II.

In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in

Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen

bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en

paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen

boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den

Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en

blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen

rijzenpaadjes.

Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende

dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun

geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer

zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon

aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend

den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in

tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t

landschap.

De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en

zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter Wierelandsch haventje, in

polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t

watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en

rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk

welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht,

wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral,

lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur

uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van

avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er

stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en

doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t

verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes,

als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht,

schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en

geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde

droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen

slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken

kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame

polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein

leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes

van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes,

tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid

van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.

Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende

vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord,

doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood.

Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde

uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige

tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil

en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de

akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in

kou-onmacht.

—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar, in nood voor

hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.

Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één

kerel op den akker.

—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t

stoetje.

—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.... kaik t’met alle blommetjes

dood op die oarbai-bedde.... en kaik die frambose.... die appele!....

die pruime!.... kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite

meer àn!

Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk

turend naar z’n bedden en vruchtboomen.

Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen,

vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de

tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien,

zoo slechte maand.

Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in

goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel

vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van

vruchtboomen weer, als nooit te voren.

Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug,

zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom

bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende

rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem,

zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte,

tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en

nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp,

fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar

doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem,

verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door

de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen,

en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al

de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog

doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland,

volgestrooid en doorwaaid met zoetsten geur, licht-bedroesemend in

zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom

te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere

lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de

vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei,

geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten,

gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes,

van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit,

bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van

kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht.

De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers

van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun

maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen

van goudglans.

Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig

van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als

geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en

hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer,

op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige

appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud;

stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete

purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in

bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid,

toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in

luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes,

zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.

In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van

goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten,

zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose

koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide

oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet,

goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als

gepolijst; en overal rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze

koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van

madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne

darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp

hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.

Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes,

zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol

Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en

zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van

insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in

slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes

en goud-beschubde lijfjes.

Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door

de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun

weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger

nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van

bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de

kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes,

plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze

òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van

wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

Menschenwee · 第 30 / 92 题