Sjokkend-traag klepper-klompte Piet alleen terug langs mistige
teenenvelden in donkerder uur, miezerig ’n beetje dat ie z’n hooge
laarzen niet had aangetrokken vandaag. Sluiperig, in rag nevelgrijs,
was damp opgezweefd uit vochtigen grond. Overal rondom ’m weefde
boschneveling, toongrauw, met late droeve lucht, omsluipend en
verwazend struiken en boomen. Overal rondom droefnis in het teedere
mistenweefsel, vergrijzend tegen luchtverte, als land vóór dampige zee.
Overal teenenvelden, triest-eenzelvig, met kruislanen, nu en dan
gothisch-geopend in zilvering volgerookt. En langs den grond vóór Piet,
opstammend de boomen, met droef-smeekend gebaar, even schuchterend te
zien in de fijn-grijze rust. Bij hun wortels, groeide violet gewasem,
verzwevend langs de zachte mosreuzen, die te treuren tuurden en
droomden in de stilte van hun schorstinten, in den starren weedom van
hun eenzaam grijs-week boschgesuizel.
Na drie kwartier stond Piet weer te hakken naast Dirk en ouë Gerrit,
die vandaag weer eens was komen kijken, omdat ie z’n jongens niet
altijd vertrouwde, al kon ’t ’m soms niks meer schelen of ze den rommel
verwaarloosden of niet. Geweldiger hakte Piet een zwaren stronk tegen
z’n knie, driftiger op z’n vader, die elken middag met leege handen
rond hen heendrentelde en toekeek maar. Scherper hieuw ie om zich heen,
hakte en vlijmde ie in de houtwonden, toen plots z’n zwaar kort-stelig
hakmes uit de hand schoot, afrinkelde van de stronk en met ijl-scherpen
kant-punt bij-zij z’n scheenbeen inkerfde. Met een vloekgil en
scheurend huil-geluid sloeg ie òver z’n stronk heen, tegen den grond.
Dirk keek verbaasd-koel om en de Ouë stapte snel op ’m aan.
—F’rrek, kreun-krampte Piet zacht, smartelijk beef-huilend van
pijn,—Godskristis.... godskristis.... kristis waâ pain!.. wâa hak!
Eén hand, half leun-zittend, drukte ie krampig-bevend op z’n voet;
bloed klodderde door de vuile vingers, hoogrood door z’n modderbroek
heenstroomend. Langzaam had Dirk z’n hakmes in esch-stomp getrild en
koel-verbaasd loomde ie naar Piet toe.
—Wa’ nou, goan je d’r bai lègge? beet ie kort af.
Piet kon niets zeggen, z’n bleeke kop kreunde en met één elleboog in
het grondvuil tusschen stompen en splinters, lag ie in pijnkramp
achterover, met z’n hand tegen het been dat doorbloedde, zwaar, in
rooie plasjes onder z’n vingers, langs z’n broek. Nou eerst voelde ie,
dat ie bloedde, en wilde angst voor dood joeg in ’m op.
—Godskristis, kaik da bloeie.... da bloeie.... hou teuge.... hou
teuge....
Z’n slapen zwollen en z’n oogen, wild rumoerend van angst, zenuwden
dol-groot in z’n grauw-wit hoofd. Dirk was achter ’m gaan staan,
steunde ’m in den rug, terwijl de Ouë het bebloede hakmes wegkeilde,
Piet’s broek en kous openscheurde van het been, om te zien, waar ie
geraakt was. Bezij de schenen was het hakmes ingegleufd, en had een
diepe scheurkromme bloedwond tot op het been, als een breeë vleeschhaak
er uit gewipt. Bij het broek-openscheuren, onder zacht beverig gekerm,
angstig huilende stem van Piet, in het rondom-droevende mistdampige,
dat zwoegers grauwer omzwachtelen ging, schreeuwde op goed geluk af,
Dirk het pad op, niet wetend of Limmer al weer met z’n kar terug was.
—Hahoo heehoóó!.... is d’r niemoànd!.... hahoo!.. ’n ongeluk!
Dirk’s roep zong door de lucht-wijdte, galm-zwak verbleekend, en
oneindig droef, bleef stilte nahangen en grauwen, rondom z’n stem, met
bangen echo-galm om ’t woord: ongeluk.
—F’rek, sullie benne nog nie w’rom.... seg.... foader gaif jai de kruik
is an en loà me je saddoek om sain voet binde.
Ouë Gerrit, geschrikt ’n beetje maar grimmig dat hij nou juist hier
most sain aas dat karweitje beurde,—sukkelde naar de kruik. Dirk had
Piet opgelicht, veer-licht afsof ie nog niets gedaan had den ganschen
dag. Zacht lei ie’m op z’n linkerzij met wondbeen boven. De Ouë kwam
met de kruik naast Dirk knielen op één been, lag hardvochtig
vleeschhaak bloot met z’n smerige handen, die zwaar in bloed sopten.
Twee zakdoeken begoot ie met water en Dirk wiesch zacht het bloed-vuil
weg. Toen ie zag, dat er geen doek meer was om bloedstroom te stelpen,
scheurde ie kalm los z’n stropdas, onder z’n vuile werkkiel uit.
—Nou stil Piet, bitste ie met groote levendigheid in z’n koeienoogen.
Ouë Gerrit zat nog knie-stram te rafelen aan Piet’s bloederige plunje.
Die beet zich de lippen stuk, paarsgrauw van pijn, zonder te gillen
want hij wou, wòu niet kleinzeerig zijn. Bij al te ruwe wondkoeling
trok ie romp-krommend z’n been even in, dat den Ouë deed vloeken, en
meedempten met natte vodjes, geen raad wetend waar het naar toe most.
Guur en naargeestig huiverde het mist-gezwachtel áán, zwaarder door het
droef-grauw gestruik en overal in de lucht, tusschen boomen, onder
struiken vaalde schemer, de kerels angstiglijk omprangend, in onrust
geknield daar, op dooien grond, rond kermenden gewonde. Het bloed bleef
vloeien, zwaarder, donkerder. Met ’n zakmes had Dirk ’n stuk van Piet’s
hemd afgeritst, bond ie snel-zeker, onder kreun-week stemgehuil
angstigend uit den donkeren struikenhoek, het vuile linnen om z’n voet,
dat nog maar enkele droppels bloed versieperden. Nou zou ie ’m even
probeeren op de been te krijgen. Onder z’n oksels lichtte ie ’m op,
maar Piet, grauw-bleeker, in koortsig angst-gezicht, bleef hang-staan.
—Verdomd, kerel, kreunde z’n stem smartelijk ingehouen huilend, ’t goan
nie.. ’t goan nie.—Slap z’n karkas zakte in. Meewarig en angstig
vochtigden z’n oogen om meelij en steun.
—Wa’ nou?.... wa’ nou, bromde Dirk.
Aa’s de Ouë nou es effe ’t bosch ingong.... Hai mos eerst nog eris
skreeuwe....
—Héé.... hahooo!.... is d’r niemoànd!
Droef-zangerig vereenzaamde z’n stem-galm weer in ’t avondlijke
mistgrauw.
Piet ingezakt, lag weer sidderbleek op z’n rug, korte benauwde
ademhalinkjes uitstootend, met z’n bange oogen ’t scheem’rende
luchtgewelf boven ’m instarend. Koorts-vuur schroeide rillingen door
z’n lijf en daarover kilde mistguurte. Plots van het pad, donkerden
tuinders voorbij, gebukt-simpel met vorken, hakmessen en zen-boomen op
ruggen, droef-sjokkerig ingaand tegen ’t late licht.
—Hee, schreeuwde Dirk, is Limmer doar mi sain kar?
Mannen duisterden van zijpaden, uit den zwakken mist naar ’m toe.
—F’rek wie lait doar?
—Piet.... hep s’n aige in been hakt.... hakmes is s’n poote uitvalle.
Bolk stond naast ze, krom-klein ingezakt onder gereedschapszwaarte,
nasalend dat ie de kar gezien had.
—Saa’k d’r effe hain roepe.... wacht kaik!.... doar hep ie sain
temet.... Limmer....! Heé Krelis!
Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden
in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw òp. Langs hem
trokken tuinders van alle kanten door het bosch naar huis, zwijgend in
het schemergrauw. Doffe groeten klonken zwak tegen elkaar in uit
verstilde werkkoppen, òp van uitputting. Tusschen takkengrauw was
schemer gezeefd en vreemd klonk soms stemgerucht van afgedwaalde
roepende jongens, die nog niet overal weg wisten in het bosch. Telkens
weer donkerden andere kerels voorbij in het zinkende licht, als
onderbroken processie, nu en dan samenstappend in de stille mistende
donkering van hun pad.
Krelis was naast Piet komen staan. Andere vluchtige kijkers waren
doorgeloopen, met meelij-gebaar even hoofden schuddend, onmachtig toch
zich wetend. Naast Limmer stonden in ’t grauwe geschemer, Bolk en
Heelis de voerman. Weer hadden ze Piet op de been geholpen, maar nu
schreide ie als een kind zonder schaamte, van woeste brandpijn. Dirk
had met Krelis afgesproken, dat Piet maar op de kar vervoerd moest
worden, naast hem, op het voorkrat, en zullie met d’r drietjes in den
buik, of ze dat goed vonne? Zwijgend stemden Heelis en Limmer in. Het
bloed was weer door het verband gezogen en ouë Gerrit trok er nieuwe
lap om, van de kerels. Piet, met angstiger pijntronie, weende. Z’n
voeten voelde ie als geroosterd en z’n nu duistere oogen grimden van
nog ingetoomde smart. Soms zag ie in één duizeling voor z’n kop, voelde
ie weeheid om het hart, sloot ie z’n oogen.
Met donkerder mistgrauwing, was scherper guurte door het bosch
getrokken en spraakloos hielpen de mannen, niet meer voelend zwoegpijn
van eigen beulerij. Piet moest op het krat getild naast Dirk, die ’m
steunen zou. En plots, door den stoet, in schemermist vergrauwd, ging
vage weemoed onder de jagende avondwilde lucht, ging rond gevoel, diep
besef van ellende-bestaan, kort maar hèvig als ’n snik. In die
boscheenzaamheid kroop groot mensch-leed bijeen, lag er even heilig
meelij en stildiepe ontroering op de schim-vage gezichten. De stille
zekerheid van hun gebaren sprak van smart, ontzaglijk gevoel. Ieder
wist wat ie deed en allen beseften éven in die donkere uren, wat angst
en smart er sidderde door hun rampzware ploetering. Besef, even, éven,
maar diep in die donkere oogen, in die van avonddonker verschimde
gezichten, woordloos stilte-besef van hun ellende, straks weer
weggedoezeld door ruigen leefstrijd.
Als ’n jochie had Dirk Piet op voorkrat gezet met z’n gewond been
voorzichtig tegen den dissel. Krelis, Bolk en Heelis slobberden in den
vuilen kar-buik, waar ze neerhurkten opeengedrongen in modder en nog
wat rijzen-bossen.
Licht en zeker was Dirk op het krat geklauterd naast Piet, die
sprakeloos in koorts vergloeide en huiverde. Gebogen even
vooruitstarend in den schemer, met de leidsels in z’n groote handen,
zette Dirk aan, de paarden voorttrampelend in halven gang,
mistdonkering in. Droef-stil in doodsche rust van avondbosch stofte het
karstoetje òp, snijend de hoofdlanen om, op grooten straatweg, gauwer
thuis te zijn. Bonk-bonk dreunde de kar daar, in strompelend geratel en
gehos en zacht kermde Piet tegen linkerdij van Dirk aangeleund met z’n
hoofd op z’n schouer, gloei-kil en huiverend, meehotsend over kuilen,
zonder schreiïng, zonder klacht. Zacht-sterk steunde Dirk z’n broer en
spraakloos keken elkaar áán de donkere gezichten in den karbuik. Ouë
Gerrit alleen, benauwd opgedrukt tegen Bolk en Heelis, bromde zwaar in
zichzelf. In het hotsende bonk-bonk van kar klotsten z’n gedachten mee,
somber.... Waa’s hai d’r nou moar in de ploats van Piet.... want hai
sat ook tug an notaris en dokter vast.... hai kon ook tug nie betoale
en nou weer ’n dokter bai Piet.... f’r wa da f’rvloekte spul nou weer
op sain dak komme mo?.... die dokter Troost, die sain s’n duite had
afstole bij s’n waif en se aige.... en nou weer bai Piet.... dâ rooit
na’ niks.... da rooit na’ niks....
En gejaagder klosten mee, op zwaar-dreunenden hobbelgang, gedachten van
ouën Gerrit; òm hem, de stille zwoegers, die voortratelden in den
donkeren mist-avond.