Ouë Gerrit zat ingedommeld, lichtelijk-besuft in de loom-soezerige
stilte van stal en achterend op z’n gemakstoel te peinzen. Hij had weer
eens wat bemachtigd. Als ie dat zoet-zalige niet had, was het ook
heelemaal niets waard z’n leven, in al die beroerdigheid. Hij had op
Kerst drie mooie gladde planken, Nieuwjaarsmiddag een toet tabak en nou
weer ’n prachtig rood kindermutsje gekaapt.
Daar zat ie nou soezerig van na te genieten, met zware oogleden en
zaligzacht murmelde en zangde dat stil geluk om ’m heen, soms
opstijgend in z’n uiterlijk zoo stille borst, tot een roes van
hartstocht die ’m naar de keel sloeg, wegstormde zwarte zorgdingen,
anders strak en zwaar tegen ’m aangedrukt. De staartklok galmde
plechtig negen uur, dreigend in radgeraas even bij elken nieuwen slag.
En alles om ’m hoorde ie vaag vergalmen, versuizen in iets zalig
onbewusts, diep verdoken in z’n eigen verrukking. Vannacht most ie z’n
boel zien met z’n eigen oogen. Die begeerte brandde nou als ’n wond in
’m. De duivel met z’n moer zou ’t ’m niet beletten. Op den dag kwam er
toch nooit niks van, was ie bang, dat ze ’m snappen zouen, kon ie zich
niet heelemaal geven.
Vrouw Hassel zat op verfrommeld krantje te staren, onder groezelen
lampschijn in halve gezichtsduistering. Als ze de krant uit had, kon ze
regel voor regel weer beginnen, zonder ooit te weten wat er in stond.
Guurt bracht de pap òp en van alle kanten scharrelden ze naar tafel,
rond de groote schaal. Alleen ouë Gerrit at, roerde zich niet. Hij was
te vol, te vol. Vanavond zou ie z’n boel zien, zién.
Een voor een, schoffelden ze van tafel zonder dat Gerrit de dingen om
zich heen zag gebeuren. Er zat slaperigheid in het zakkende
petroleumlampje, dat karig kringde in ’t halfduister van kamerke. Hij
zou naar bed gaan. Vlug z’n broek los, stond ie mager, lichtelijk
gebogen in z’n roodbaaien broek-borstrok, z’n bisschoppelijke
zilverbaard op het beulig-rood van z’n lijf, dat even flauw door de
kamer bloedde. Guurt rilde van kou. Dat zou me’n vroegertje worden. De
klefferige bordjes, leeggesmakkerd, vaalden steenbleekig in het
zakkende licht, en de stille hoofden van Piet en Dirk, om beurten zwaar
geeuwend, stil-grimmigden van verveling.
Guurt begon ’r jurk los te haken, in ritsende scheurgeluidjes. Het
heele gezin sliep in de woonkamer, in hoek-bedsteeën, benauwd. De
jongens tegen het beschot naar den stal; Gerrit en vrouw Hassel in een
donkerig-laag bedsteedje tegenover het raam. Alleen Guurt op ’n
slaapstoel in de kamer, elken avond opgezet. Vroeger had daar ’n
dienstmeid gelegen, maar dat gaf schandstukken met de jongens. Al drie
meiden waren er zwanger weggegaan, dat moest uit zijn had de Ouë
gezegd, met ’n bons op de tafel.
Gerrit, in z’n rooie onderbroek, sjokte nog rond, brommerig verwijtend
aan Guurt, dat ze ’t lampje niet zóó zou zetten dat ’t op de
bedsteedeur scheen; hij wou het niet op z’n gezicht hebben, als ie ’s
nachts of ’s morgens op de klok ging kijken of als het broeide en
moeder woelde zóó, dat ie de deuren open moest hebben. En toch mocht ’t
niet heelemaal donker zijn. Voortbrommend, half-luisterend naar Guurt,
die nijdig zei waarom ie eigenlijk dat slapen met licht niet afwende,
wipte ie strompelig op het bed-randje, tuimelde het donkere
slaapholletje in, duisterde z’n magere lijf, met z’n zilveren glanskop
plots in de diepte. Met ’n bons had ie de bedsteedeurtjes achter zich
dichtgeslagen..
Guurt met bloote armen, slanker nu in ’r kort dameshemd, zat op den
slaapstoel aan d’r achterhoofd te peuteren, in moeilijken armwrong, wat
haarspelden in den mond vastgebeten. In ’n draai ringde ze los ’r haar,
dat golf-zwaar neerspreidde langs blank-vollen hals, over naakte
schouders, sprookjes-achtig ragblond beschemerd, èven in zachten
lampjes-gloed. Haar fijn princesse-gezichtje stond jeugdig op korpulent
onderlijf, en zware armen-vleeschweelde blank en woelig van lijn, zwol
òp, met ’t beweeg van ’r groote werkhanden, tusschen het zacht-wondere
glanshaar; statig beweeg van princessekopje, neergedrukt op heupig
boerinnelijf, zwaar en zinnelijk-zwellend onder ’r verkreukt
hemd-blank; schuchter kopje, met droom-oogen, teer mondje en
neusjes-scherpe aristokratie, boven rijpe vrouwe-borsten,
uierend-zwellend, en lomp de rauwe handen woelend tegen het geweldige
vleeschlijf.
—Kristis moak toe, schreeuwde Guurt, haar naakten borst bedekkend, naar
Dirk die de voordeur uit opstapte de kroeg in.
—Moeder, nou effe et vuurskutje van de stal.. hoal jai ’t?—
Al ’n half uur zat vrouw Hassel, stom-suf op punt van d’r stoel haar
rokken los te frommelen, die wegzakten slap onder haar beenen uit, toen
ze opstond op de vraag van Guurt. Ze hoorde wel, maar begrijpen deed ze
niks, niks vanavond. Er was allemaal zwarte dofnis in ’r kop, stil
gegil, gesuis en gedruk. Maar besef had ze d’r niet veel van. Alleen
angst, jagende angst, angst als ze’r naam maar hoorde. Dan duizelde
ontzetting in d’r, waarop onmiddellijk weer dofte plofte, grauwig-zwart
alles voor d’r oogen, zonder besef.
Onrustig gerammel en gehijg dofte uit de bedstee van ouën Gerrit, die
draaide en woelde; geschuur van nagels langs de beddeplank kraste zacht
er doorheen. Ouë Gerrit grabbelde naar z’n lucifers in donker, voor
vannacht.
Vrouw Hassel ging mee naar bed, omdat ze ’t zag duisteren om ’r heen en
stil worden. Maar slaap had ze niet. Al jaren sliep ze slecht, in
angstdroomen, die ’r overeind krampten, ’r deden gillen met ontzet
gezicht. Loom had ze zich, krabbend steekmuts van het hoofd gelicht en
kwijl-mond droog-geveegd met beef-hand. In den lampschemer grauwde ’r
gele tronie, ouelijker nu zonder bedekking, met het kaalplekkige hoofd,
groezelig-dun haar, als was ze plotseling ver-skelet. Spichtig
oud-vrouwtjesachtig magerde ’r lijf bochelig door het vertrekje. Onder
d’r vuil-zwart onderrokje slingerden kuit-sjovele beenen en
wezenloos-sjokkerig liep ze naar de bedstee, grabbelend naar d’r
slaapmuts....
Gerrit gromde en vloekte uit z’n hoek, dat ie ’t licht weer op z’n
snoet kreeg. Ze hoorde en grabbelde door, niet merkend dat ze d’r
slaapmuts al opgezet had.
—Is da nou dàan, hee! bulderde Gerrit uit het donker.
Vrouw Hassel sidderde, ze wist niet goed meer wat ze deed, waarom ze
zoo grabbelde. Guurt koepelde ’n doek over de korf van duifje.
—Wa soek je moeder, je mus?.... sit ommers al op je kop te maffe!
Plots opgedrongen, éven tegen ’r aanstaand sprong Guurt op zij, ’n vies
gezicht trekkend.
—Kristis moeder wa’ stink je.... Is d’r weer.... hai je weer fuil dàan?
Een huilschok krampte door haar ingebogen lijf. Voor de bedstee stond
Vrouw Hassel met half doorgezakte knieen in ’r bobbelige, wije, ruwe
onderbroek, waaruit stank opsloeg. Zonder het te weten had ze zich
bevuild.... Nou, an ’r lijf voelde ze ’t.... Ze rilde, rilde. In bed
kruipen plots wou ze van schaamte, maar Gerrit duwde ’r terug,
krijsch-heesch.
—Zoo komp je ’r nie in waif, gain stap!
Bij haar borst smeet ie ’r achteruit. Ze kermde en snikte. Met ’r
grauwe skelethanden aan de beddeplank geklauwd, zenuwklampte zij zich
vast in verbijstering, tot Guurt ’r terugtrok en dwong schoon goed aan
te doen.
—Je ken d’r tog nie soo mi die swaind’rai ’r in.
—F’r wa.... nie?.... huilde ze zonder te weten wat ze zei.
—Om da’ niet-en-ken.... Om da’ niet-en-ken, stampte Guurt driftig op
den grond uit.
Vrouw Hassel was weer vergeten waarvoor d’r dochter zoo dreigde. Uit
het kastje slierde Guurt ’r ’n hemd en broek toe, die ze rillend over
’r goor lijf liet zakken, in kakenbibbering.
—Mo’ je j’aige nie wasse? vroeg Guurt, nijdig om de moeite.
Moeder Hassel hoorde niet meer, staarde besefloos voor zich uit,
krabbend ’r hoofd, onder smalle schuifbanden van ’r puntige
kromgekreukte slaapmuts.
Guurt had de heele pan op ’n stoel gesmeten, alleen het vuile
stank-walmende hemd naar het achterend geschopt, grommend en vloekend
op ’r moeder, dat se puur daas leek. Vrouw Hassel stond verschoond,
beef-grienerig, goorder in ’r schoon wit hemd en broek, sjokte
huil-schokkend nog, op bedderandje, in langzame onzekere tasting
verdwijnend in donker, naast den Ouë, in d’r slaapkuil. In eng
ruimtetje lagen stille oogen van twee menschen te turen in het duister,
klaar wakker. Op ’r peluw snikte ze dóór, lang niet meer beseffend
waarom, uitkroppend ’n kramp van smart die door d’r borst en beenen
schokte.
Guurt stond nog in ’r hemd wat te beredderen. Kwaadaardig bekeek ze bij
het nachtlichtje ’n paar wratjes op ’r pink, zich woedend voelend op ’r
grove werkhanden. De hanglamp had ze heelemaal uitgeblazen en donker nu
in zachte rust vloeiden schaduwen en stille glanzen om ’r heen in het
kamerke. Langs het kleine lampje, schimmig in ’r hemd, blankte ze
voorbij, met den goudschemer van ’r harenpracht op rug- en
schouer-vleesch. Om er ooren kroesden enkele krullige haarsprongetjes
als gouden spinneweb, verfladderd wat. Net wou ze in bed stappen, toen
’r rammeling gromde aan de deurkruk, de hond bassend-ontsteld aansloeg
op het erf.
—Koest.... koest! dreigde stem van Piet die thuis kwam, wat vroeger dan
Dirk na de paar weken gedwongen rust met z’n beenen. De hond buiten
bromde nog zacht.
—Koest, snof’rjenne, ke’ je de boas nie, sloddervos! Is d’r nog wa’ te
slikkerbikke Guurt?
—Waa’n meelsak, nou weer bikke, driftte Guurt uit ’r bed stappend.
—Ik bin soo kout aas ’n botje.... legge de ouën al?
—Stil!.... joa.... moeder hep weer fuil dàan!
In ’r dameshemd liep ze, met nachtlampje in ’r hand ’t keukentje door,
grabbelend in den broodtrommel. Bidderend kwam ze terug, het lichtje
voorzichtig neerzettend in het kamerke, dat glijend, als een
schaduw-hal voor d’r openen ging.
—Droog? f’rek, da mag jai frete.
—Nou.... loop nou noar de bliksem.... doen ’t dan selfers, ik goan d’r
in!
—Wa’ f’r werk he’ jai doar an je hemmitje hange? potdikke Abram....
Prikkie!
Met z’n hand wees ie naar Guurt’s borst waar strikjes om
laag-uitgesneden kantbaan pronkten.
—F’r jou ’n froag f’r main ’n weut,—bitste ze terug, met één hand ’r
borsten bedekkend en gauw op ’r slaapstoel onder de dekens woelend.
Piet bromde nog wat in zichzelf, van ’n luiwammes.... wat ’n
maid-meroàkel.... niks van bloed-beuling had, draaide ook langzaam uit
naar z’n bed.