Warrelende schemersneeuw, traagvlokkend, wemelde over de breeë
Baanwijk. De boomen kromden stamdonker tegen de dampende, gelig-wit
stuivende straat. Van boulevardboomrij uit, donkerden heel van ver,
hooge karren en paarden omnibus-schimmig ààn, tegen den tragen
kringenden vlokwemel in. Even ’n vrouw, met triest-rood omslagdoekje en
donkere kleeren, fantoomde òp uit ’n laag huisje, de leege straat òver.
Alles witte, ingesneeuwd in stilteval. Bij ’n laag karretje, waarop
blauw melkvat, dat met besneeuwde hoepels-omranding stond te eenzamen
in ’n nauw wit zijwijkje, drentelde Kees Hassel heen en weer, wachtend
op ’n kerel, die misschien iets voor ’m had.
Demping en dampige stilte witte van straatjes en daakjes. Hoog bij den
Lemperweg naar ’t stationsplein, lag ’n groot brok weiruimte vol te
wemelen met glanzige vlokken. Tusschen de boomen overal, als in traag
spel van stoeiende hemellingen, schemerde prachtige stille warreling,
over en op elkaar, ingangen bouwend en hooge boogpoorten van
schemer-witte hallen. En àlom schuiner geweef van vlokken rond en om
roerloos takgedonker, doodstille stammen, pastelgroen in broze
kleurteerheid. Daartusschen nu en dan, beweeg van menschen met
sneeuw-zware petten en jassen, wit, wit, onkenbaar bevlokt op gezicht,
wenkbrauw en haar, doorsjokkend met donkerend lijf tegen den stoeidans
van vlokken in. En voort weer wemelden glans-zacht en kleur-schitterig
in zachten spat, de groote verstillende vlokken, op de al witter aarde,
al dons-zachter, op de roerlooze wachtende takken, op de doodstille
stammen.
Aan allen kant lag Wiereland ingesneeuwd. ’t Ouë jaar was als ’n woest
stuk leven voorbijgestoven, met nachtlijk rumoer, gebras, en
zuiplappen-gekrijsch van kerels en meiden, verdierlijkt in jammer.
Kouer bleef ’t in stedeke en Duinkijk, rondom de groote heerlijkheden
van Van Ouwenaar en Duindaal, met z’n witte akkers en noordpolige
blanke weibrokken, zelfs als de zon plots doorschitteren kwam en blauwe
dampen goot over ’t landwit, dat violet-zwaar verschaduwde in ’t
bleek-gouïge licht.
De vorst steeg en mopperend vloekten de kweekers, dat hun gewas uit den
grond was komen kijken en nou t’met doodvroor. Avond daarop daalde de
vorst, modderden de wijkjes weer in drassige brij, grauwden jammerdagen
in laag grijze luchten, verdruild door ’t vale stedeke, tot wéér inviel
sneeuw, almaar sneeuw, aanwittend en bedonzend de wijkjes en huisjes
zonder dat er ijs kwam in de sloten.
Kees stond te trampelen van voetenkou. Nou zou ie met den vent ’n
hoekkroeg ingeloopen zijn, als ie even bleef passen op z’n karretje,
maar die kwam niet terug. Verrek, dan zou ie ’m smeren.
Op z’n erfhuis bleef ie rommelen, uit ’t pleehok wat gier
opscharrelend. ’n Paar dagen had ie helpen opladen en wat kwartjes
verdiend, met nieuwe mandbodempjes maken. Nou was ’t weer daàn. Morgen
zou ie reis, puur uit verveling z’n rot brok skuur slope en ’r blokken
van zagen. Kon ie maar mee met de tuindersboot op Amsterdam, wa’ wild
en k’nijne smokkele.... da’ satte nou al die f’rdommelinge bai
mekoar.... en nooit kon ie mee. Maar van avond zou ’t er nou erais van
komme.... stroope.... Hij had afgesproken met drie lui, beruchtste
wildstroopers van Wiereland, omdat ie zelf geen kogel en geen
achterlaaier, geen sprenkels, niks, niks meer had. Z’n laatste laaier
hadden z’m afgekaapt op bijpad, de koddebeiers. Piet Hassel, z’n broer
wou ook mee, voor ’t eerst. Kon hem niks schelen, als ie maar geen
grooten bek sloeg.
Tot donker bleef ie nog rommelen op z’n erfje, grom-nijdig en
stil-wrokkend, dat er weer niks te vreten was. Donderement, nou wier
t’m te guur. Huiver-rillig schokkerde ie de kamer in, smakte zich neer,
plat op den grond, voor laag vuurtje, waarin takken vlamknetterden, als
in winterpret-verhaal met doorbrande schouw en den donkeren konkelpot.
Ouë Rams zat ’r weer met z’n beenen, in ’t verkort, in hoekje
opgedrongen, pruimstraaltjes sissend in ’t geknapper. Even verwarmd
stond Kees weer op, grommend. ’t Stonk ’r aa’s de pest.... en de zoete
valeriaan, kon ie niet luchte, maakte ’m misselijk. Dan nog maar effe
noar Grint.... tjonge die maid.... die Geert.... die draait sain puur
veur s’n test.... wat ’n lief ding....
—Waif aa’s t’met de kerels komme, lá’ hullie wachte.... aa’s hullie d’r
om àcht uur nie benne, goan wai f’nàcht....
Ant bromde iets terug uit ’t achterend, door wat schreeuw-kinderen
heen. Tegen half acht dook Ant uit ’t donker, om ’t lampje op te steken
in de kamer. Wimpie’s stemmetje zangde neuriënd uit z’n stikduister
hoekje en ouë Rams zat even flauw-rossig bewalmd in zachte
knettervlammetjes van schouw. Huilerig en drenzend sjokkerden de
kinderen, in armoedigen lampschijn groezelig bewegend, zich hun vodjes
van ’t lijf. Vier meisjes lagen al, nauw gekrompt bijeen in bedsteedje,
elkaars adem opzuigend. Twee, met slaperige morsige kopjes ronkten
naast drie woelenden, later ingestapt. Daàr, vlak boven hun hoofdjes,
als in ’n doodkistje, plankte eng kribje dwars tegen bedstee-schot,
klauterde Neeltje van vier in, met gatduwetjes van onderen
opstommelend. De gonjen bevlooide zakken met haverdoppen, waarop ze
lagen, stonken en wasemden vocht uit, als adem van ziek beest, door de
krottige slaapholletjes. Smal hanglampje, pitjes-droef, groezelde wat
vuil-geel lichtschijnsel op de magere slaapsnoetjes. Twee roodharige
kooters liepen nog wat rond, met bloote modderige voetjes, drentelend
in speelsche vadsigheid op den steenvloer, wachtend op nieuwe
schreeuwen en porren van moeder, om in te stappen. Zuigeling lag in ’t
bed van vader en moeder, naast Ant, voor ’t gemak ’s nachts, als
kindeke de borst moest lebberen. Dientje, ’t moedertje, met ’r
zenuwzwak kopje, holle wal-oogen en uitgebleekte wangetjes moest
rondgaan.
—Bidde.... helhoake, schreeuwde vrouw Hassel,.... nog twai Akte van
Hoop enne.... Akte van Berouw.... kaik rond Dien.... gaif hullie d’r ’n
mep.... dá’ kenalje.... la’ hullie nie klesseneere.... aa’s se nie
wille.... d’r òp moar!....
Bij knielend zusje Aafje ging ze staan om te hooren, in te vallen, te
verbeteren. Toen Aafje klaar was hielp ze’r in de bedstee, voorzichtig
tusschen de andere kinderkluit.—Van ’t schoorsteenrandje, uit ’n
hoekje, peuterde ze ’n fleschje open, nam ze zelf met rillingen ’n
lepel valeriaan. Voor d’r zenuwen, had moeder gezegd, omdat ze ’s
nachts zoo schrikkelijk droomde, zoo wild dee.... zeien ze,.... op ging
zitte, en bange gekkigheid zei. De kleine naast ’r most ook ’n slok,
krijschte Ant weer even uit achterend naar Dien.
—En sai.... sai mo’ nog bidde.... Dien.... kaik.... f’rdomd se lait
al.... Stommeling! kwam dreigend aanstuiven Ant.... Sien je nou nie
daa’ ’k brood an ’t moake bin?....
—Nou.... en.... ik bin soo moe.... zuchtte bleek-angstig Dien, ’r bruin
stinkend rokje van d’r beentjes schuddend.
Met ’n smak had Ant ’n lang-ijzeren brood-vorm en ’n grooten steenen
pan op tafeltje neergekwakt, dat de kinders verschrikten in de bedjes.
Wimpie, die neuriënd naar ’n Moeder Mariaplaatje te droom-turen lag,
schrok òp, hevig. Nooit kon ie slapen of moeder moest ook liggen, al
werd ’t elf uur. Plots kwam grootmoeder Rams aansjokken uit achterend,
vaagtastend in schuifel-pasjes overal heen, met ’r handen en armen
krommig vooruit, alles werend waartegen ze op kon loopen. Haar zwaar
korpulent oud-vrouwe-lijf, heupig-uitgezwollen, schommelde als van
tiendubbel berokte vischvrouw. Op vetten romp stond ingekwabd nekloos,
’n klein hoofd, vossig-spits, met erin, leelijk-groene schichtige
flikker-oogjes, weggediept in slappe, bruin-gele wangen. ’n Versleten
paars jak met zwarte streepjes over loggen borstenhang, was kort
afgefranjed in smerige rafeling bij tonnigen dijenschommel, en overal
kromden ’r groote handen met worsterige week-dikke vingers en stompe
vette armpjes,—gespannen in ’t nauw lijfje, als kinderdijen,—vooruit,
waar ze liep. Bij ’t bedje van Wimpie stond ze stil. Alleen nog maar
schaduwen kon ze zien. Op den dag liep ze wel alléén, omdat ze wòu,
maar telkens werd ze door goedhartige lui thuis gebracht, die ’r zagen
zwerven en tasten. Als ze met ’r befloerste oogen, waar ’t licht al
bijna uitgekringd was, in doffen appelstaar, strak tegen iemand of iets
aanliep, stotterde ze van kwaadheid, gaf ze dadelijk de schuld aan ding
of mensch, waartegen zij opbonsde. Nooit goed wist vrouw Rams wie wèl,
wie niet in de kamer was. Maar sluw vroeg ze ’t ongemerkt den
kleintjes, of Wimpie, denkend dat ze dan niet wisten, hòe weinig ze nog
maar zien kon.
—Mo’ je, mo’ je nie wa’ drinke.... jonge.... vroeg ze Wimpie al
tweemaal, die driftig nee had geschud, zonder dat ze ’t zag.
In ’r stem, schril en scherp lag bijtende klank van nijdigheid.
—Seg jonge.... hoor je nie?....
—Nee.... nee.... neenet!.... ’k mô nie.... driftte Wimpie, met z’n
hoofd draaiend, moeilijk in de peluw.
Over ’t bedje heen van Wimpie, boog ze ’r vossenkop, om ’m beter te
zien, moar ’t mannetje begon te huilen.
—Wa wi-je tog.... wi je tog, angstigde z’n stemmetje.... ’k mo’
niks.... ’k hê niks vroagt.
Ant, met ’r handen vol meelklonten, staand voor ’t tafeltje, keek naar
den hoek, barstte nijdig uit tegen vrouw Rams.
—Wa’ mo’ je tog moeder.... là sain s’n gangetje.... wa seur je.... je
moak sain in de loorem....
Stil-nijdig schoffel-paste ze weer weg van Wimpie’s ledekantje, langs
bedsteeën van de meisjes, die nu met groezel-gelig schijnsel op stille
slaapmaskertjes te snurken lagen, eng d’r lijfjes in elkaar gewurmd.
Even keek ze in, vrouw Rams, zag niets dan donker, sjokte verder, met
armen krommig-stomp vooruit, tot ze pal den hoek inliep, tegen lichtbak
van Kees op.
—Daa’s jouw.... jouw.... skuld.... jouw skuld.... beet ze af,
stem-nijdig zacht achteruit schuifelend. Maar niets hoorde vrouw Rams
terugzeggen, begreep ze dat ze ergens tegen aangeloopen was. Bij den
haard bleef ze weer staan, in lichtelijke uithijging van d’r zwaren
borsthang. Daar zag ze, in ’t schuwe licht, den schaduw-romp van ouë
Rams, silhouet van z’n bloote morsige voeten in ’t verkort
saamgekrompen; haar man, dien ze haatte, met wien ze al dertien jaar
niet sprak, die haar ook nooit wat zei. Ze haatte ’m omdat ie Ant met
Kees had laten trouwen, omdat ie Kees niet de ribben stuk sloeg en
omdat hij nooit op ’m meeschold. En hij, in z’n grimmigen, eenzelvigen
leefangst, oud, afgeleefd en verzwakt, wist niets meer van dien
trouw-rommel af, wou alleen geen gezeur, haatte heftig z’n vrouw terug,
zoo maar, uit afschuw voor ’r glunderige, ’r schimperige valschheid, al
bleef z’n haat niet meer zoo fel in z’n kop nagloeien als vroeger. Maar
bespuwen kon ie ’r, verafschuwen deed ie ’r, zonder ’t ooit iemand te
zeggen. Ingedrukt, in een bedsteetje op duf achtergangetje, sliepen ze
al dertien jaar naast elkaar, zonder ’n letter gesprek. En niks geen
gezeur, van niemand, wou ouë Rams. Alleen maar stilte, nou ie geen werk
meer kon doen, en vreete. Als ’r dat niet was, pruimpies en hitte. Zoo
bleef ie zitten op z’n stoel, bij de schouw, zomer en winter,
verlangend geen lucht, geen zon, geen straat te zien. Alleen mompelde
ie: swaineboel.... swaineboel.... als Ant geen tabak voor ’m gebedeld
had, of als ie z’n vrouw zag sluipen, rond ’m heen, zonder woord, al
maar sloffend en tastend in grabbel.—
Ant stond nog aan ’t schuddende tafeltje, onder schijnsel van
armoe-lampje, te grijpen in den vuilen, geel-glazuren pot, kledderde
telkens nat deeg van ’r smoezelige vingers in plaat-ijzeren vorm, met
’r bemeelde handen, grof-bekluit, persend en plettend. In ’t lage
kamerdeurke bleekte plots hoofd òp van vrouw Reeker van ’t pad. Guurte
bracht ze mee van de straat. Achter ’r lang, rood omdoekt lijf, kwakte
ze donkere hokdeur dicht, sjokte in zucht van uitputting op ’n krukje
neer, bij de schouw.—
—Main kristus, is dà skrikke....
—Gommenikki.... jai buurvrouw? keek verbaasd om, Ant.
Nooit kreeg ze bezoek van vrouw Reeker, omdat die zich altijd, als
vrouw van zuinigen braven kleinpachter, wàt te voornaam voelde om met
Hassels-schorem om te gaan. Want Kees, nie waar, wà was Kees nou veur
’n snaiboon.... nog g’neens ’n los werkman.... Maar nou was ze zoo
geskrikt op den weg, dat ze buiten ’r fatsoen ging.
—Buurvrouw.... hijgde ze nog met ademlooze stem, je mô.... je mô main
effe.... effe an ’t bedoàre late komme.... gaif main.... ’n.. ’n..
bakkie woater.... is da skrikke.... dá’ ’n mins doen ken.... is dá’
skrikke.... liefe-deugd!....
Ant wreef bedaard handen-plat over het deeg, gladduwend en indrukkend
buitjes en geultjes. Zacht was ze naar Wimpie geloopen die nog wakker
lag, om hem d’r vingers, rauw-bedeegd van witte kluitjes, te laten
aflikken. Dat vond ie zoo lekker altijd. Met één hand in Wimpies breeën
mond, de andere nattig, ruig afstrijkend aan ’r schort, vroeg ze half
naar vrouw Reeker toe, met iets bits in ’r stem:
—Moar main goeie mins.... wa’ hep je.... je laikt puur f’stuur.... hier
hai je ’n bàkkie.... doar in d’emmer....
Grootmoeder Rams was om vrouw Reeker heen geschoffel-past, had vlak op
’r donkeren rug geloerd en eindelijk aan de stem gehoord wie ’t was.
—Wa’ hai je?.... vroeg ze schel tusschen Ant en vrouw Reeker
inschuifelend.... hai je weer belet in je hoofd.... mi je spooke?....
Ze lachte scherpe schraapgeluidjes uit en in tastrichting nijdigde ze
haar woorden naar vrouw Reeker, die vóór ouë Rams zat.—
—Nou.... nou ik swair d’r op daa’k se puur sien hep.... twai....
twai.... eine van langest.... ’t pad....
—Nou mins, de boose gaist sit in je.... scherpte nijdiger vrouw Rams,
met sarrende mondtrekjes in ’r spitsig gezicht.... De duufel hep je
bait.... dá’s nou main weut.... die hep je puur bait....
Ant moest nog eruit, ’t brooddeeg naar den bakker brengen in Wiereland.
Al ’n kwartier wachtte ze op vrouw Zeilmaker en Zeune die altijd
meegingen, tegen dien tijd.
—Je ken hier blaive, soo lank je wil buurvrouw, moar ikke mo’ effe main
booskap....
—Nainet.... nainet.... dan goàn ik mai.... dan goan ik mit vrouw
Zeilmaker t’rug, zei drift-angstig vrouw Reeker, luchtig opstaand. Ik
durf.... durf nie moedersiel allainig ’t pad af.... twai.... twai....
hep ’k d’r nou sien.... ik sit d’r puur van te trille....
—Twai.... twai.... bitste vrouw Rams hoonend-streng.. mins ik seg
moàr.... paa’s op je sieldrement!.... je ben an de duufel f’rkocht....
paa’s d’r op!....
Plots met deurgebonk en gestoot rumoerden vrouw Zeune en Zeilmaker de
lage groezelig duisterende kamer in.
—Kloàr buurtje? schorde met heeschige, mannige ventersstem vrouw
Zeune....
—T’met buurvrouw, nou he’k de eer van vrouw Reeker d’r besoek.... s’ is
d’r puur tureluurs van, se hep weer spoke sien op ’t pad.
—Spoke, spoke? gier-lachte grof-hevig vrouw Zeune met ’r bassende
mannestem.... ’t regent t’met aa’s de see.... stikke donker.... en ’n
wind van foàldera!!.. neenet vrouwe! die komme d’r nou nie uit.... die
blaive bai hullie perremetoàsie.... die....
Bleek-bevend was vrouw Reeker weer voor ouë Rams op ’t krukje
neergezakt. Achter haar schonkig lijf sisten in ’t groen-duister
grootvaders pruimstraaltjes, sneller, sisscherp tegen konkelpotbuik
aan. Vrouw Rams was weer tusschen de visite ingeschoven, armen krommig
vooruit, in radden tast-schuif.—Ze wist precies nou aan den
stemmenklank wie er waren; Kees hoorde ze niet. Die was weg, wèg....
want met al haar haat, was ze bang voor dien kerel, voor z’n razende
drift.
—Ik seg moar, scherpte ze stil uit, da’ se d’r van bekold is....
behekst.... se mos puur belese worde.... daa’s nou main weut.... ik
belees hullie allegoar.... Wimpie hep puur behekst weest.... deur hoar
sloerie!.... die suiplap.... die maidejoàger....
—Moeder, là Kees se gangetje kregelde Ant, bang voor Wimpie’s drift, en
ook omdat ze ’t niet zetten kon nou, waar die branie van vrouw Reeker
bij was, dat ’r man zoo uitgemaakt werd.
—Wá! se gangetje?.... jai weut niks!.... niks, jai onskuld!.... jai
weut nie wa se segge.... op de ploats.... enne op de polder!.... Moar
nou.... hep ie.... hep ie de burgemeester weer wille dèursteke.... puur
woàr.... en nou hep ie weer àlderlei meissies ongelukkig moakt....
puur.... en nou hep ie drie doàge se aige dood-soope in de kroeg....
bai ’t Veertje....
—Daa’s jokkes, hai hep hier weest.... de heule week.... brak Ant nijdig
af.
—Da lieg jai!.... hou je bek jai onskuld!.... hai beliegt je....
beliegt je!.... soo’n skaamteloose vuilik!.... hai legt ’t àn mi iedere
maid van fleesch en beene!.... en.... enne iedere nacht hep ie stroopt
die dief.... die ongeluk in je huis!.. allegoar bloedsinte.... aà’s tie
d’rais wà afgaift.... je most sain!.... suilie moste sain fille!.... an
rieme snaie.... soo’n gedrocht!.... soo’n ketter!....
Ze stond te gebaren in ’t vrouwekringetje, woest-blij van binnen, dat
ze op Kees schelden kon, dat ze d’r hitte-kregel kon luchten, nou bij
vreemden, en hij toch weg was. Armen hoog boven ’r vossekop, gebaarde
ze met ’r twee handen bij elk scheldwoord, en in vingerkrampige
trekkingen, liep ze, in opwinding voortschimpend, tegen ’t lijf van
vrouw Zeune, die ’r met ’n stoot, kwaadaardig achteruit bofte. Ant gaf
’r moeder gelijk, altijd als ze alleèn waren. Maar nou, nou vond ze ’t
toch te bar.
—Moar moeder, wa’ hai je nou soo ineens op je heupe.... la sain se
gangetje seg ik.... là’ sàin.... je kletst puur de honderd uit....
Wimpie was begonnen, te snikken en te schreeuwen.
—Dà’ lieg ie Omoe.... da lieg ie.... Foader hep nies daan.... foader
hep nies daan!....
Met rood woedehoofd, doordrift van nijdtrekken, draaide vrouw Rams zich
naar Wimpie’s hoek, in schamperende spotlach.
—Hehie.... hehie.... nou.... dá’ manneke sel t’met beterder weute....
Aa’s ’k je moeder waas, had je al ’n veeg beet.... jou snurkert.... jou
hufter....
—Kom, kom waa’n geklieter.... bas-lachte vrouw Zeune.. je klets puur de
honderd uit vrouw!.... kaik ’rais.... die skoape doar.... droaie d’r
aige d’r van om.... je kraist se puur wakker vrouw Rams.... en kaik
d’ris mins Reeker beefe.. nog ’n kommetje woater.... hee?....
Ant was naar Wimpie toegeloopen, om ’m te sussen, zoende z’n handjes
die krampig de lucht ingrepen boven z’n hoofdje in machtelooze
drift-woeste gebaartjes, probeerend z’n grootmoeder wat plaatjes, en
blokjes, van z’n plankje, naar ’t lijf te gooien.
—Toe moar.... toe moar, scherpte die valsch, gooi je groomoe moar....
oartje noar s’n voartje.... dat ’n driftbulletje.. je sou sain t’met
molle-mi-de klomp.... toe moar....
—Groote gerechte! daa’s sarre an ’t skoap, dà stoan je nie net vrouw
Rams, barstte vrouw Zeune uit, met ’r zwaar manne-geluid.... f’r’wâ
moak je proatjes, woar de duufel mi se’n moer nie an g’looft.... daa’s
puur houe en bouwe....
Rouw snikte Wimpie door, beentjesbevend, dat ’t ledekantje
sidderschokte. Z’n stemmetje scheurde driftklankjes uit z’n keel,
overstaanbaar verrochelend in z’n huil. Suffer door de herrie zat vrouw
Reeker op ’r bankje, met ’r kommetje water in de hand, waaruit telkens
beef-plasjes op ’r schoot plonsten.... Vrouw Zeune had walg voor ’t
mensch Rams.
—Moar wà’ is d’r.... hebbe ze je dan hailig daàs moakt, baste ’r
goeiige mannestem weer.
—Dá’ rooit ná’ niks—teemde vrouw Reeker,.. ik hep ’t self sien! en....
enne vrouw Grint.... van ’t pad, t’met ook.. mit d’r aige ooge.... d’r
benne puur gaiste.... nou!.... nou!.... groote genoade! aa’s k’ran
denk!.... kraig ’k koors van angst!.... Nou was ’k lest bai m’n zuster
op de ploats.... en die.... die.... sien jullie.... die hep d’r puur
kenne woarsegge.
—Soo veul aa’s ’n tooferkol, schel-stemde vrouw Rams, sarnijdig weer
in....
—Nainet!.... puur nie.... puur woarsegge.... echt werk.... sien
jullie.... en d’r man.... d’r man ken van alderlei genaise.... soo
sebiet genaise, saa’k moar segge.... nou.. die is d’r ook.... ook....
van et spirre-ïsme.... sien jullie.. en nou he’k self sien.... aas da
main aige toàfel danst hep..
—Och buurvrouw, daa’s gekkighait, lachte vrouw Zeune goeiïg-grof,
vroolijk-ongeloovig, met meelij in ’r stem voor de strakangstig
kijkende stakker, die zoo bijgeloovig was,.... aa’s d’r g’n mins
ankomt.. ken de toàfel ommirs nie daa’nse.. àldegoar googelderai....
vast hoor buurvrouw.... vàst....
—Nainet! nainet.... hield zwaar-wichtig vol vrouw Reeker.... ’k hep
self sien.... wá’ main ooge tog sien mo’k g’loove.... Groote
genoade!!.... ’k ben soo doos-bang in huis, hee?.... aas de dood....
Woa’k sit t’met, denk ’k da’ ’k gaiste sien.... enn.... enne ’s nachts
durref ik niet ronden kaike.... Enn.... aa’s.... aa’s ’n mins op de
plai mo mi pirmissie.... naim ’k ’t lampie mai.... in donker.... en..
en.... joa.... lache jullie moar.... je weu nie woar ’n mins toe komme
ken.... nou.... dan.... ainmoal andermoal.... se’k lampie puur op ’t
grondje.... veur main.... pàl veur main.... ikke bin aa’s de dood....
de dood.... en aa’s ’k ies hoor.... ’s oafes.... spring’k op.... gil ’k
op.... want.. vroag moar an vrouw Grint.... of’ral sitte hullie....
of’ral.. of’ral....
—Buurvrouw, sullie hebbe je daàs moakt.... en je maa’n?.. je maa’n....
wa sait tie?... hai mos je ’n rammeling gaive! Jai hep sain vroeger
t’met ieder dag op s’n siel en soalighait mept.... nou most ie jou veur
’t bekkie sloan.... sain jullie glaik....
—Main man?.... nou, die lacht moar.... net aa’s Kloas Grint....
moar.... moar ’s nachts leg-gie te bibbere van de nood....
—Gommenikkie buurvrouw, niks dan googelderai.... dá’ seg ik.... daa’s
rommelpottrai.... Enne Driekoningge is pas daàn! drink moar!.... en
stap op.... de wind stoan op ’t pad....
—Jesis.... da nooit.... moedersiel op ’t pad.... doar hoor je nou niks
aa’s.... klos-klos.... klos-klos van klompe.... enn.... aa’s je mi’n
lichie komp.. is t’r g’n noàkende siel.. sien je niès en puur bai je
oor is d’r nies aa’s.. klos-klos.. klos-klos.... komp soo puur op je
af.... da’ je stik van angst..
—Nou seg,.... aa’s je main nôu!.... lachte vrouw Zeune.
—Nainet! Nainet! angstigde vrouw Reeker ontzet, met bleeker gezicht en
verschrikte staaroogen, ik goan vast nie terug allain.... vast nie.
—Moeder! kermde Wimpie, zenuwachtig-opgewonden door ’t verhaal van
vrouw Reeker.... Dientje en Jaa’nsie.... enne.... hebbe sait....
da’.... da’ snags.... ’s nags ’n woagetje mi sonder poardjes....
hier.... hier langest rait.... sóó.... deur.... deur de ploas....
Enne.... enne soo’ langest ’t pad.... soo.... hier vlak-en-langest!....
vlak-en-langest ’t roam.... Enn.... dá’ t’r.... da’ t’r.... ’n
dooskop.... op sit.... op de bok.... die kaikt.... kàikt.... almoar
kaikt....
Z’n stemmetje had zacht geklonken in gesmoorde ontdaanheid door de
plechtige luistering van de vrouwen, die mee-angstigden met ’t kind, in
benauwde gezichtsvertrekkingen.
Vuil groezelde lampjesschijn over schemerhoekje op Wimpies bedje, en
bleek z’n doodshoofdje grauwde in ’t vale schuwe licht, met angstoogen
groot en wildsmeekend, naar z’n moeder.
Stil stonden de bemutste vrouwenhoofden, donkerend naar Wimpie toe, in
angst-luister en even in plotse stilte loeide windvlaag ààn in
klaagsidder van buiten om raamduisternis, naar ’t nachtpad.
—’t Is sonde jonge, je moak main puur oàkelig.. zei rillend vrouw
Zeilmaker.
—Niks main jonge.... niks hoor, suste Ant, eigen bijgeloof-angst in ’r
hart smorend,—aa’s ’k weerkeer....
—Neenet moeder!.... neenet! moeder mag nie weg!.... nie weg!.... gilde
in dollen angst Wimpie, opsjokkerend z’n lijfje in kracht, met
elleboogstut achteruit in de peluw, dat z’n zandzakken aan ’t
voeteneind rumoerig bonkten, zadderend tegen ’t bed op.
—Moeder mo’ hier blaive.... ’k bin soo bang, ’k hep dooskop
sellefers.... sien.... sellefers sien.... en kaike.... al moar
kaike.... da’ sullie doen.... enne.... enne.. mi s’n neus op ’t
roampie.... soo.... soo.... en kàike!....
Lichter raakte geel schijnsel z’n doods-hoofdje, nu in angstgebaar
vrouw Zeilmaker van z’n bedje wegdonkerde, ’t licht uit.—In groezel
lampschemer van de kamer staarde ’t, in stillen schrik. Zweet
angst-glom om z’n breeën mond en neus en spakig uitgekniesd,
vleesch-vervreten, gebaarden z’n armpjes zenuwbenauwd boven z’n
hoofdje.
Vrouw Reeker rilde, bezoog ’r kommetje water met kakementbeving tegen
’t steen en vrouw Zeilmaker sloeg bang, in oogenangst, ’n kruis.
—He je main ooit?! stem-drift e ze zacht uit.
—Daa’s droome main jonge.... droome, suste Ant weer.. aaiig koesterend
z’n magere wangetjes en zweethoofdje.... daa’s nàgtmerrie. Murrige komp
koàpeloàn.... kê je biechte main jonge.... enn.... aa’s je kommuneseerd
heb is ’t daàn.. tog ieder moand sóó.... nie?.... Enne.... hep Omoe dan
nie je kouse kruist veur ’t bed leit, ieder nacht?
—’t Is sonde, lachte nu plots weer mannerig-zwaar vrouw Zeune, je mot
t’met op alderlei figgeleere.... kouse in ’n kruissie veur ’t bed....
jullie laikt hier t’met allegoar daas....
Vrouw Hassel bleef sussend en streelend Wimpie’s angstgrauw gezichtje
aaien. Naar buurvrouw Zeilmaker had ze stiekem gefluisterd nog even te
wachten.
—Aa’s tie wat bedoard is, goan ’k mee....
Vrouw Zeune was op ’t verbeukte waschstel over vrouw Reeker gaan
zitten, kijkend dàn op neergeblokte stomme ouë Rams, die pruim-siste
sneller, dàn op ’t beteuterde gezicht van vrouw Reeker, die kleine
slokjes klappertandend, uit ’r kommetje opzoog.
—Seg buurvrouw, barstte vrouw Zeune ineen weer uit, tot Ant, waar is
tog jullie gait bleefe.... is ’t beesie dood?....
’n Ontstelde wenk gebaarde Ant uit ’t halfduister hoekje, naar vrouw
Zeune toe.
’t Beesje hadden ze moeten verkoopen, voor de huur.—Kees had geraasd.
Wimpie was dol op ’t diertje geweest. Ruim ’n week had ie ’r om
gegriend. Maar nou net docht ie ’r ’n dag niet an, nou gong dat waif ’t
weer ophale.... Vrouw Zeune begreep half, maar zwijgend zitten kon ze
toch niet. Ze was gewend an venten, schreeuwen, drukte en wat ’r man,
klein tuindersbaasje, niet kon, lapte zij met ’r lolligen mond op de
markt en in Amsterdam.
—Seg buurvrouw.... is da’ snuit van ouë lappe al hier weest?.... de
huur ophoale saa’k moar segge?.... Is ’t ie al hier weest?.... wá’ ’n
dwarrel hee?.... Waa’n geep....
—Swaig buurvrouw... bin aa’s de dood... aas’k sain sien buurvrouw,
jammerde vrouw Zeilmaker... Nou kraigt ie van main puur ellef weeke..
nou sien ie, dá’ Joap nies omhande hep.... main Kees nies.... main
Willem nies.. Nou sien ie dâ wai droog brood vrete.. nou draigt ie
rond.. dà je de skrik om ’t hart sloat.... Main Kristus.. hai trapt ons
op stroat..
In woede trok vrouw Zeilmaker ’r kort rood sjaaltje dichter om ’r
schouers, prik-puntend onzeker, ’n speld in de wolstof.
—Hoe’s gosminsemogelik, jammer-schudde vrouw Zeune, met ’r hoofd dat de
zwarte balletjes van ’r wollen kaper juichten.... Dá’ kreng.... in de
ploas bai main suster.... beefe se t’met aa’s se sàin sien. Enne hai
sait moar.... hai sait.... de groote heere motte van main geld
hebbe.... ik stoan d’r veur.... aa’s hai nie betoalt.... is ie s’n
boantje puur kwait.. nou betoale se van somer dubbel huur sien
jullie.... dubbel saa’k moar segge.... om aa’s dan in winter is.... nie
d’ruit set worre.... Moar hai mot self betoale sait ie.
—Da’ liegt ie.... hai sait sellefers teuge màin swoàger... die bouwboer
uit de polder.... hep ie sellefers sait.... hep ie sait da’ tie ons
dondere sel tò wai nie meer kenne.... da’ tie ons achter ons
duufelemint sel sitte....
—Hier-òp-an! Gommenikkie, aa’s tie morge komp.... baste woedend vrouw
Zeune, ken ie ’n lik onder se’n kakebaine kraige.... waa’n skar....
waa’n kwinkwank.... Wai hebbe nie genogt in ons kop.... ’n mins valt
t’r bai dood.... aa’s je nie je lol d’rin houwt.... sou je t’met j’
aige f’rsuipe....
—Dá’ rooit na’ niks vrouw Zeune, schelnijdigde vrouw Rams ertusschen,
hai ’s ’n fesoenlijk mins.... hai suip nie.... hai loop nie nòa de
maide.... enn.... en ikke seg moar.... ’n mins sonder gòsdiens....
is.... is minder aa’s ’n beest.... daa’s main weut.... Hai.... hai is
suinig, hai is fesoenlik en.. en ’n mins sonder gòsdiens is.. is
minder.. aa’s ’n beest..
Stem van vrouw Rams beefde van nijdigheid. Haar lippen trokken hatelijk
op, één mondhoek bleef natrillen, ’r oogappels stáárden, stáárden....
—Nou, vrouw Rams, daa’s jou weut.... maar ikk.... ikke sien je?....
ikke f’rtrouw de vint nog nie mi ’n leeg flenelletje.... saa’k
stikke.... Jai.... jai kèn nie sien.... moar ikke wel.... Enne....
enne.... vroag nou alle vrouwe van de ploas.... wat-tie sloerie, die
vuilpoes van hòarlui hebbe wil.. aasse.... aasse nie betoale kenne....
Enn.... enne.... mí’ de jonge waife gooit ie ’t dubbel groag op ’n
ékoortje.... En hai.... hài nie suipe?.... hài nie suipe? Nou ikke
wou.... da’ ’k sain loodpot op da’ teràin hier had.... enne
fesoenlik?.. Hep ie nie mi main Trien gain hoarlemmerdaikies wille
moake? enn heb ie nie.... Geert.... van.... vrouw Grint ongelukkig
wille moake?....
—Daa’s puur f’nain.... fenain, schold met schelle stem grootmoeder
Rams,.... hai is altait in de kerrek.... enne niemoant is t’r soo
bestig in sain gloof aa’s hai... want sonder gòsdiens.... is ’n
mins.... minder aa’s ’n beest.... snappie.. vrouw Zeune....
snappie?!....
—Daa’s net, kalmde vrouw Zeilmaker.... gedrukt woar,.. aa’s ’n boek....
—Nou dattie katteliek is.... nou is tie broaf veur vrouw Rams, baste
gromzwaar vrouw Zeune, moar ik seg moar.... die faine.... die
faine!.... daa’s houe en bouwe.... kletse de honderd uit!.... moar die
hebbe se hier!.... achter hoarlie elleboog!.... enne.... ikk.... ikke
seg de gek.... veur main persoon.... ikke leen hoarlie lieverst main
kerkboekie.. aa’s main skoatse.... saa’k moar segge.
Ant stond nog in schemer-vaal hoekje, aan bedje van Wimpie, die half
onder stemgeraas insluimerde. Met ’r paarsig-magere, doorpeeste hand
streek ze zacht-koesterend over z’n bleek-beenig kopje, dat alleen even
opschokte, als stemme-gekijf oprauwde en vrouw Rams geluid,
nijdig-schel boven de anderen uitdrong.
—Vrouw Zeune.... ’t is sonde.... schamperde zachter ineens vrouw
Rams.... jai bin gevoarlik.... daa’s nou main weut.... jai goan....
vast.... in de f’rdoemenis.... jai kraigt nooit de genoade.... jai
belait je skult nie.... jai hep gain ootmoed....
—Bi-jai-’t-Hain! poe!.... poe! blies minachtend vrouw Zeune terug....
aa’s je nie puur veul ouer was aa’s ikke.... sou ’k je roake.... je mos
je skame.... minss.... jài mot noodig klesseneere van ootmoet.... die
flapt d’r me’r alles uit wá’ se leest hep in d’r kàtegismis.... da’
ke’k ook.... van elk skoap op de werelt spreekt se kwoad.... jai bin
main ’n dàs.... hieròp-pan!....
—Jai bin f’roordeeld, plechtigde klemmender vrouw Rams door, ’r starre
oogappels in stemme-richting van vrouw Zeune, beangstigend in
geloofsextaze, stijgend in stemmeplechtigheid.... jai goan de doossonde
in!.... jai blaif.... brande.... in ’t onuitbluschboar voaagevuuur....
jai kraigt gewaitens-knoaging!—
Zelotische waanzin galmde door haar stem en ’r handgebaren, vaag de
richting in van vrouw Zeune, strekten en krompen terug, in en uit ’t
groezele kamerduister. Een starre grijns van dwepen stramde in ’r
spichtig bruin-geel gezicht en rillend onder angstigen invloed, stond
vrouw Zeilmaker ’r te bestaren.
Ook vrouw Zeune, in ander geloof, wist in ’t eerst niet wat ze zeggen
zou, overbluft door de plechtige dreig-strakheid van vrouw Rams woorden
in ’t stille krot, omloeid van windgeklaag.
—Bi-jai-’t-Hain! lolde ze plots ruwig terug, na even stemmestilte
tusschen allen.... daa’s fàine kemedie, mi-sonder betoale.... mooie
f’rtooning.... allemàchtig.... waa’n waif.... komp Ant is ’t daan?....
’k mot soo fort....
Uit ’t donker bedsteedje waar Dien met d’r drie zusjes lag, rommelde
plots rumoer òp en angstig gehuil. Dientje was recht overeind
gesprongen.—’n Paar vuile lappen als dekking over de kinderlijfjes
heengepuild, had ze van ’r afgetrapt, dat de karkasjes ingekronkeld,
slaap-asemend, in doffe suffige stilte, naakt wurmden en guurden in ’t
armelijke groezellicht. Te gillen zat ze overeind, met ’r mager
verzenuwd borstje bloot, ’r groenige, mager-beenige knietjes onder de
kin, staar-oogend tegen ’t donkere bedmuurtje, met ’r handjes krampig
in ’r kort afgesneeën blonde haren woelend.
Ant joeg naar ’t bed, woedend. Van niemand anders kon ze wat velen dan
van Wimpie.
—Hou je bek maid.... hou je.... hep je weer je malle kuure?....
Maar Dientje zag ’r niet, bleef staren, krabde één handje op ’r naakte
dij onder ’r smoezelig-goor vod-hemdje en met bangen angstsidder in ’r
stem, toonloos heeschte ze zacht-gerekt uit, als in ijlkoorts:
—Hier.... hier.... hier hep.... pie main beet!.... Help help.... nou
wil ie main steke.... Stil!.... stil!.... kaik hier.... stil!....
„Help” had ze zacht uitgeheescht, en „stil” toonloozer nog
doordringend, angstig-broos.
—Hou je bek mormel, d’r is niks, goan legge!.... d’r is niks!....
Buurvrouwen waren in kliek naar ’t bedje gedrongen, met de koppen
bijeen, het duister holletje ingebogen. Maar Ant drong ze terug en
fluisterend vroeg ze aan vrouw Zeune of ze d’r effe, ’t flesschie uit
den hoek van ’t schoorsteentje wou geven. Dientje, in bed, met ’r
voetjes opgetrokken, op de gonjen zak, kromp in, stamelde zacht
klankjes, lief-schreiend, die volgden r’ vingertje, dat strak-zeker
iets aanwees op ’t donker muurtje van bedstee. En zacht afgebroken,
toonloos, heeschte ze weer.... plots met ’n gil ertusschen.
—Dà komp ie.... moe.... oè.... moe.... oe.... der!! Nou hep ie ’n
mes.... enn.... enne ’k wor soo dik.... soo dik!!.. Main hoofd wor
soo.... dik.... kaaik.... kaaik.... nou graipt ie.... enn.... o....
moe.... moe.... oe.... der!! nou steekt ie.... aijj.... aijj!....
ajj!!.... moederrr.... hai steekt.... moederrr!.... moederrr!....
Twee kleintjes naast ’r werden wakker, wreven hun nachtlijfjes in
kouguurte, huilden zacht in stillen schrik. In ’t ander bedje bleef nog
stil alles. De half-open slaapmondjes zuurden adem uit in eng
ruimtetje. Opgedrongen bijéen, in nauwe holletjes met armpjes op
elkaars borst en gezichtjes gedrukt, grauwden de kopjes onder ’t
groezel-zwakke licht, stil en wezenloos; verstonk er scherpe
urine-lucht.—Vrouw Rams was van den haard, in tastvagen schuif, arm
gekromd vooruit, door ’t vertrek naar ’t bedsteetje geschoffeld,
scherpte weer nijdig.
—Daa’s de sonde van je sloerie!.... die suiplap!.... die
maidef’rkrachter.... daa’s de vloek van onse Heere....
—Hou je bek moeder.... seg da nie.... je moakt main roàsend!....
roàsend!!.... ’k sou sain f’rmoorde kenne aa’s tie thuis komp....
stootte Ant uit, in huilwoeste vervoering en snikdrift van uitputting.
—Da’ lieg ie.... da’ lieg ie Omoe.... kermde Wimpie er doorheen, die al
lang wakker was, en stil-ontdaan te luisteren lag naar ’t
zacht-ontroerde ijl-stemmetje van Dien.
—Moar buurvrouw.... wa’ skeelt da’ kind? baste driftig vrouw Zeune.
—Aldegoar senuwe.... senuwe sait dokter....
—Nouw daa’s net, stemde verbouwereerd vrouw Zeune in, angstig kijkend
naar Dientje.... daa’s eenderlai maine....! moar sóó erg toch nie
buurvrouw....
Ant was weer naar Wimpie toegehold, had ’m geaaid, en gesust, dat ie
weer rustig werd.
—Nouw buurvrouw, ik seg fierkant.... da kind doene te veul.... dâ
is’t!.... Se hep main d’r nood al kloagt. Soo’n hufter.... soo’n
neutedop!.... Nou kaik.... ’s morges de polder in!.... enne.... kaik!
om naige uur weer ’t gangetje skrobbe bai vrouw Leming.... soo’n
skoap.. tut hallef ellef.. nie?.... nie?.... enne.... dan.... dan
mos-se doalik na de ploas kèrante ombrenge.... veur Teunisse....
tut.... tut.... drie? da’ skoap!.... enn da’ hepse nog niks in ’r
laifie.... en ’s middags jou hellepe.... en s’oafes mo se finte aa’s
t’r is, mi poone.... da skoap!.... se loop d’r aige dood.. enne op de
kooters passe!....
—Wa’ gesanik, buurvrouw, nijdigde Ant.... is ’t main skuld?.... se hep
niks meer om hande.... van skool kenne wai nie frete!
Nijdig slofte ze weer naar ’t bedsteedje toe, naar Dien die
zacht-toonloos door-ijlde, met dwalend stemmetje; greep ’t kind met éen
hand bij de polsen, brak ’r tanden, met scherp afgekartelde tinnen
lepel van elkaar, ’n sloot valeriaan ijlend kindermondje ingietend.
—Niks aa’s senuwe.... dokter sait ’t ook.... se hep ’t nie veul.... soo
eens in ’t weekie.... ja buurvrouw.... daa’s nou màin lééfe.... Soo mo
je nou in d’r eeuwighait an ’t hannekemaie!.. naige kooters.... één an
de borst.... sonder vreete!.... die màin ’s nachts nog leegsuigt....
drie moal.... daa’k gain oog toe doen!.... Bestig leefetje soo heè?
gain wonder daa’k kaik aa’s ’n geroamte hee....?
Ant snikte. Met ’t fleschje in d’r hand was ze neergestrompeld bij ’t
tafeltje, gingen er schrei-schokken door ’r schouders.. De buurvrouwen,
om ’r, stonden stil, met verdroefde gezichten.. Vrouw Reeker was
heelemaal ’r eigen angst vergeten en stilletjes aangedaan van de
narigheid bij Ant. Nooit zou ze zoo trotsch meer wezen, nam ze zich
stilletjes voor en ereis wat sturen, als ze wat over had. Beschaamd om
’r grienen was Ant weer opgestaan, droogde met forsch schortgewrijf ’r
oogen uit; keek ze neer, strak op Dientje, die zacht nog steunde en
wartaal uit-angstigde, maar toch weer toegedekt lag, onder ’r
stank-verwasemende half-rottende boekweitzakken, met ’r bleek,
zenuw-doorschokt, starend hoofdje onder de luizende lappen uit.
—’t Skoap is afgevrete aa’s ’n talhout, zei vrouw Zeune, meewarig,....
sullie doen te veul? te veul.... da’ goan hoarlie na’ d’r lui
senuwe.... Buurvrouw wà.... wà vodde die kooters tug an d’r laifie
hebbe, hullie rille kompleet van kou.... da gaift gain sloap soo!
—Daa’s main skuld nie.... Kees hep vast niks.... Nou droagt sai....
onderbroekies van Kees s’n broek.... en.... da mo’k bewoare.... en
sai.... van hem’s rokkie.... en de klaine.... voering van ’n lellig
broekie.... ikke lap en stop main aige ’n beroerte!....
Plots schoot Dientje weer overeind met woeste schrikoogen en
angstgebaar, in wijzende, kromme vingertjes.
—Moe-oe.... de veldwòachter moe.... dà is tie!.... hier!.... hie....
er!
’r Hoofd wrong ze wild weg tegen den buik van Ant, die zelf geen raad
meer wist, en dood op was.
—Buurvrouw, toe, gaif t’r nog es effe ’t flessie.... wá’ mo’k
beginne.... daa’s puur iedre week soo!....
Door vrouw Zeune geholpen, drukte ze ’t kronkelend angstlijfje neer en
sieperde tusschen de dichtgezenuwde tandjes ’t kind weer ’n slok
valeriaan in.
Ouë Rams, bij de schouw, in ’t groezel-trieste vertrek, droefvaal en
leeg-grauwend in ’t zwakke licht, siste achtereen z’n straaltjes tegen
ketelbuik, verschoof z’n stoel dan rechts, dan links. Wimpie staroogde
luisterend, uit z’n donkerend bedje, naar z’n zusje. Twee kleintjes, in
’t hokje naast Dientje, lagen nog zacht te snikken, wetend dat ze
afgerost werden in vermoeienis-drift, als ze meeschreeuwden.
Kwijnend lampje groezelde nog even vuil licht over ’t vrouwengroepje
vóór bedsteedje, waar sterker nu, tusschen walg-lucht van zoet-zurige
valeriaan, vochtige vodden-stank uitrotte van zakken en smoezele
onderkleertjes, in stank-hoopjes bij de bedsteeën opgestapeld.—Langzaam
bedaarde Dientje, plooide haar gezichtje weer rustiger, dommelde ze in,
naast de anderen. De kopjes van voorste kinderen, even, grauwig
zwak-geel beschenen, in slaapmom, verduisterden vaal, in
schrei-armelijke kamerdiepte. De lijfjes ingepast, en vlak op elkaar
gedrongen, lagen nog verwoeld en naakt. Zacht adem-stil slaap-gehijg
zuchtte door de bedsteetjes, droever vergroezelend in ’t weenende
geelgrauw. Doodmoe was Ant op ’n kruk naast Wimpie neergesmakt.
—Nou buurvrouw, nou goan ’k nie meer! ik bin d’r kepot van!
—Dan naime wai je brood mee.... goeiigde vrouw Zeilmaker.... ’t is ons
f’rtrouwd héé? tjonge.... tjonge!!.... hoor rais de wind opsteke!....
’t raigent t’met aas de see.... hoe komp je d’r deur!.... mi sukke
goate in de skoene!....
—Asseblief buurvrouw.... hier is drie sint.... dankie wel!.... hai
kraigt nog acht en twintig sint.... en aas tie.... aas tie.... nie
wil.... seg da’ Kees wa’ om hande kraig, miskien al....
—Wa? hai je bai sain nog skult van brood?.... nee buurvrouw.... dan
naim ik niks mee, angstigde vrouw Zeilmaker.. dan bakt ie vast nie....
vast nie!.... lest f’r main ook....
—Groote genoade wa’ nou.... jammerde Ant met diepen snik-hik, handen,
uitgepeesd-mager, op d’r gezicht drukkend, krampig.
Wimpie, woest, probeerde zich op te sjokkeren uit z’n bedje en ontroerd
beefde z’n stemmetje zwak:
—Aa’s moeder huilt, goan Wimpie doalik dood.... doàlik..
Strak en besloten klonk z’n stemmetje plots, en scherp gloeiden z’n
oogen in z’n vervreten-bleek hoofdje.
Ant, uit hoofdbuk, keek ’m aan, veegde ’r tranen met schort weg....
—Meroàkelsche jonge.... hou je bek! nijdigde ze, kwaad van
vermoeienis,.... d’r mot toch vrete weuse!....
—Nou buurvrouw, aa’s vrouw Zeilmaker je brood nie pakt, naim ikke
’t.... Sien je.... de broafe vrouw Reeker, die ons alle drie wel koste
ken.... die hout t’r mond.... die hep se hier.... enn vrouw Seilmoàker
is d’r nou d’rais.... ’n faine.... van jullie gloof!.... Enn ikke..
ikke bin protestant.. moar ’t sit d’r dunnetjes op.... moar ikke seg
moar.... van de faine mo’ je ’t hebbe.... die hebbe ze doàr, achter
hoarlie elleboog.. achter hoarlie mouw.... En bakke sèl ie!.... ikke
hep de heule winter op de reutel.... en somers betoale.... altait ’n
joar achter.... enn soo frete wai allegoar.... ikke.... sai.... hai....
Piet de heule dot tuinders.
—Joa,.... onthutst ’n beetje, verantwoordde zich vrouw Zeilmaker, moar
jai hep omhande somers.... main Kees nie somers.... nie?....
—Netuurlik, spotte vrouw Zeune, wai hebbe kerels, die d’r nog
werreke.... wai kraige de heule winter op reutel.... hai hep nooit
niks.... Och waif.... dá’ wee je nou ommirs nie?.... je mo wa òf’r
hebbe veur je mèdeminse.... enne.. nou kaik da skoap reis an!.... hei
je ’t nie durrefe woage?.. die poar sinte?.... nou is main man ’n
prêchtig mèrk van s’n aige.... en nou vent ikke d’r self bai.... op
Amsterdam.... en nou fedien hoarlie fent d’r t’met drie keere soo veul
aa’s hullie.... ’t is skande!.... da gong noàr kerrik!.... nou.... je
sou se molle-mi-de-klomp!.... nou.... dàg hoor! dag.... Wimpie!....
skoap!....
Zwaar gromde ’r mannestem. Ze was de deur uitgehold en schoorvoetend,
bedremmeld, drentelden vrouw Reeker en Zeilmaker na.
Grootmoe Rams schuifelde weer door de kamer, ’r zware heuplijf zacht in
schomm’ling, spichtig d’r vossekop, loerend uit de staar-appels, armen
krommig vooruit, in tast van dikke vingers, mummelend wat heilige
katechismus-zinnetjes. En ouë Rams als ’n romp-blok in ’t verkort
neergekwakt, siste langzaam, door kamerstil geel-grauw, z’n
pruimstraaltjes tegen buik van konkelpot, met zachte onderdrukking van
hoest die ’s avonds èrger oprochelen kwam.—