Zachte vlekjes rood, donkere en lichte purpering, schemerden tusschen
de vèr-groene, licht-verstuivende aardbei-akkers, onder laag blad uit.
Door veld en straatjes van Wiereland en Duinkijk, dampten overal
geuren, kittelend-arômig en reseda-zoet, van aardbeivrucht; zingende
aroma van jonge groenten en frisch-kleurige doppers. De grond,
doordrenkt van pas gevallen regen, wasemde aardvocht uit, verschen
grondgeur, als was er mijlen in ’t rond geploegd. De lucht koepelde in
zilvering van wolken en zonnebrand. Overal op de akkers was druk jagend
gezwoeg. Kerels in rooidrift, groeven de aarde op, voor zich uitwolkend
damp en zandig stof. Hurkende grondwerkers en wieders stramden in buk
en knieling, dat hun lijven radbraakten van hitte-uitputting en
ploeter. Geuren zoete rook van pieterselie en jonge selderie, vloeiden
áán uit den grond, woeien door ’t land, de tuinen, en alles zacht, kwam
in bloei en ranken groei de aarde uitzwellen.
Grove werkershanden, verbronsd, verklauwd, asch-groenig van aardewroet,
graaiden door het jonge leven, dat bevloeide hun vingers met sappen en
aroma’s van al soorten teelt.—
Geldersche maaiers, in donkere kleeren, met klein zwarte hoedjes op
ernst-koppen, stapten al vroeg uit de goudbevonkte paadjes, met zeis op
den rug, den polder in, of havenkant òver. Langzaam in gebaar, enk’len
met uitgebogen beenen, de zenboomen vastgehaakt bij langen dol, ging
hun rustig-rhytmische stap vlak langs het aanhittende akker- en
havengewoel, streepte hun zeis-staal goudvlammen door de lucht, hoog,
tegen prachtgroen van gras en boomen.
En telkens weer doken donkere ernstige maaiers, zwijgend in stap, naast
elkaar, stille, goudene weggetjes uit, laantjes met paars-zandigen
grond, in zonnegloed kleurhoog verhit; vlamden boven hun donkere
schouders de zeisen, als droegen ze verzonken in extaze-kijk,
zonnetoortsen rond, door vrome stedeke-plek.—
In hoogen zonschitter en diepe luchtblauwing trokken de dagen één na
één over de velden, met soms snikheete gloeiing, op middag-uren.
Drukker en woeliger werkjacht begon er áán te koortsen in Duinkijk,
Wiereland en rondom tuinders- en kweekersdorpjes.—
In de avonden, door de rood-goud doorzonde schijnsels als van brandende
kathedraalglanzen, trokken van alle kanten òp, werkers uit verren
omtrek, met karren vol kisten naar de haven van Wiereland, waar alles
heen moest, in laten zomeravondzwoeg.—In rateling bonkten en dromden de
hoog-beladen karren en wagens door de stille straatjes, waar knussige
renteniertjes in lieve voortuintjes, van dagsloof en arbeidje
uitrustten. Laat dromden de kerelslijven áán, in zwoegenden hijgduw,
zweet doorzogen en kreunend achter hun kleur-felle hoog geladen
vrachtkarren, twee mannen vooròp, met snoerende touwen over rugkromming
gesjord, trekkend aêmechtig, doorvloekt van gramschap, van hevigen
sjouw en woest spierzwellende inspanning. Hun zweet-druppende gezichten
gloeiden rood-brons tegen het zonnezinken in, den haven op; hun
afgemartelde zweetlichamen verstonken in rottende plunje.—
Een volle werkdag lag al àchter hen; nu kreunden hun borsten achter d’r
karren.—Angstig keken hun oogen uit, tusschen de breed-uitgestapelde
sappige kleurweelde van hun geur-versch, jubelend groente-groen en
pralend wortelen-rood, bang ergens tegen aan te bonkeren. Zoo, met hun
doormodderde verzweete kleeren, doorstoofd van schroeiend zonnevuur,
als wroetende dieren, besmet met korsten van grondvuil, doorzogen van
zweet, uitgegrauwd van dag-zware ploeterramp, stapten ze tusschen hun
fleurige kleurschaterende waar, boot op, boot af, langs de haven. Van
den polder uit woei zoelzoete hooigeur aan, en soms al, waggelden
goud-matte wagens in langzamen stap van schonkig werkpaard, door de
kleine drukke zomerdagstraatjes,—in hun geweldigen opbouw boven de
huisjes uitzwellend, als versleepte duinruggen, mat goudgroenig nog van
gras-verschheid.
Heete drang koortste rond, onder de landwerkers om elkaar vóór te zijn
op de markt, met groenten. Enkelen, vroeg met wat bakken werkend,
vervoerden in stillen trots wortelen en tuinboonen, en hier en daar
stonden al wat mandjes met aardbei uit de zon, zoet te purperen,
zangerig rood, koester-diep karmijn, in al verspringende gloedtinten,
van geranium-vuur naar dahlia-purper.
Ouë Gerrit was naar de grasveiling en ’t etgroen geweest. Hij had twee
dijken hooi gekocht; te duur, veel te duur, maar ’t moest. Nijdig nou
op zichzelf was ie, dat ie twee dagen lang daar geloerd had, om ’n
kandelaartje, in de zaal machtig te worden. Z’n heele zaak had ie ’r
voor vergeten. Zoo had ie op ’t end ’n veel te duur dijkbrok gekocht.
Toch praatte ie zich in, dat ’t nooit goedkooper zou zijn gegaan, omdat
’r zoo bar prijzig weer gevochten was. De boeren en tuinders op de
veiling hadden elkaar met haat en woeste afgunst, de hoogte ingejaagd,
zoo erg, dat de landheeren lachten in hun vuistje, de bode listig
knipoogde tegen notaris.
Voor tuinders nu ook, werd ’t vroeg hooien. Dreunvol en zwaar klonk er
klomp-geklos overal. Druk gedrentel van blank-geschuurde, gloed-nieuwe
en vuile klompen op klinkertjes, weerhalden.—Ouë en nieuwe karren
verwemelden in gezwoeg met trekhonden, vermartelde, woeste, bloedoogige
beesten, heen en terug van haven naar tuin.
En vròeger, iederen dag poerden de tuinders al op hun akkers, met
zenuwjacht en koortsige werkdrift in de handen, niet wetend wàt eerst
te doen, zóó, in woesten overvloed kwam groei van al soorten gewas op
woekeren.
Iederen dag drentelde Gerrit ’n beetje mee op ’t land. Maar morrend
giftten en bitsten Dirk en Piet tegen ’m, als ze den Ouë strammig zagen
sjokken zonder dat er iets degelijks uit z’n handen poerde.
Kees lei paadjes om, tusschen gerooide bollen, en klein helpertje
wiedde onder de tuinboonen en erwten. Overal graaiden bronzige
geweldige handenparen gekromd in arbeidsstuip.
Dirk liep met schoffel van de aal- en kruisbessenboompjes waar ie
rondgeschoffeld had, naar kapucijnders, sla en kool. En ook bollen
wachtten, om op stelling gebracht en gepeld te worden. Dat zou ie den
Ouë toch eens ànsmeeren.
Ouë Gerrit was overstuur van ’t kwaadaardig grommen en bitsen der
kerels. Nou had Dirk ’m weer gepakt. Hij zou nou maar wàt doen.—
Tegen zes uur ’s avonds stond ie op z’n rotduffe schuur, bollen op
stelling te smijten. Door ’t open luik woei windstroom in. Uit zware
zakken, waarin ’t rooigoed samenbroeide, wurmde hij ’t over in
stortbakken, die Piet telkens op hoogste tree van schuurtrap, voor ’m
neerschoof. Tusschen de duistere laag-stoffige stelling, vervuild en
doorzaaid van klonterige spinraggen, grabbelden Gerrits handen op ’t
hout geplank, rommelde ie de bollen met zwarte wortelenaanhangsels,
gelijk. Overal in donkerig duffe hoeken, drukte ie de soorten plat, met
z’n hoofd gekneld onder laag schuurdak. Even verduisterd, bogen zijn
ooren uit jukken en donkere zijbalken van stelling. Te blazen en te
zweeten stond ie.—Snikheet was ’t geweest, en veel had ie al gedaan, om
de kerels wat vrediger te stemmen. Toch voelde ie, dat die loodzware
zakkensjouw ’m den rug brak, àfploeterde, dat ie ’r bij hijgde. Dat kon
zoo niet meer, kòn zoo niet meer.
Te zweeten benauwd, stond ie in de donkere vuile schuur, ingekneld
tusschen de enge morsige doorloopjes. Stof sloeg ’m naar de keel van
aardezand, droog en zurig. Telkens zat ie geknield de soorten in te
deelen, zoog ie het heete zandvocht in z’n longen òp bij iederen
vermoeienis-hijg, als ie heel in de diepte te rommelen had in hoeken,
waar ie, àl elleboogstootend en lijfwringend z’n stortbakken uitleegen
moest. Nog èven schimmig licht schemerde rond z’n gezicht en handen.
Telkens weer kwam Piet, met ’n zak de schuurtrap opsjouwen, in
borsthijg blaasbalgend, zóó vermoeid en doorzweet, dat ’t vet ’m
dikdruppelend van slapen en bronzen voorkop, nek en hals ingutste. Z’n
hemd, bij den hals opengescheurd, dat z’n bronzige haarborst
bloot-ruigde, zoog dóórnat op z’n lijf. Hij hijgde als kreeg ie ’n
beroerte.
—Hee Ouë.... Wa’ si’ je?.... dofte afgebroken z’n stem.
—Hier.... joa.... hoho! ik kom, schreeuwde gedempt uit duisteren
stellinghoek ouë Gerrit terug, klankloos en beverig.
—Nog drie sakke.... en dan.... is ’t daàn!.... zei hijgend Piet op de
trap, met ’n smak de vracht van z’n schouers afsjortend tegen den
grond, dat er zandwolken waasden voor ’t lichtluik. Stil bleef ie
staan, met z’n bronzen, vet-bedrupten zweetkop net boven de trap
uitloerend, starend naar het lichtluik.—Koel dronk ie den frisschen
windstroom op, die ’m tegemoet woei.
—Nou kaik.... nou erais.... die dubbelneus!.... jai smait te hard!....
hoho! die hep heulegoar sain neus broke!..
—Wa’ sou ’t!... komp bai de huur t’recht.. doen ’t sellefers sel je ’n
vrachie voele!.... Nou Ouë, nog drie.... dan is ’t daan!.... ’k mo nog
sloa staike tû donker....
—Bestig.... nou kraig ik nog wá’ imperoàters!.... wá’ leràine!.... wá’
gele prinse....
—Enne.... wá’ ru.... rub’rum.... maksimoà! stotterde Piet, met z’n
gezicht gekeerd naar de treeën de trap afstappend, dat langzaam rooie
zweetkop verdween in schemerdiepte van trapgat.—
—Heè.... schreeuwde ouë Gerrit door ’t windluik naar beneden op den
tuin, met z’n zilveren kop in lichtlijst, dat z’n lokken fladderden en
stoeiden om z’n ooren,—hullie benne nog veul te wit.... soo nie
leeferboàr.... die hewwe gain son had!....
—Nou, dan láa’k die nog sitte, krijschte in kop-opstaar naar tochthoek
Piet terug, z’n oogen dicht geknepen van zon, die er licht
inlanste,—dan goan ikke nog wa sloà staike.... Kees hep nog wá’
roapstele.... aa’s ’t weer soo opsloàt, hai je f’rjenne van alles
g’laik.
Tusschen ’n boonenpad was Piet doorgeloopen en nog schreeuwde Gerrit
na:
—Moar daa’s nie billek.... je mot ’t veurste soo goed sien aa’s ’t
achterste.... hoho! hee!
Kees hurkte aan slootkant op rottig plankje, bezig nog wat heel late
raapstelen te wasschen. Voorover gebukt, laag z’n kop, schonken in
blauwe kiel tusschen het grasgroen, dat fluweelde glanszacht, slobberde
ie bosjes raapstelen, met breeë vegen door ’t klare zacht-stroomende
watertje, raspte met stalen haarkam ’t vuil gewortel schoon in rukken,
als kamde ie ’n verwarde pruik los; verspoelde ie telkens zand en
aardvuil, onder klossende krinkeling van waterspiralen. Groen en
gelig-rein kleurden de raapstelen òp in z’n handen. De gebonden bosjes,
schoongespoeld en gekamd, lei Kees voorzichtig naast zich in een
bruin-beschilderden bak, waarin ie z’n groenten opstapelde, druppend,
zilverbespat groen, dat koelfrisch en sappig fonkelde van waterparels.
Midden in groen en zoeten kleurschommel van riet en gras, bloemige
goud-gele toetsjes van rolklaver en walstroo, bleef z’n lijf tot donker
gebukt, verduisterde z’n kielblauw in schemer-gouden avondval, rond
beekjes-stilte.—
Dirk wiedde nog, staroogend op de jonge postelijn, die rooiig even den
grond uit kwam kruipen.
Op de tuinders-akkers was nog laàt gezwoeg. Bij ’t zonnezinken,
ratelden en bonk-schokten karren met groente naar de haven, waar joel
was van kinder-sjofelen stemmenkrijsch, razend geblaf van honden,
afgebeulde en geranselde werkbeesten, met schreeuw van afgebeulde
kerels, in droeve klankenschorheid, dwars door den boot- en
laad-scharrel heenkrijschend.—
Elken dag, elk uur, groende ’t sperzieblad sterker, en zwaarder
kronkelden de erwtenranken wit-teer bebloesemd, als was strooisel van
sneeuwige kapelletjes boven uitgestort, tusschen brons-grijze
rijzenknuppeling en aardegroen. De tuinboonen, in teer-wazig
bladzilverdons, bogen en pluimden onder de werkhanden der wieders, die
ze zuiverden van vuil. ’t Onkruid lag bij stapels te verrotten, op de
paadjes, in de greppels.
—Da’ wort suinege Job, bromde Dirk in ’t voorbijgaan langs Kees, we
motte f’rdomd ’n kerel stelle.... Nou mo’k vàn màin boone.... nog loof
skoffele.... van die tullepehoek.
—Is tug nog nie g’nog besturrefe?
—Joa.... mot moàr.... snof’rjenne.... morrege mot ’t hooi overend, op
de hoop, alles g’laik.... t’jonge!.... je hep gain tait van
oàdemskeppe.... saa’k stikke!....
’n Paar dagen later begon heeter gejaag, zenuwachtiger gegrom. Van
wiedhoek hièr, trokken de kerels, nog krom en gekneusd van kniebuk,
naar schoffelbrok dáár. Geen woord! geen asem! Ze vloekten dat ze ’s
winters niet te vreten hàdden, zomers niet vreten konden; geen tijd,
jacht! jacht!
Ouë Gerrit joeg mee, zette ze op, z’n zoons en de twee losse
werkers.—Een Zeekijker, had veel te lijden als baas weg was. Hij liep
met ’n Wierelandsche meid. Dat maakte ze dronken van gift en
jaloerschheid.
—Wa’ mò die snurkert, die suinige Job hier, schreeuwden ze rond ’m.
Zaterdagavond werd op de haven met ’m gevochten, kreeg ie duwen,
ransel, klonk er stemgedreig, dat,.... als ie niet van Wierelandsche
meid afbleef, niet behoorlijk ’n Seekaiker tollereerde, ie veur z’n
laife d’r van luste sou.
—Tullereer jai ’n Seekaiker.... mermot! of blaif vraigesellekerel
hei?.... jai kwinkwanker, wá’ doen jai hier?
Zoo raasde ’t om ’m, op de akkers, maar stil bleef ie in z’n lijfbuk
wieden, of uitplanten, elken avond zeker van z’n stiekeme vrijagetje
door de donkere laantjes, met lieve Wierelandsche meid.
Onrustiger joeg Gerrit op. Z’n broer had al aardbeien op de markt, hij
nog pas puur ’n schraal mandje. Hij vloekte en raasde in stilte, keek
soms loenschig naar z’n eigen rhabarber, die blader-breed en
steelfrisch opschoot boven die van oom Hassel.
—Manskappe, morge is ’t noà polder! huhu! ’t hooi mot moar overend....
aere week is ’t puur gain tait.... aa’s d’r rege komp sain wai
vast!.... nie maa’ne?
—Kok.. kok.. kok?.... kokokok!.... moeder weer ’n ai! sarde Piet
—Nou joà! of jai nou gainigt.... dá’ skeel nies!.... ’t mot ’t mot,
gromde de Ouë.
Overal was woeste jacht onder de tuinders, gezweet en gehijg van
ploeter en sjouw, zonder opkijken. Alles stond gelijk in bloei, alles
in één jacht moest gedaan. Dat ging zoo van half Juni tot Augustus,
drie maanden van zwoeg, dat ze ’t bloed onder de nagels brandde, de
hitte-zon ziedde en schroeide op hun lijven. Dat was de groote haal van
aardbei, erwten en boonen, waarmee de centen voor pacht, grond, en
winterwerkeloosheid er moesten komen.
De Ouë gloeide van angstige koorts, hoe de oogst afloopen zou.... Aa’s
de boel soo stong aa’s nou, soo loat, kwam die f’rvloekte kermis net in
’t drukst van de boonetait weer; had je de kerels dronke en radbroakt
van ’t pierewoaie.. en morrege most hai ’r bai, gong Dirk vente....
hoho! weer bestig daggie veur sain!