.... had de Ouë, om half vier

uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.

Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit

gekneusde knieën brandde.

Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw

jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de

paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien

breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om

’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r

harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel

achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe

plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.

Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en

hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde

de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan

den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond,

naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem

uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge

mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t

groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw,

verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in,

schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer

nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand;

vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het

smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers

stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar

alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde,

hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte vruchtpurper, tusschen

het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en

hagen.—

Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers,

sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend,

warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn,

gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den

pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst

van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel

ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling

van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel

telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—

Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met

blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte

bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende

zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze

hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.

—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp

spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine

gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een

knuisje in de rugstuit gedrukt.

—Nou seg, mô’ je main knieë voele.... die binne heuldegoar deur t’met.

—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n

heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den

rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te

werken.

Zachter wrevelde ’r stem na:

—Kaik! Willem loert al.... aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin

jullie d’r bai.... bai foader!....

De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t

bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere

lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje,

met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos at ze wat

aardbeiën uit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te

zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen,

wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de

luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje.

Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r

smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met

’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed

naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen

het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode

vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.

De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens

wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te

graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen

worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen,

nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf.

Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur,

tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over

de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En

tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van

het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein

als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond

van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht

wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t

zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend

op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd

en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door

boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat

tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde.

Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van

vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder,

donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms, beefde

zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar

kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel

tegelijk.—

Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als

blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen

groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen.

Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t

gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker

met bakken áán en af.

—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst....

sullie naime f’rdomme soo nie.... motte onderweg puur-en-raipe.... ’t

is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait....

—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne....

—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.... kaik die!.. kaik diè!..

Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met

z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn

tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.

—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene

buikies....

—Daa’s net.... f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op

maid.. blaif d’r òf.... ikke lief dá’ nie....

—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!....

—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.... gromde de Ouë van z’n bed

af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze

verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat

extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels

’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te

antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën

afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen

van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar plakte op z’n stompe

voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in

lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar

dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er

inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile

broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar

schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die

pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den

werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand

onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie

telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe

lijf niet meer dragen kon.

—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.... die son f’doag! main

nek stoan puur in brand!....

—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot...

—Debies! main knieë sain deurmidde.... aa’s ’k katteliek waa’s lie’k

main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker,

die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—

Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde,

giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en

martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen

dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden

buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet

afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais

most boene, mi’ wa’ woater....

—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.

—F’noafed is d’r gain tait.... hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen

den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.... moar hè je nou

puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.... mi je

skietgebedje.... G’loofd sai Jaisis Kristus.... en de hailige

sekreminte des oaltoàrs?....

—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?....

—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.... ik bin d’r hard

stikke-dood van.... main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid

hier Janse.... veur ’n f’rsnoàp’rinkie!

Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n

dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling

van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de

Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat

meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met

’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..

—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf

niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.... wai

doene ’t allegoar.... jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.

—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n

meroakel.... mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.

—Hoho!.... hoho!.... wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog

aa’s....

—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main

vast.. ’n kwassie smaire!

—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw

van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!

In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in

’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug

voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen

onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:

—Skreeuw moar nie.... set ’t nie op je heupe.... maan! moak goàr gain

relletjes.... aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!....

—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?

—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop,

die hep niks!.... goàr niks!

Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder omkijken, in

strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend,

tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n

gouden slof neer met trillend vuur.—

Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine,

rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met

goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den

middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en

smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als

wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde

zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De

luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de

kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de

hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en

kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al

meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de

duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten

glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met

zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp,

jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren

besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in

Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand

zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar

spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—

Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van

alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste

jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten

ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er

uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe

bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt

gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—

Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote kar met

verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en

manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de

mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den

weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht

hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de

handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun

loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf

in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.

Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van

tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper,

dat glansde als koralig licht-glimsel.—

Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd

door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t

spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar

groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.

Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren

áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden

rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper

vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de

aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden

zonneroes.

Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van

zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten,

trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel

en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten,

verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of

lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen

over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest

schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en

handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart

voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—

Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór

gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en

schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers,

kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen,

afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n

tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde,

woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op

grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè

weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur.

Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei

op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar

inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar

afgeladen was.

De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van

zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als

geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en

jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde

intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.

—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen

en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken

zweetveeg.

—De Kaiser!

—Wie?.. Piet of Willem?

—Willem!

—Achterweg?

—Welneenet!.. Slangetje!

—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel

geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.

—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals,

veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en

neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen

áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en

duwende kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien,

purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend

doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van

rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en

gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende

hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat

hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden

rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde

gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille

vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar

hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots

kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar

wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden

er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.—

—Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den

karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van

hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen

andere wagens in.

—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen

kontroleur, die nu op ’n ouë mand zat, met z’n bon-boek op de knieën

gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed

verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie

telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie

plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en

onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden

de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil

overwaaide weegtoestel.

—Acht honderd kilo van?....

—Joapeke!

—Jaapeke uit?..

—Lemperweg!..

Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te

loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje op ’t blanke

schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu,

hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels,

vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de

binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke

z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal,

klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven

tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de

geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—

’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove

keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde

landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher,

die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op

néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.

’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter,

langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig

tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en

kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de

vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n

kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel

beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en

stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend

van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg,

kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze

hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat

langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord

verweer, wachtend op reçu.

Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van

den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de

kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend

telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te

schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen

langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige

moeder. Onder geschrijf en overgereik van bons aan tuinders, schoot

zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n

haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret,

’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte

in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde

ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw

buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r

niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig

opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers,

die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en

vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op

stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van

donkere wagons.—

Menschenwee · 第 42 / 92 题