TIENDE HOOFDSTUK.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht

voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in

bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden,

innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest

opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre

glorie te gouddampen in ’t licht.

In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de

beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep,

diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde

op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte

bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.

Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar

elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene

betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren,

waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen

vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter

glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er

boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af

Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen

elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt,

’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren,

hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende

toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed,

wuivend ’t zalige wije, trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven,

boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde

òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen

zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie

beukenbrand in luchtegloed.—

En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s

landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t

laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden

in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en

wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t

eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende

zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog

van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en

achterbinten, van vèr, vlietend te zien.

Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots

aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in

zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste

naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.

Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister

van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige

krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend

naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van

beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en

flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in

gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de

verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven,

zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en

slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in

stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.

Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier,

rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast

goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar heengeslingerd in

takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene

lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren

zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En

rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van

zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende

minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.

Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de

beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende,

opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles

naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.

Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten

duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in

wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en

purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose,

maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke,

fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen,

in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare

schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp,

kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete

seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en

wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den

zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en

hyacinten-akkers.

De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het

licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te

schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar

Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in

violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en

hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin,

tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van

paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee. Het licht

stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de

kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar

van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op

licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar

àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong

in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte

hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend

loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde

kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes

van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn

in ’t sprokenland....

Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die

sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s;

kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren

lichtteeren Meihemel.—

Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun

rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die

lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde,

leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.

Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten

toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met

druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r

gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche

grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille

hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t

klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen,

helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen,

daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand,

zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank

weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof,

grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen

uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte

koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke

waterster,—lag daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten

der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide

schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol

geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de

kelkranden.

En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog

goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak

tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs

den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in

verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven

uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende

roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in

vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als

nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood

doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al

driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend

in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen,

diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.... En

heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in

geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van

teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose,

blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van

venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd

teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen

in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur,

waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren

kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche

roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en

toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den

nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de

ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—

En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig mistend

lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand;

kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t

lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte

stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige

waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—

Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de

lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt

brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften

Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo

onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten

brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

Menschenwee · 第 29 / 92 题