II.

Hooger en weelde-dieper lenteleven kwam er bloeien en zoet geuren in

Aprilmaand, over de akkers. Fel stond ’t groen, narcissen en tulpen in

hun grijs-blauwe loof. Overal uit het duizendlanige Duinkijk om

Wiereland, tot aan Zeekijk, vloeide áán, de zoet-duizelende geur van

bloeiende hyacinten, lichtelijk ontknopt, de lucht doordroesemend, de

aarde bekleurend in teer-brozen gloed. Dronken luchtwaaisel, warm en

eind’loos zoet, doorgeurd, woei longen in en hooger àl stonden de

werkers omlijst van hun sierende singelhagen, op ’t ochtendland. In het

getemperd hemelblauw, nevelig doorwaaid van gouïge dampen, stortten de

dagen zich uit over de akkers. Heerlijke jonge vreugd-adem zoelde en

koelde door ’t bollengroen en licht, in lentevuur, vlamde zonschijn van

akker naar akker. Beukgroen van de lanen stond te wierooken in zacht

lentewaas, en elk uur hóóger steeg ’t licht, doorvlamde ’t gras in

zacht sappig weeldegroen, fluweel groen, zoet-zijïg groen. En de boomen

overal traden áán, in fijne sier van jong-puntige blaadjes, overal

neer-regenende pracht van satijn-groen over de heilig-stille wegjes met

vocht van lentedauw doordrenkt. Overal lichtglans van nieuw leven dat

aanzoelen, aangeuren, aanwuiven kwam, tusschen woesten groei van gras,

rond wegduikende beekjes, langs oevertjes-stille lommering, langs

watertjes, die glans-gouïg en zilverdoorstoeid van lichtrimpeling

plasten en terugkaatsten, in bronze bodempjes, hemelblauw en

wolkzilver, kristallig en even verdonkerd van gloed. Waar klaar

doorhéén kleurden beekjesgrond en koralige steentjes, bloedrood.

Aprilmaand was, verstald als blanke vrouw van mythische sier, ingewiekt

met gouen vleugelslag van zonnelicht, tusschen de velden, de eerst nog

droef-grauwe landen. Daar zwierf ze plots, in lijnen-woest kapsel, met

goudrossigen haarzwier, die vlamstreepte en lichtkringen trok door de

lucht en ’t akkerloof. Vóór haar zwierden uit, blank-albasten handjes

in godinnegratie, die rondstrooiden zoete bedwelmingen van geur en

kleur. En rag schuifelde haar teedere voetjesgang door gras en

sierloof, dat er ritseling golfde, als aanvloeiing van fijnregenend

fonteingeruisch. En overal waar ze zwierde en zweefde, dàn liep en

rustte, gingen zacht branden om ’r heen, kransen van kleur en kransen

van licht. En waar haar wisselsnelle voetjes schuifelden en betipten

éven de aarde, golfde achter haar aan, blank en blond spel van lijnen

en glanzen, die ze terugving op doorvonkte sluiers van

kantille-goudgaas, weer òpstrooide in kringen, al breeder en breeder

uit, wel grillig en jong-vurig, maar licht en juichend; glans die

gloeide, licht dat duizelde, bruiste en vonkte op de warmte-inzuigende

aarde.

Er was vroolijk gestoei onder de werkers. Ieder voelde wat aanvloeien

van de bedwelmende Apriljool in lucht en grond, hoorde schuifelen den

schalkschen stap van de vrouw met ’r goudrossigen haarbrand.

Op de akkers was drukker beweeg en blauwkielen, diepkleurend met

burries, vlammig beschilderd, droegen sneller dekriet tot hooibergen,

hoog dofblond, even door avondzon in rooden gloed getooverd.

Rond de akkers was nog druk gespit van bollenkweekers op hoekpunten. Op

den Beekhoek, zwaarder omdromd van groen, stond Ouë Gerrit te kijken.

’n Bed van ’m af hurkten Dirk en Piet tusschen de aardbeien. Overal

rondom, piekten tuinders rijzen den grond in, die al klaar lagen op

losse bossen tusschen de erwtenpaadjes. Licht-even groenden de doppers

de aarde uit, in scheemrige fijne regels. Het dooie-grijs-brons

rijzenhout brak malschen toon van ’t sappige gras in den omtrek. In één

dag stond laag-groen landschap doorpriemd van bajonettigen stand van

rijzenhout, mans hoog, vèr over de akkers. Als gepiek van verweerde en

beroeste geweerloopen knoesterig en takdood, stonden de rijen hout

tusschen het jonge doppergroen. En tusschen hekjes en stekjes, àchter

takjes en knoestjes, schemervlekten hurkende kerels in blauwkielen als

gedoopt in afdruipend ultramarijn. Hun stompe klompenneuzen drukten in

’t zand, als ze knielden naast hun hout en langzaam de rijzen op regels

voortschoven, de puntig gesneden knuppels, met forsche rukken en

stooten de aarde inborend.

Na eetuur van twaalf, stapten Dirk en Piet achter hun huisje op de

akkers, wat spinazie snijend voor de markt. In groote bakken, vurenhout

kistwerk, beschilderd met blauwe letters G. H., zeisten ze de spinazie

bijéén, op bosjes, losse blaadjes, geurige jonge groenten, dat het

glanzende sap van hun messen afdroop en zoetige lucht, frisch en

prikkelend de bakken uitwaaide. Dirk sneed kalm en zeker, Gerrit laadde

op, Piet sjouwde de kisten naar den wagen. Na ’n uur werken trok Piet

naar de haven, waar al lichtelijk en duizelig door-eenwarrelend

gedrentel van marktdrukte joelde. Groenteventers van ’t stedeke, zonder

land en zonder eigen waar, stonden gedrongen om tuinders die te veel

goed hadden en niet meetrokken met de tuindersbooten op marktdagen,

naar Haarlem, Amsterdam. Aan walkanten, en onder áánlichtend groen

kastanje-lommer van de havenboomen, vlak voor ’n rij woonhuizen, was

uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van

walkant tot aan de stoepe. ’n Ophooping van karren met stilturende

trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille

koop voor afslag klonk ’r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden.

Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel,

en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers.—

Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met ’r rosgouen zwier van

wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in ’r ranke gracie en

vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in

háár plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal

dreigde wintergrauw in de luchten.

Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk,

breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge

bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje,

om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in

angstzwaar, woest regenzwerk.

Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde

tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van

waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den

spoordijk, rond polderruimte donkerde ’t regenzwerk; droef daarin de

gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes

zonder ingangen.

Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam

van seinwachter, die draaide aan z’n paal voor z’n huisje, dat er

parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den havenwal joeg gewoel en

gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen

klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht,

wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde

polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk,

rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht

hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden

wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aansjacherend

marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen luchthoek, in statige

wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond

hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter

en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil

walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun

kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in

benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming ònder hun

angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van

schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie

bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en

afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d’r kanten, in voeten-

en handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal,

tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en

tusschen honden.—Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit,

slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten

en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap ’t groen van

spinazie en wat vroege sla.

Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter

haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleurkransen, lichtglorie van

aanwarmend zomerland. Struikgroen en jong geboomte stonden te wasemen

in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.

Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Eérst jolig werkgeluk

was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte

van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer

op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leefsap, dat in

wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was ’t getuur van tuinders en

kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den

zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien zou, brengen kwam

oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.

Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In

al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen,

lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom,

erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde.

De aardbeibedjes jongden in d’r hel tintelende groene uitloopertjes,

lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood,

gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen

lentegroen, éven z’n weedomlied van herfst.

Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen

z’n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met

helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de

worteltjes.

—Seg Piet.... hai jai d’r nog doppers.... de wind hep hier huis

houe.... nie een die d’r opkomp!.... kaik!.... dá’ hebbe de musse in

gefrete.... dá’ tuig!

Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z’n

armen in breed gebaar.

—Ikke hep hier niks.... hep den Ouë dan nie walletjes anstreke?....

—Wa’ nou.... walletjes? bromde Dirk met z’n rug naar Piet toe.... of

dá’ stoàm-erte binne....

—Watte?.... schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.

—Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te

hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z’n jongensknietjes, mannig

in z’n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend,

nu weer in jonge sla, die al fletsig met z’n geel-groenige

schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z’n kleine kinderknuistjes

wroetten driftig tusschen ’t onkruid en telkens èven schrok ie met ’n

vloek terug, zoog ie z’n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken

had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z’n gescheurde broek om

z’n lijf en z’n voeten in baggerschoenen,—rooiig en gat-doorvreten, dat

vieze teentjes er uit kromden,—plompten weer met zwaren druk op

bed-randje van wortels.

—Seg Nailis, wa droai je d’ruit.... wá’ goan dá’ vlug!

—Se heppe main nie vlugger moakt, lachte ie met guitigen kop éven

opgeheven uit wiedbuk.

—Hier-op-pan! hee! je hakt puur mi je poote in de wortele!.... f’rwá’

hai je gain klompe?....

’t Manneke bromde wat. Z’n klein bruin knuistje rukte door, vuil uit

den grond, in snelle grabbeling steunend op andere hand, gestrekt onder

z’n ingehurkt lijfje. Plat op z’n knieën schoof ie voort in buk, al

driftiger en gejaagder ’t onkruid voor zich uitsliertend op paadje.

Smerige kielmouwen slobberden laag over z’n knuistje op den grond, z’n

polsen en hand half bedekkend.

—Hee boàs.... boàs, schuchterde z’n stem,... hai je nog ’n pruimpie....

je hep ’t b’loofd!

—Bé-jai-’t-Hain!.... hier! pakkan.... kanteloep!

Gretig propte ie met z’n vuile vingertjes tabakskrul samen uit koperen

doos die Piet, naar achtergedraaid ’m voorhield, en gulziger nog bultte

ie propje z’n mondhoek in, zuigend, zuigend, dat ie kwijlde van genot.

—Kâ je d’r nou puur teuge.... je hep ’n kleur aa’s ’n vuil hemp....

—Ho-je-mie!.... ho-je-mie! schaterde kereltje hoonend, met woeste hand

langs z’n kwijlend mondje strijkend,.... ikke rook t’met van main

sevende joar.... g’laik op mi foader! enne.... main broertje van ses

pruimpt wá’ stefig!.... En Kloas Dirkse.... Dirkse hep ’n.... soontje

van.... vaif.... die rookt aa’s ’n skoorsteen.... t’met.... vast woar!

—Nou, dá’ pak skeef uit.... dà pak skeef uit mi jou,.... dolde Piet,

snel wiedend, rondstrooiend z’n onkruid op de paadjes.... jai bind d’r

nog slimmer.... nog slechtiger aa’s ketoen van twee sint ’t el....

—Hier-op-pan! lachte schalksch het mannetje.... ik bin alletaid

thuis.... waa’k woon? Bikkepad.... nummertje soek moar!....

Ouë Gerrit sjokkerde achter Piet om, lekker zich voelend in lichte

zonnehitte die aanwasemen kwam, en gretig snoof z’n neus aardgeuren,

zoelig en zoet. Nou keek ie ereis maar wat rond. Z’n blommetjes had ie

op de plaats van Bekkema, al wat gesnoeid, licht werkje. En niks was

daar voor ’m geweest. Alles stond er nog potdicht. Alleen ’n boodschap

van den huisknecht had ie gekregen, dat ie deze week moest klaar zijn

met de perkjes en gazonnetjes vóór de villa! Nou had ie dààn, al van

heel vroeg, en rustigjes stond ie te genieten, geuren in te drinken,

z’n pijpje linker mondhoek, stevig ingebeten. Lekkertjes dampen zoo, en

toch rustig loeren of d’r wat op den kop te tikken viel. Hij dacht over

’n vondstje. Vlak aan den weg, tegenover ’t villatje van Bekkema, was

’n klein huisje getimmerd van ’n fotograaf. Bij dien had ie al ’n paar

ochtenden rondgedrenteld en ’n bakkie leut geslobberd. Die vent was

heel vrindelijk voor ’m geweest, had ’n paar maal, in allerlei standen

’n kiekje van z’n kop genomen. Dat mocht ie wel hebben zoo, want

iedereen zei dat ’t ’n rijke kerel was, die fotograaf.

Damp-zwaar zoog ie òp z’n tabaksrook, dat ’t zacht reutelde door ’t

pijpsteeltje.

Lekker.... lekker tug soo’n paipie.... koesterde ie in zichzelf....

soo’n paipie.... in ’n lekker sonnetje.... Miskien oogst tug nog

bestig.... enn.... bai die fent.... van de potegroàf.... soo veul moois

sien.... Da kon rooie.... puur rooie.... suiver rooie!....

Zoo, in soezelige blijscheutige gedachtetjes snoof ie grondgeuren op,

van allen kant, en vroolijkte er iets genoegelijks-rustig in ’m van

binnen.—

Rondom stonden de bollenakkers in bloei. Hoog rankten de hyacinten, in

hun vakkige stijfheid, uitstortend zoeten, diep-doordringenden

geurwalm, en overal rond, vlam-vlekte, broeide, schuimde en bruiste ’t

licht in dollen droesem over de kleur-felle akkers. In regel-rij

schuimden als sneeuw-schitter, de hoogwitte hyacinten, rein veld van

hagelblanke bengelende klokken, uitgalmend geuren. Dwars er tegen, er

over en om, paarse stroomen, trillende kleurgolven, in het vochtige

daggoud van Hollandsche atmosfeer. Paars, lichter en dieper, stijgend

en dalend in gamma’s van gloed. En overal, op de doffe pracht van

stengel-groen, gouden trompetnarcissen, als in koperen jubel onder het

bevend lentelicht, uittoeterend zonnezang over de velden, wijd-alom.—

Zacht, boven de hoofden der werkers, verliep lentedag in late zon,

dwars de boomen, rood-goud door hun groene pracht zeeftend. De lucht

stond wolkloos aan allen kant, teer azuurblauw, droomerig ver en diep,

wonderfijn ’t licht weerkaatsend, in zacht, nimbusgouïg avondrood,

vochtig en heilig. De werkers op de landen, zoelden in ’t zachte

groen-goud, en over hun gezichten nimbuste rooiige weerschijn, glans

van verheiligd licht. ’t Late zonnevuur brandde op petkleppen van wat

arbeiders in de bollen; vuur, dat weerlichtten zilveren flitsen door ’t

avondgroen, bij beweeg van hun werkkoppen. Rondom de werkers, overal

nog in beestigen zwoeg gebukt, ’t gezicht naar de aarde, gehurkt

tusschen hun bedden van groente en gewas, ging zonne-avond rond, in

zacht-heiligen brand. Fijn getwijg stond te glanzen als stoeiden er

engelen rond-omme de boomen, als dwaalde er toortsen-tocht van

madonna’s, gloed zonder vuur, goudene damp, wazig tusschen de bladeren,

in roerloozen zwijg van het land. Lang áángehouen, stond de hemel stil,

in doornevelde goudrooie glanzen, plechtig en wijd-uitstralend, al

lager, lager.—Onderste struikvlammen en boomknoesten gloeiden nà in den

nimbusbrand van avondgoud.... Bronsrood verdroomden de boomstammen;

laag bij de aarde zonk dieper de zon uit in violet vuur, onder singels

en hagenbosschage, over akkerruimte, wijd-om verpralend.

Mijmerende tempering vloeide over de kleurkelken van hyacinten. Zacht

doofde uit, de goudfelle zang van trompetnarcissen in het plechtige

avondzwijgen en èven nog, brandde na, in schroeiloozen, wondren glans,

rood vochtgoud over de huisjes en ruitjes. Wazig en droomerig stonden

de verre boomen te luisteren, roerloos naar de avondrust; eeuwig en

plechtig stond stil de lentelucht, doorwaaid van zachte geuren.

En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant,

winde-voetjes door ’t loofgroen, in ruischenden stap, en dieper de

zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden weer in zoet bloemenaroom,

sterker in avondval. Paarse en violette bloemselen ademden uitgebrand

in zachten, stillen schroom; blanker in verscheem’ring sneeuwden òp de

witte hyacinten.

Menschenwee · 第 27 / 92 题