II.

Snikhitte schroeide door Wierelandsche polderwei, toen ’s middags Dirk,

Kees en helpertje naar hun hooidijk stapten.—Oneindig in wijden kring

van wasemend goudlicht, lag jonge bouwgrond aan een kant van den weg,

omfloerst in vochtnevel naar horizon, doorbroken van stukken teelgrond.

En ver, oneindig, aan andere zij, stil weiland, met gitglans van ’n

eenzaam koebeest, ’t hoog behalmend gras, in roestige bevlamming van

wilde zuring. Strakblauw, doortrild van zomerbrand, spande de lucht,

wijd als ’t land, overstolpend den polder. Dwars door landerijen achter

dijkige hoogte, ging glans-felle kabbeling van kanaalwater, naast ’n

stuifpad, dat blank brandde in zonnige, heete zanderigheid.—

Masten daar met, achter dijkgroen weggezakte scheepsrompen, schoven

voort, als over de verre grasvlakte, tusschen fonkeling en wiegeling

van riet. Blanke en goudbrons-brandende roest-zeilen met rag touwwerk,

bewogen door de weien van groen-goue waas, vreemd-kleurig, in sprokige

grilligheid. Aan alle horizonbochten rond, in oneindigen kring, trilde

wazige hitte, nevelig goud-violette floersen, téér naderend lichter

sferen van zonnebrand, die schroeide de velden in blauwigen damp. En

snikkend, gloeizwaar, bazuinde ’t licht boven de grashalmen, sidderde

’t boven jonge, tooverteer grijsblauwe haver en rogge-akkers, vlamde en

spieste ’t op de jonge goudene mosterdvelden, in lichtstuivenden gloed

van bloesems.—Fel, als wit vuur, dat koorts-gloeide en in sidder van

heet-brandende stralen en vlammen rondschroeide door de lucht; als bol

van ènkel razende witte gloeiing, zengde de zon in het blauw, met z’n

okerende kringen, z’n vlammig violet, waar niet tegen op te staren was;

licht dat werkers-oogen verbrandde, als viel er heete kalk in hun

appels. Overal rond, in den polder, ijlde en koortste ’t licht, sloeg

’t de dakjes van boerenstulp in vlam, hel hevig schaterend rood, dat ze

trilden en gloeiden als vuur-vlakken in luchtblauw, ’t hemelvuur zèlf

doorbevend van hittewaas.—

Polderweg, met z’n heet-zanderige keitjes en klinkers voorààn, lag

geblakerd als reep wit vuur in blink-strakken zeng. Hitte dampte uit de

steentjes òp.—Langzaam stoof rullige zandstof achter eenzamen

boerenwagen aan, langzaam, in loome zwaarte weer neerpoeierend over

grasgroen en riet. Nergens koelde schaduw. Hier en daar, in eng

boomkringetje om boerderij, alleen wat blauwige korte silhouetjes op

heetdampenden grasgrond, weer weggezogen half, midden in vuurkring van

goudwit hettelicht.—

Al verder, wààr de kerels stapten, lagen brokken wei, doorvonkt van

boterbloem, hoog goudgelen spat van lichtjes, tusschen grasgroen en

zuring. Hééle hoeken ver, vervloeiden in bronzige zilvering van

siergras, dat wuifde en huifde zacht. Licht wierookte daar zilverend

uit, verderop plots doorvlamd van zuringzee, bronsgoud, waar roode

glans over heenhuiverde, als windestroom verwoei, en suizelende

fluistergolving door heel den polder aanvloeien kwam, er droomgeruisch

ging uit groei van halmen.

Op hooge dijken, achter verre forten, die groenend ophoogden in de

vlakke stilte, figuurden groepjes maaiers, hoog in de blauwe, trillende

hittelucht, achter elkaar, in één slingering, één

rhytmisch-breed-uitwaaierende kring van armen, met even ingebogen lijf,

goudoverstroomd van licht. En niets anders van ze te zien, heel in de

verte, dan de kadans van hun armenzwaai, en fijne neig der beenen, als

lichtend uitgehouwen in de oneindigheid van schittergroen en

hemelblauw.—

Overal, aan alle zij, onder den polderhemel, wijd als zeeazuur, zalig

en lichtend, figuurden de maaiers in pracht van gebaar. En dichterbij,

op ’t vlakke land, zilvervlamden als verspringende en rondgeslingerde

bliksems, hun blinkzeisen. Nu en dan klonk scherpe rasp van het mes

door ’t neer-knikkende gras, in één rhytme-zwaai uitzwierend hun zeis,

als drong er hooge maatgang in hun arbeid, rhytmisch in hun handen,

tempo en zang in hun fonkelend gereedschap.

Als ze elkaar van ver iets toeriepen, verwaaide lichtelijk hun

stemmeklank over de wei, zangerig in ’t zonnedronkene gouden

polderruim.

Telkens van ver, één uit de maaiersgroep hief hoog z’n zeis, die stil

dan stond te fonkelgloeien als zilveren vlam en plots, wen strijkers

vlijmden langs ’t staal, trilde en zonbliksemde, weerlichten afketste

in flitsen; zangerige galmen door de blauwe luchtzee verzwierven.

Op zandgrond, snikheet, met kittelsteen midden in, die te gloeien

stipten als kogeltjes wit vuur, knerpte en knarste zware klompensjok

van Dirk, klonk doffe stap van Kees, die aan stofkant liep. Achter de

fortvuurlijn lag hun dijk, nog niet te zien in de wegkromming.

Verheiligd ruischte de stilte-muziek van de weien om hun sjoklijven en

in schroeiblaker kookte zonne-oven z’n hitte-adem neer op hun

gezichten, beenen, armen en rug. Ze konden bijna niet meer. Rug en

hoofd dropen van zweet, en dòòr schroeide zon, op den overal ziedenden

polder, dat ’t bloed ze brandde onder de huid.

Eindelijk, na twee uur zwaren, loomen gang, met ingebogen knieën

klompklotsend in stikkigen zandstuif, naast elkaar, hoogde hun dijk in

’t zicht. Vlak daarvóór, wiegelglansden de jonge korenhalmen in

huivering van leefgenot, groenig grijs, in toover van lichtdauw

beplengd; ging er vloeiende golving door de halmen, koelend in zachten

fluister, suizend rond de verre stilte, groeizang van de aarde,

fluisterzang en suizel, stem van de stilte, heiligend boven het

eindelooze vruchtbare werk der boeren.

Vlak naast den dijk waar de Hassels hun hooi op hoop gingen zetten,

stonden vijf maaiers, met één kleintje, knie-diep gezakt in de hooge,

golvend blonde graszee. Gelijk’lijk, in gevoelden maatgang neigden hun

ingebogen beenen, vlijmde en raspte hun sissende sneeslag, door ’t

blond-hooge gras. Stap voor stap drongen ze voort, zich zelf zettend in

den goud-lichtenden kring van hun arbeid, één rhytmus, de zeis scherend

langs den grond, naast elkaar, als doorvlijmde en schoren zij de aarde.

Vóór hun borsten de sidderende grashalmen, zee van goudbronzen golving,

doorvlamd van zuring, neerknakkend in één vlijmsnee, getroffen plots,

door flits en fonkel-slag van zonnesikkels.—Mannetjes klein, naast

elkaar, met even slag van zeis-ruimte tusschen de lichamen, de

gezichten doorbronsd, met schaduw van kleine hoedjes op bloot-bronzen

nekken. Mannetjes klein, vóór de graszee, met heet hemd-rood van

uitproppende mouw onder kiel, hun pilo en zwarte broeken, half

verzonken in ’t blonde gras, tusschen zilveren bevertjes en weeldetooi

van groei; of naakter ten voeten uitstaand, op ’t kale afgeschoren

lichter gemaaide weigroen,—zóó ging hun stap, hun rustige gang, ’t

gegolf tegemoet, borsthoog. En vol, door trillende hittelucht en

hoogblauw azuur, klonk zeisenzang. Telkens van meer dan één zen,

fonkelstreepte wit bliksemlicht àf door wei-oneindigheid, leken de

maaiers overstroomd en verzwolgen in kokend, neerschroeiend zonnevuur,

en sidderde golvenvloei van graszee. Maar aldoor weer, in al andere

hoeken, de zee ebde terug, onder den zonne-sikkelenden slag der

maaiers, vlak onder hun warme voeten uitgroenend in hoogeren gloed.—

Achter den dijk nu, waar de Hassels werken gingen, aan linker polderzij

ver, rondom, rondom, rijde weer maaier naast maaier. Eén groepje in

pracht van diep-rooden baai-brand van hemden, gloeyend traag-bloedend

in ’t zonnegoud, stond daar, de linkerarm verbogen om kruk, rechterhand

om korten dol, èven rechterbeen gratievol en zachtkens geheven, in

lichten kadans en meezwenk van linkerdij, ver de armen tèlkens in

àchterwaartschen zwaai, en rhytmisch in schommel naar vòren weer,

vlammende cirkels van zeisslag rondblinkend in wijdbeenschen trèk.

Halmen zwikten voor borst en beenen, in golvend zwad van goud, achter

hun brandende hielen aan. Zoo, in zeilend gebaar van hoogste pracht,

figuralen gang van zeisen, klonken ook uit dièn polderhoek op de

flitsende zens, in cirkelende scherpte, met vonkende booglijnen van ’t

mes, trillende bliksems weg-slangend van flikkerende zeispunt tot

zeispunt, heen en weer; ging er ritseling en schuifeling als gloeiende

sissen door ’t gras. Ook dààr braken de maaiers de golving, keerden zij

de deining, de eeuwige, van ver aanvloeiende graszee, ver-zwaden ze de

neer-gemaaide kringen, stapten ze voort, vaster, al verder, al vèrder

en kleiner in het zengend heet rood van hun hemdbaai, naar den

geweldigen horizon, die doorwaaid nevelde van gouen vochten, dampend

violet, omvlamd dan en weer door den wit-blauwen bliksem van opgeheven

zeis; verechode den zoetluidenden klank-zwier van hun strekels.

Prachtig in gouen golving bleef achter hen aanrijen ’t gemaaide zwad,

groenden fel-heet en glanzig-moireerende laaggeschoren hoeken, waar

spreeuwen-wacht uit òpzwermde, tuk op omgewoeld aas.

Dirk had ’t eerst z’n kiel losgerukt aan hals, pafbenauwd en hijgend

van hitte. Gretig greep ie naar drinkkruik die ’t helpertje op z’n rug

droeg. Heet, uit ’t verzengende blik, zoog ie ’t lauwe vocht op.—Met

genot was Kees ’n endje tegen koeltewindje ingeloopen op den dijk, dat

nu en dan over den schroeigrond luwde.

—Nou moste wai moar ophoàrke Dirk, en nie beginne woar jai stoan, riep

Kees.

Bestig vond Dirk dat. Die Kees, wâ die kerel tog werke kon. Allegoar

knapte ie hullie op. Verduufeld aa’s tie nie twee Piets en twee Dirke

veur sain rekening nam. Dá’ most ie tog eerlijk segge!

Onder ’t neergemaaid hooi haalde Dirk twee steekvorken uit.—Kees was

langzaam den langen hoogen dijk, die doorstoofd gloeide van

hoogovenhitte en hun voeten ver-blakerde, afgestapt; begon aan

slootkant, vlak bij het soms doodstille, dàn plots kopjeswiegelende

riet, te harken. Dirk en helpertje werkten aan anderen dijkkant in de

laagte, naast teeltbrok velderwten en boonen.

—Wá’ nat nog in soo’n hette hee?.... schreeuwde Dirk naar Kees, onder

het hoog uiteenzwaaien en opslingeren van ’t hooi, met witblinkenden

houten hark de lucht ingraaiend.

—Daa’s net, sel f’doag wel nie waier komme aa’s keere....

Laag aan Kees’ kant lag niets dan weiland, waar op alleen figuurden

donkere en in licht-zwemmende maaiers, zwart-brons, in kiel-fèl rood of

wit-bekleerd.

Alles beheerschte hun zwierkringen, tusschen het gesuis en gehuiver van

halmen, het blondgoud geglans van stengels en riet, de diepe

oneindigheid van hemelblauw rondom, de reuzenkom, met z’n eeuwige

stilte-druisch en lichtgespeel.—Den ganschen dag bleven Hassel’s harken

woelen in ’t broeiende hooi, in lichte opslingering en uitristeling der

afgevlijmde halmen, dat ze in hitteschroei al drooger kraakten onder

den stap der mannevoeten. En pal op hun nekken en koppen, die dropen en

parelden van heet zweet, doorzengden de gloeiharpoenen van zonnebol,

weerhaken met giftpunt van kokend licht in hun lichamen priemend, dat

er dolle gloei bruiste binnen in hun aderen.—Zonnevuur bleef uit ’t

diep azuur, trillend heet blauw, neerschroeien, piekend en martelend

hun vel, terugkaatsend in zeng van den grond op hun beenen, handen,

oogen, als werkten ze in vlammenrijk van cyklopen, in hellestraf overal

ingesloten tusschen hoogovens, die uit hun schroeiende muilen, lava en

kokend licht verkraterden.—Als blaasbalgde daàr, achter zonnevuurbol,

een demonenmuil de zonne-brand òp tot hoogeren helwitten gloei; als

ging de gouden aarde vervloeien in hemelsmidsen waarin de zon vuur

neerlekte, z’n vlamkronkels, z’n vlammebliksems van rood-wit, geel-wit,

groen-wit licht. En stiller na elken windluw, dorstig in snikhitte en

zomerbrand, stond roerloos ’t gewas, de brandende, goud-hevige

mosterdakkers, in schallend blakergoud, de jonge koornvelden, dampig

blauw-grijs van zware hette, de blank pluimige karwij, week geurend

door zoetige hooilucht, in broeisfeer van warmte-nevelen.—

Den volgenden dag om tien uur, stonden de Hassels weer op den dijk.

Verspreid op de hoogte, hooide ’n groep tuinders, die den boel haastig

moesten binnen hebben. De vroege zomerhitte was afgedreven.

Polderhemel, ontzaggelijk in wijdheid, wolkte zwaar betrokken. Weer

vreesden de mannen voor onweer en regens, eer één hooi binnen kon zijn.

Vandaag moest ’t op hoop, en als ’t kon, de dorsch ingereeën. ’n Week

later, zaten ze gesmoord in aardbeien, erwten, kwam de zware

ventdrukte. Dan kon er niks meer gehooid. De boeren, kalmer in arbeid,

hadden tijd, werkten rustiger aan hun hooibouw. Kees harkte weer, en

Dirk met helpertje zwaaide uitpluimende hooislierten de lucht in, als

blond gewolk. Zwaar paars-grauwe zwerklucht dreigde boven hun hoofden,

in ontzaglijke ruimte. Vèr, aan wazigen horizon, nevelend verzonken,

droomden torenspitsjes, vaag violet en donkerrood gedak van dorpjes en

boerderijtjes. Altaarstilte trilde wijd over het donker schaduwend

weigroen. Nu en dan wiegde zoet-lief gefluit òp van leeuwerik, de lucht

inzwierend hooge jubel, die uit de zilvergrauwe hemelzee neerzegende in

zwellenden klankenval, vervlietend over vlakte-eeuwigheid.—Even soms

geelde zon, ijlde schaduw in vlucht van adelaarswieken over de

kleur-treurende weien.

Lichtgroen, kortgeknipt kaal, vlekten en hoekten de gemaaide brokken,

tusschen de donkere, malsche sappigheid van uitgroeiend gras. Diepe

zwijmel van zoeten hooigeur woei uit, over polderzee, alle windkringen

mee, zoelde in prikkeling dàn als week-warme reuk van versch gebakken

brood, dàn als rozen-aroom en honingdauw.—Geurprikkeling vloeide over

de werkerskoppen, rondwentelend, verwaaiend en weer terugvloeiend in de

oneindige hemelkom en graszee van polder. Groot en geweldig uit verren

horizon stoetten áán, verbrokkelde wolkpoorten, waaronder wierookvaten

en zilveren wolklampen wazige glanzen te dampen brandden.—Goud-dof

geelden de mosterdakkers, en grijsteer vlekte karwij-sier tusschen

donk’re klaver en erwtenranken.

In wissel-licht van zwerkzwaar hemelruim, stonden de hooiers en

maaiers, dàn duister, als silhouetten, dàn oplichtend in stroomen

zilverig geglans, uit blauwe hemelgaten onder poortendrom

neerspuiend.—Breed hun machtig gebaar zeilde door de lucht, in

rhytmischen gang van zeisencirkeling, als dwongen ze de aarde tot

baren. En inniger, de naklank van zeiszang, galmde door de

kloosterheilige weistilte, als strekels vlijmden langs ’t staal.

Telkens donkerder, verreuzigden nù hun figuren in dreighemel onder

wisselspel van licht, en breeër wiegden hun kringen; stonden ze hoog,

bezwerend in devoot maaigebaar, wat met onvruchtbaarheid de velden

sloeg.—

Dieper en heiliger, elke minuut méér naar den avond, staarde de stilte

boven de vroomheid van hun zwoegkoppen, stiller en in siddering weer,

zweefden de handen in geheime kringen van arbeid, schuifelden hun

stappen, hieven de zeizen zich, en woelden òp de harken hooi, in den

onmeetlijken unisonen stilte-ruisch van aarde- en hemelzee.—En telkens

op àndere dagen, in ànder licht, stonden de hooiers onder woest paars

wolkspel. Nachten van paarse angsten, gedrochtlijke wolken trokken

voorbij, bòven hun hoofden. Plots daarachter uit, éven weer trillend

zomerlicht, blauw-bloeiend en jubelend. Dwars daar doorheen weer,

stille jacht van aanzilverende wolkdrommen, optrekkend, heel van verre

horizonbrand, opjagend, in verduisterende dreiging en rond-donkerend de

reuzige polderkom. Niets beefde in de stilte dan de raspige, rits’lende

vlijmsnee van de zeisen, de maaiers plots reuzig bijéén op dijkengroen,

donker en ver, in duisteren heersch over het onrustige aardleven.—

Dan het ritselend, krakerig gestoei van opwolkend hooi, dofblond

geslier door ’t luchtangstige zwerk; dieper en plechtiger daarin, de

groote werkzwijg der zwoegers, eenzaam in ’t zilvergrauw van stille

hemelzee.

In aandacht sloeg Kees z’n hark òm, werkte Dirk, en verderop, al de

hooiers slierten geuren in den wind, met de woelige lijn van blanke

harken door de lucht. Plots brak sterker zon door, dampten de wolken

wèg in zilverige zoomen, kleurde feller òp karwijbloei, sneeuwig;

fonkelde de mosterd, hoog schallend-goudgeel, dampten de akkers in

diep-groen, vloeide, stoeide en dartelde ’t licht weer over de

werklijven. Zeisen bliksemden weer in de lucht, en glans van heiligheid

vloeide weer over de geweldige werkdaad van maaiers en hooiers.

Dagen aanéén bleef ’t hooien op de dijken, in zonnedavering of

zilvergrauw, de kerels in zwijg, tusschen de eeuwige stilte van

eindloos land en hemel. Sterker stoeiden en wiegden de glansen,

gebroken en vernevelend, gedrenkt in hooigeur, in diep zalige reuken

van bloeiend jong zomergenot, dat zwijmelend en luchtig leefde vóór

broeihitte en zonnevuur hèviger neerschroeien kwam op polder; laaiende

zomerbrand die voeten, oogen en lijven van werkers moordend neersmakken

zoû, in aêmechtigen hijg. Groot-machtig van gebaar stonden de zwoegers

in de vochtige, volwasemende lichtkom, hijgend en sliertend, verstomd

in hun arbeid, in hun stillen staar naar de aarde, geweldig in hun

koortsige jacht, die verbronsde, de bazalten ernsttronies, onder

gloeiende uitdampende hette van grond en hemelruim. Daar midden in

stonden ze, in pracht en hoogsten òpbloei van zaad en gewas, tusschen

de éérste uitvloeiing van zomerkoortsende groeiwellust der aarde, die

uitstorten wilde, uitstorten moèst, haar vrucht-zware zwangerschap,

brandende baring, onder luchtstolp van onèindige breedheid. Brons

strakten de werkkoppen, als in donker bazalt gehouwen tronies, bestoft

en grauw-rood doorvlekt van zweet, en hóóg in gang, sliertten de zware

gereedschappen. In eindlooze tragedie van lucht en lichtspel, in

koorts-strakken jubel en zonnebrand, stonden ze en zwoegden door, blind

voor de pracht van ’t leven, ’t zingende groen, het heete blauwe vuur

van de zengende lucht.

Hoog boven hun hoofden stroomden geurselen rond van zoetste

welriekendheid, geuren als van vruchten en rozen, bruisend appelensap

en druivenaroom, dronken-makende wierook van wei- en aarde-wijn,

vervloeid uit wond’re gouden hofjes van ’n zonne-paradijs. Graanloof en

hooi, karwij en klaver, graszwaden en bloemenhoning, stortten zoetste

stroomen geurenwellust uit, diepste kern van geur-heerlijk aardleven,

in onstuimige opborreling en bruis van sappen. Hoog boven hun hoofden

waasde de honigdauw uit flonker-gouden lichtschalen, dauw druppend op

hun handen, hun oogen, verstroomend tot waar de blink-helle zeisen

vlijmden, ònder het zoete gras. De aardgeuren rookten in ’t licht als

zichtbare adem van heliotropen. Dáár, in die ontzaglijke groene

wereldkom baarde de eeuwige stilte, werkdaad der maaiers, hooiers en

planters, heiliging van hun arbeid; stonden rond hen geschaard, àlle

gestalten van bevende, warme, trillende aardevruchtbaarheid,

doorgloeide passiën van aardbestaan. En midden in hemelpracht en

aardewellust, sloeg de daad van hun goddelijken arbeid òver, in

neermartelende afbeuling en hitte; werd woesten weedom en weenende

eenzaamheid om hun lichtende gestalten uitgestort. Dáár, in de verste

verlatenheid van het jagende leven, ging hun zwarte zweetzwoeg, hijgden

hun borsten, werd de pracht van werkgebaar, de zwelling van hun

nooitzinkende krachten, tot martelende aêmechtige zwijmel, naast den

koortsheeten weelde-opbloei van rijpend gewas. Heet geurleven stoof,

spatte, sapte, gistte òver, òm hen heen.—Glanzing en kleuren brandden

triomf van zonnegloei rond hun voeten, en de alkleurige bebouwde aarde

in baring en in weeën, stortte uit in geilen zwijmel, haar

vruchtheerlijken rijkdom. Hun handen maaiden en zaaiden, hun oogen

keken, hun lijven zwoegden, zuchtten, zwollen, krampten onder den

werklast. En stilte, eeuwige stilte bleef trillen onder oneindigen

luchtewelf.—En stiller daarin nog, koortste en verschroeide hun

lijfzwoeg, dorde en droogde hun leven op, stonden ze neergebeukt in

bronzing van koppen en gloei van prachtlijven, in één kramp van arbeid

versteend; voortzwoegend tot den avond, zwijgzwaar, geradbraakt in

pijning van elk lid.

Volgenden dag weer stonden ze op de lichtdaverende zonne-velden, als

ingesloten tusschen hoogovens en kraterende hette; stonden ze stom, met

rondom orgiën van licht, onder oneindige luchtendrama’s, geheel dood

voor de lèvende godspracht van vruchtenland en wellust van

aarde-groei.—Geweldig in lichtmacht trokken weer ochtend en avond over

hen heen. Elken dag méér naar den oogst, dropen hun handen zwaarder van

aardsappen, donkere en lichte, vloeiende en heetgistende; kwam zengende

zonneharpoening, die ze verschroeide en martelde in hevig gesteek, dat

hun huid klefte en branderig verhitte onder hun goed; kwam sjouw-vracht

als gewichtenzwoeg ze verkrommen in gang, tot de avondzon wat koeling

bracht; nimbus-rood damplicht omzeefde de avondweien. En zoo, in de

vroege zomerhitte voelden ze áán de werkers, dat komen ging, elk uur

nàder, de hooggroei van polder, de goudzang van ’t graan, de davergloei

van tarwe, rogge, haver, als maaierszwaai was weggesikkeld, en àchter

hun arbeid, ’t land in gouden korenbrand oplaaide; vloeiend goud, dat

zingen kon. Als de oogst van golvend levensrijp, uit alle aardhoeken

kwam opjubelen, in feilen hoogen goud-brand, en vogelenkweel over hun

koppen verwaaide. Als in de oneindige stilte van ’t land, opengebarsten

vruchtzwijmel, in heete baring van leven, de zaden uitstortten; één

fluistering er suizelde van halmentaal, de ziedende geboorte van

korrels en zaden luidloos gebeurde in de stille oneindigheid van lucht

en grond. Als uit de zwel-aren en verwemelende strooiing van levend

zaad bij elken windestoot, groèi de aarde doorstroomde, doorschokte, in

krampigen sidder van hevig, levenbarend genot. Als er ging, groot

unisoon fluistergeheim, koor van arengeruisch, òver den geheiligden

arbeid van handenzwoeg, die gezegend daar stond, in groei en goudkoorts

van ’t licht. Als de heete, felle jubel van hun zwoeg, de aarde

uitgewellust was, brandend gekust, en wèèr razend overgekust door

passie-schroeiende Zon; hun heilige arbeid omwaaid lei van winden, de

zangerigen en gierenden; omzwijmeld en bedronken van geuren,

dóórschroeid van kleuren. En ’s nachts, verkoeld weer door wijd-om

fonkelende sterrenwemel van polder, diep donkere blauwing van

hemelkring, met z’n goud lichtenden wondren flonker van nachtglans,

onder dàn nog oneindiger transen die arbeid stil duisterde; onder ’t

stille lichtgepleng van de zilveren sterrenlampjes, die flonkerden

boven de duistergroene aardewei. ’t Land dàn weggevaagd droomde in

wazen van nacht, immens en sidderend van stilte en roerlooze verten.—

Doorgeharkt was er dagen, in zwijg. Kees was naast Dirk gaan staan.

—D’r mot nou moar op hoop set hee? wá’ d’r stoan, stoan d’r dan.

Zon was uit zilverdrommigen wolkenstoet doorgevlamd in kringen van

violet vuur, begon priem-strak te steken op hooierskoppen. Witte hoeden

en strooien kiepen lichtten en blondden in de wei. Naast Kees zat ’n

maaier te haren, in hoogrood hemdsbaai, als stil bonk vuur op ’t

dijkje, met z’n brons-gladden kop, lichtelijk gebukt, starend naar z’n

zeis, lichte klankjes vertikkend op ’t messtaal. Blinkende ringetjes

aan groote oorlappen, in verlichting van haartjes, schudden mee,

zachtjes, bij elken klop. Dirk harkte aan, naar plek waar Kees te

wachten stond met groote steekvork, die fonkelde tusschen ’t gras, als

stilsidderende, kromgebogen bliksemstraal. Telkens als Dirk wat

stapeltjes aangeharkt had, lanste Kees in geweldigen priem, z’n scherpe

steekvork ’t hooi in, ruischte en kraakte ie met lange slierten ’t

begin van den hoop bijeen.—Dirk rondom, harkte bijzij den dijk, naar

zich toe, en hooger in ’t krakende hooi lanste Kees z’n vork telkens

in, met z’n knie in ’t heet-gouden gestapel, z’n bovenlijf gebukt,

inrukkend tegen de hoopjes, dat dieper de staalpunten priemden en

vastboorden ’t hooi op de tanden. In trage kracht heesch ie zich terug

aan den vorksteel, dat òprees de vracht, en plots in forschen zwaai

hief ie de vastgepriemde stapeling boven z’n kop, dat z’n kiel, onder

de armen spande en ritste, wilde hooiharen z’n gezicht

inwoeien.—Langzaam, en waggelend éven met den gouden hooiklomp boven

z’n weggezakt hoofd, droeg ie z’n vracht dan naar hoogeren berg.

—Onder de poàrepluu! lachte helpertje, die in kleine, zwakke zwiertjes,

Dirk hielp anderen dijkkant aanharken.

—Poà.. re.. pluu, hijg-sprak Kees, die juist weer ’n geweldigen

hooiwolk opgeprikt en vastgeboord had, met heftige knie- en lijfrukken,

er mee aansjouwend in gestrekten armhef boven z’n hoofd, dat vuurrood

gespannen stond van krachtzwel. Rondom, wilder ruischten en sliertten

hooihalmen weg; in z’n oogen, haar en mond. Diepe geur zoette rond. De

grond onder hun voeten kraakte en ritselde in trilling. Van alle

dijkkanten en op weihoeken wuifden wolkslierten, blond gestrooi, met de

dansende beweging van de blanke harken, die opstapelden. Zwaar uit te

hijgen wachtte Kees even, verzwelgend en inzuigend den zoeten

hooistroom, waar ie tusschen te adem-drinken stond. Rondom kringden

windkoelingen sterkere hooigeuren áán, dat de kerels dronken duizelden

in den zoeten walm. In Kees’ hals prikte ’t hooi, in z’n haar en ooren

piekten heele dotten. Rondom, nog wachtend op aanharking van

klein-gouden stapels bij z’n voeten, keek ie in ’t groen, zag ie naar,

in ’t licht weer opkleurende maaiers, met hun zeiszwaai beheerschend

oneindigheid van luchthang en grasgolving. Grijsblauwig en zilverig

dampte van verre ’t wolklichtspel en overal vlindertjes wiekten rond,

in den stildroomrigen zwier van hun kleurenmanteltjes. Fijner in

lichtgezeef, boekette op, uit de bebouwde polderbrokken, bloesem van

erwten, kapucijners en tuinboonen, wittig en rozerood, als

blank-treuzelend gefladder van kapelletjes en klapwiekend gespartel van

vastgeprikte vleugeltjes op bronsstekelig rijzenhout. Akkerhommels in

rood en brons fluweel kringden in zangerige gonzen over hun hoofden, en

kikkerkwaak, vroeg-zomersch, in zwelling en uitsterving weer van

geluid, verdreunde uit teer-groen bekroosde slooten, hun eentonigen

broei-zang van zonne-leven. Doodstil in stommen moord, ging door de

eindeloosheid van groen, en zwier van zoete geuren, de worsteling van

insekt op insekt, in den zoeten dronken koester en zwijmel van licht en

glansen; bloedde de hartstocht van den vraat, de stemlooze marteling en

prooi-vernieling van zwak en sterker leven; bleef dreunen de

kikkerzang, landelijk monotoon zwellend en verstervend; bleef gonzen de

hommel, vonkglinsterde de goudvlieg in glanzen van pauweveerig licht,

als vredigde er heilige rust in de graszee, paradijslijk,

zonnekoesterend en kleurestreelend.—

Werkers sliertten òp hun hooi, àl hooi in één staar naar hun arbeid.

Kees had ingeboord weer ’n hoogen opgeharkten stapel en stootte toe,

met z’n knie hevig persend, als priemde ie den dijk mee aan z’n vork,

drie, vier keer, telkens heftiger inboomend, dat z’n steel trilde en

veerde in z’n geweldige werkklauwen. In één zwaai weer zwierde de zwaar

beladen vork boven z’n hoofd, dat diep wegzakte z’n zweettronie in de

hooiwolk, kwakte ie ’t kruipende, krakende gehalm neer op den al

hoogeren berg, waar het als stortend watergeruisch goud-heet overheen

vloeide.

—Aa’s die hoop daan is, sal t’met tait sain Kees, zei kalm Dirk,

voortharkend rond z’n broer, die even angstig keek of z’n hooge hoop

ook helde.

—Nou.... dà dotje nog hee?.... ’k mô nog sluite!

In ’t rond liep Kees met nieuwe zwaar-bevrachte vork, hoog in de lucht,

òm den grooten hoop, zoekend ’n plekje waar de stapel neergeruischt,

meteen ’t best de kop afgesloten kon worden.—Langs en om z’n hoofd en

lijf fladderden en sliertten al grooter losrafelende hooidotten, als

vlokken licht, die gouïg door de lucht zwierden en omkronkelden de

zwoegende werklijven.—Diepe geurscheuten al stèrker zwoelden rond, in

zonnigen zwijmel, als vloeide er koorts van heete mirre uit ’t

zwaar-bevruchte land. ’n Laatste stoot nog boorde Kees in, dat de vork

sidderde in z’n klauwigen greep, met hevigen zwoeg van z’n kronkelend,

inbukkend en krachtuitzwellend lijf en dampende hijgborst.—Hijg-zwaar

zwaaide blonde wolk boven z’n kop, sloot ie de hoop, blond uitbergend

boven z’n reuzige schonken en hooggeheven armen. En overal nog in fijne

verschuiving van halmen op den hoop, ging wit-gloeiende schittering van

steekvorktanden tusschen den goudklamp, voorzichtig, als tastten daar

lichtende, stalen vingers in brandend goudhaar.—

Kees’ lijf dampte van zweet en z’n rood-paars hitte-gezicht verdroop

nattig vet. Zwaarder blaasbalgde z’n borst van moeheid en hitte, en

door z’n kop hamerde ’n bloedstroom, als zou ie te barsten springen.

Wezenloos wat minuten, bleef ie doodop staren voor zich uit, in den

kleuren rondstrooienden wolkenhemel van paars en zilvering, zonder dat

ie lucht en aarde zag.

’n Half uur later stapten ze naar huis, met vorken en harken op

schouêrs. Rondom dreunde kikkerzang, afbrekend inééns, dat plots

stèrker de stilte op ze aanviel; dàn weer zwelkroppend aanklakkerend in

zangdeun, verinnigend de doorzonde zwaarkleurig bewolkte geur-lucht.

Het licht, lager al, zeefde schuine glansen over de rijzen, die

berkenzilverden en bronsden in halve schijnsels, tusschen het weigroen

knoesterig inknuppelden. Zeisengalmen van heel vèr woeien áán op ’t

wegpad. Sonoorder nog in zaligen fluister van wei-avond, zong de

zachte, toover-fijne ruischmuziek, geheimvol van ’t gras en koornhalmen

uit. Stiller schoven en spreidden de glansen tusschen vonkgroen en

goud-gele bloemekelkjes, en rustiger in stommen stap gingen Kees, Dirk

en helpertje naar huis, op ’t nog branderige zand en kei van hoofdweg.

Achter hen aan, wat later stapten telkens tuinders van ’t land op de

klinkers, stil naar hun kluis, uren vèr.—

Menschenwee · 第 39 / 92 题