Hooger en weelde-dieper lenteleven kwam er bloeien en zoet geuren in
Aprilmaand, over de akkers. Fel stond ’t groen, narcissen en tulpen in
hun grijs-blauwe loof. Overal uit het duizendlanige Duinkijk om
Wiereland, tot aan Zeekijk, vloeide áán, de zoet-duizelende geur van
bloeiende hyacinten, lichtelijk ontknopt, de lucht doordroesemend, de
aarde bekleurend in teer-brozen gloed. Dronken luchtwaaisel, warm en
eind’loos zoet, doorgeurd, woei longen in en hooger àl stonden de
werkers omlijst van hun sierende singelhagen, op ’t ochtendland. In het
getemperd hemelblauw, nevelig doorwaaid van gouïge dampen, stortten de
dagen zich uit over de akkers. Heerlijke jonge vreugd-adem zoelde en
koelde door ’t bollengroen en licht, in lentevuur, vlamde zonschijn van
akker naar akker. Beukgroen van de lanen stond te wierooken in zacht
lentewaas, en elk uur hóóger steeg ’t licht, doorvlamde ’t gras in
zacht sappig weeldegroen, fluweel groen, zoet-zijïg groen. En de boomen
overal traden áán, in fijne sier van jong-puntige blaadjes, overal
neer-regenende pracht van satijn-groen over de heilig-stille wegjes met
vocht van lentedauw doordrenkt. Overal lichtglans van nieuw leven dat
aanzoelen, aangeuren, aanwuiven kwam, tusschen woesten groei van gras,
rond wegduikende beekjes, langs oevertjes-stille lommering, langs
watertjes, die glans-gouïg en zilverdoorstoeid van lichtrimpeling
plasten en terugkaatsten, in bronze bodempjes, hemelblauw en
wolkzilver, kristallig en even verdonkerd van gloed. Waar klaar
doorhéén kleurden beekjesgrond en koralige steentjes, bloedrood.
Aprilmaand was, verstald als blanke vrouw van mythische sier, ingewiekt
met gouen vleugelslag van zonnelicht, tusschen de velden, de eerst nog
droef-grauwe landen. Daar zwierf ze plots, in lijnen-woest kapsel, met
goudrossigen haarzwier, die vlamstreepte en lichtkringen trok door de
lucht en ’t akkerloof. Vóór haar zwierden uit, blank-albasten handjes
in godinnegratie, die rondstrooiden zoete bedwelmingen van geur en
kleur. En rag schuifelde haar teedere voetjesgang door gras en
sierloof, dat er ritseling golfde, als aanvloeiing van fijnregenend
fonteingeruisch. En overal waar ze zwierde en zweefde, dàn liep en
rustte, gingen zacht branden om ’r heen, kransen van kleur en kransen
van licht. En waar haar wisselsnelle voetjes schuifelden en betipten
éven de aarde, golfde achter haar aan, blank en blond spel van lijnen
en glanzen, die ze terugving op doorvonkte sluiers van
kantille-goudgaas, weer òpstrooide in kringen, al breeder en breeder
uit, wel grillig en jong-vurig, maar licht en juichend; glans die
gloeide, licht dat duizelde, bruiste en vonkte op de warmte-inzuigende
aarde.
Er was vroolijk gestoei onder de werkers. Ieder voelde wat aanvloeien
van de bedwelmende Apriljool in lucht en grond, hoorde schuifelen den
schalkschen stap van de vrouw met ’r goudrossigen haarbrand.
Op de akkers was drukker beweeg en blauwkielen, diepkleurend met
burries, vlammig beschilderd, droegen sneller dekriet tot hooibergen,
hoog dofblond, even door avondzon in rooden gloed getooverd.
Rond de akkers was nog druk gespit van bollenkweekers op hoekpunten. Op
den Beekhoek, zwaarder omdromd van groen, stond Ouë Gerrit te kijken.
’n Bed van ’m af hurkten Dirk en Piet tusschen de aardbeien. Overal
rondom, piekten tuinders rijzen den grond in, die al klaar lagen op
losse bossen tusschen de erwtenpaadjes. Licht-even groenden de doppers
de aarde uit, in scheemrige fijne regels. Het dooie-grijs-brons
rijzenhout brak malschen toon van ’t sappige gras in den omtrek. In één
dag stond laag-groen landschap doorpriemd van bajonettigen stand van
rijzenhout, mans hoog, vèr over de akkers. Als gepiek van verweerde en
beroeste geweerloopen knoesterig en takdood, stonden de rijen hout
tusschen het jonge doppergroen. En tusschen hekjes en stekjes, àchter
takjes en knoestjes, schemervlekten hurkende kerels in blauwkielen als
gedoopt in afdruipend ultramarijn. Hun stompe klompenneuzen drukten in
’t zand, als ze knielden naast hun hout en langzaam de rijzen op regels
voortschoven, de puntig gesneden knuppels, met forsche rukken en
stooten de aarde inborend.
Na eetuur van twaalf, stapten Dirk en Piet achter hun huisje op de
akkers, wat spinazie snijend voor de markt. In groote bakken, vurenhout
kistwerk, beschilderd met blauwe letters G. H., zeisten ze de spinazie
bijéén, op bosjes, losse blaadjes, geurige jonge groenten, dat het
glanzende sap van hun messen afdroop en zoetige lucht, frisch en
prikkelend de bakken uitwaaide. Dirk sneed kalm en zeker, Gerrit laadde
op, Piet sjouwde de kisten naar den wagen. Na ’n uur werken trok Piet
naar de haven, waar al lichtelijk en duizelig door-eenwarrelend
gedrentel van marktdrukte joelde. Groenteventers van ’t stedeke, zonder
land en zonder eigen waar, stonden gedrongen om tuinders die te veel
goed hadden en niet meetrokken met de tuindersbooten op marktdagen,
naar Haarlem, Amsterdam. Aan walkanten, en onder áánlichtend groen
kastanje-lommer van de havenboomen, vlak voor ’n rij woonhuizen, was
uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van
walkant tot aan de stoepe. ’n Ophooping van karren met stilturende
trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille
koop voor afslag klonk ’r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden.
Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel,
en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers.—
Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met ’r rosgouen zwier van
wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in ’r ranke gracie en
vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in
háár plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal
dreigde wintergrauw in de luchten.
Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk,
breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge
bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje,
om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in
angstzwaar, woest regenzwerk.
Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde
tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van
waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den
spoordijk, rond polderruimte donkerde ’t regenzwerk; droef daarin de
gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes
zonder ingangen.
Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam
van seinwachter, die draaide aan z’n paal voor z’n huisje, dat er
parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den havenwal joeg gewoel en
gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen
klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht,
wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde
polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk,
rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht
hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden
wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aansjacherend
marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen luchthoek, in statige
wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond
hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter
en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil
walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun
kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in
benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming ònder hun
angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van
schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie
bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en
afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d’r kanten, in voeten-
en handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal,
tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en
tusschen honden.—Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit,
slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten
en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap ’t groen van
spinazie en wat vroege sla.
Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter
haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleurkransen, lichtglorie van
aanwarmend zomerland. Struikgroen en jong geboomte stonden te wasemen
in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.
Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Eérst jolig werkgeluk
was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte
van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer
op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leefsap, dat in
wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was ’t getuur van tuinders en
kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den
zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien zou, brengen kwam
oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.
Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In
al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen,
lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom,
erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde.
De aardbeibedjes jongden in d’r hel tintelende groene uitloopertjes,
lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood,
gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen
lentegroen, éven z’n weedomlied van herfst.
Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen
z’n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met
helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de
worteltjes.
—Seg Piet.... hai jai d’r nog doppers.... de wind hep hier huis
houe.... nie een die d’r opkomp!.... kaik!.... dá’ hebbe de musse in
gefrete.... dá’ tuig!
Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z’n
armen in breed gebaar.
—Ikke hep hier niks.... hep den Ouë dan nie walletjes anstreke?....
—Wa’ nou.... walletjes? bromde Dirk met z’n rug naar Piet toe.... of
dá’ stoàm-erte binne....
—Watte?.... schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.
—Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te
hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z’n jongensknietjes, mannig
in z’n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend,
nu weer in jonge sla, die al fletsig met z’n geel-groenige
schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z’n kleine kinderknuistjes
wroetten driftig tusschen ’t onkruid en telkens èven schrok ie met ’n
vloek terug, zoog ie z’n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken
had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z’n gescheurde broek om
z’n lijf en z’n voeten in baggerschoenen,—rooiig en gat-doorvreten, dat
vieze teentjes er uit kromden,—plompten weer met zwaren druk op
bed-randje van wortels.
—Seg Nailis, wa droai je d’ruit.... wá’ goan dá’ vlug!
—Se heppe main nie vlugger moakt, lachte ie met guitigen kop éven
opgeheven uit wiedbuk.
—Hier-op-pan! hee! je hakt puur mi je poote in de wortele!.... f’rwá’
hai je gain klompe?....
’t Manneke bromde wat. Z’n klein bruin knuistje rukte door, vuil uit
den grond, in snelle grabbeling steunend op andere hand, gestrekt onder
z’n ingehurkt lijfje. Plat op z’n knieën schoof ie voort in buk, al
driftiger en gejaagder ’t onkruid voor zich uitsliertend op paadje.
Smerige kielmouwen slobberden laag over z’n knuistje op den grond, z’n
polsen en hand half bedekkend.
—Hee boàs.... boàs, schuchterde z’n stem,... hai je nog ’n pruimpie....
je hep ’t b’loofd!
—Bé-jai-’t-Hain!.... hier! pakkan.... kanteloep!
Gretig propte ie met z’n vuile vingertjes tabakskrul samen uit koperen
doos die Piet, naar achtergedraaid ’m voorhield, en gulziger nog bultte
ie propje z’n mondhoek in, zuigend, zuigend, dat ie kwijlde van genot.
—Kâ je d’r nou puur teuge.... je hep ’n kleur aa’s ’n vuil hemp....
—Ho-je-mie!.... ho-je-mie! schaterde kereltje hoonend, met woeste hand
langs z’n kwijlend mondje strijkend,.... ikke rook t’met van main
sevende joar.... g’laik op mi foader! enne.... main broertje van ses
pruimpt wá’ stefig!.... En Kloas Dirkse.... Dirkse hep ’n.... soontje
van.... vaif.... die rookt aa’s ’n skoorsteen.... t’met.... vast woar!
—Nou, dá’ pak skeef uit.... dà pak skeef uit mi jou,.... dolde Piet,
snel wiedend, rondstrooiend z’n onkruid op de paadjes.... jai bind d’r
nog slimmer.... nog slechtiger aa’s ketoen van twee sint ’t el....
—Hier-op-pan! lachte schalksch het mannetje.... ik bin alletaid
thuis.... waa’k woon? Bikkepad.... nummertje soek moar!....
Ouë Gerrit sjokkerde achter Piet om, lekker zich voelend in lichte
zonnehitte die aanwasemen kwam, en gretig snoof z’n neus aardgeuren,
zoelig en zoet. Nou keek ie ereis maar wat rond. Z’n blommetjes had ie
op de plaats van Bekkema, al wat gesnoeid, licht werkje. En niks was
daar voor ’m geweest. Alles stond er nog potdicht. Alleen ’n boodschap
van den huisknecht had ie gekregen, dat ie deze week moest klaar zijn
met de perkjes en gazonnetjes vóór de villa! Nou had ie dààn, al van
heel vroeg, en rustigjes stond ie te genieten, geuren in te drinken,
z’n pijpje linker mondhoek, stevig ingebeten. Lekkertjes dampen zoo, en
toch rustig loeren of d’r wat op den kop te tikken viel. Hij dacht over
’n vondstje. Vlak aan den weg, tegenover ’t villatje van Bekkema, was
’n klein huisje getimmerd van ’n fotograaf. Bij dien had ie al ’n paar
ochtenden rondgedrenteld en ’n bakkie leut geslobberd. Die vent was
heel vrindelijk voor ’m geweest, had ’n paar maal, in allerlei standen
’n kiekje van z’n kop genomen. Dat mocht ie wel hebben zoo, want
iedereen zei dat ’t ’n rijke kerel was, die fotograaf.
Damp-zwaar zoog ie òp z’n tabaksrook, dat ’t zacht reutelde door ’t
pijpsteeltje.
Lekker.... lekker tug soo’n paipie.... koesterde ie in zichzelf....
soo’n paipie.... in ’n lekker sonnetje.... Miskien oogst tug nog
bestig.... enn.... bai die fent.... van de potegroàf.... soo veul moois
sien.... Da kon rooie.... puur rooie.... suiver rooie!....
Zoo, in soezelige blijscheutige gedachtetjes snoof ie grondgeuren op,
van allen kant, en vroolijkte er iets genoegelijks-rustig in ’m van
binnen.—
Rondom stonden de bollenakkers in bloei. Hoog rankten de hyacinten, in
hun vakkige stijfheid, uitstortend zoeten, diep-doordringenden
geurwalm, en overal rond, vlam-vlekte, broeide, schuimde en bruiste ’t
licht in dollen droesem over de kleur-felle akkers. In regel-rij
schuimden als sneeuw-schitter, de hoogwitte hyacinten, rein veld van
hagelblanke bengelende klokken, uitgalmend geuren. Dwars er tegen, er
over en om, paarse stroomen, trillende kleurgolven, in het vochtige
daggoud van Hollandsche atmosfeer. Paars, lichter en dieper, stijgend
en dalend in gamma’s van gloed. En overal, op de doffe pracht van
stengel-groen, gouden trompetnarcissen, als in koperen jubel onder het
bevend lentelicht, uittoeterend zonnezang over de velden, wijd-alom.—
Zacht, boven de hoofden der werkers, verliep lentedag in late zon,
dwars de boomen, rood-goud door hun groene pracht zeeftend. De lucht
stond wolkloos aan allen kant, teer azuurblauw, droomerig ver en diep,
wonderfijn ’t licht weerkaatsend, in zacht, nimbusgouïg avondrood,
vochtig en heilig. De werkers op de landen, zoelden in ’t zachte
groen-goud, en over hun gezichten nimbuste rooiige weerschijn, glans
van verheiligd licht. ’t Late zonnevuur brandde op petkleppen van wat
arbeiders in de bollen; vuur, dat weerlichtten zilveren flitsen door ’t
avondgroen, bij beweeg van hun werkkoppen. Rondom de werkers, overal
nog in beestigen zwoeg gebukt, ’t gezicht naar de aarde, gehurkt
tusschen hun bedden van groente en gewas, ging zonne-avond rond, in
zacht-heiligen brand. Fijn getwijg stond te glanzen als stoeiden er
engelen rond-omme de boomen, als dwaalde er toortsen-tocht van
madonna’s, gloed zonder vuur, goudene damp, wazig tusschen de bladeren,
in roerloozen zwijg van het land. Lang áángehouen, stond de hemel stil,
in doornevelde goudrooie glanzen, plechtig en wijd-uitstralend, al
lager, lager.—Onderste struikvlammen en boomknoesten gloeiden nà in den
nimbusbrand van avondgoud.... Bronsrood verdroomden de boomstammen;
laag bij de aarde zonk dieper de zon uit in violet vuur, onder singels
en hagenbosschage, over akkerruimte, wijd-om verpralend.
Mijmerende tempering vloeide over de kleurkelken van hyacinten. Zacht
doofde uit, de goudfelle zang van trompetnarcissen in het plechtige
avondzwijgen en èven nog, brandde na, in schroeiloozen, wondren glans,
rood vochtgoud over de huisjes en ruitjes. Wazig en droomerig stonden
de verre boomen te luisteren, roerloos naar de avondrust; eeuwig en
plechtig stond stil de lentelucht, doorwaaid van zachte geuren.
En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant,
winde-voetjes door ’t loofgroen, in ruischenden stap, en dieper de
zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden weer in zoet bloemenaroom,
sterker in avondval. Paarse en violette bloemselen ademden uitgebrand
in zachten, stillen schroom; blanker in verscheem’ring sneeuwden òp de
witte hyacinten.