Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit
geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren
lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom
polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje
opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t station, omkneld van donkere
huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek
over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.
Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik
Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme
ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten
met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n
half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n
Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme,
schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t
zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en
sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen
elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder,
protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want
verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en
giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder
alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk
verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten
de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften
uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel
luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast
bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op
de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden.
Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp
kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van
verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal.
Leefdrang en passie werd genomen of betaald.
Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om
ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste
tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder
heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat
van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere
kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide,
werd gezopen, uit wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden
zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende
blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te
dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo
werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één
hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van
schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene
kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in
winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen
gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten
pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun
gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van
vuil.
Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader
had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten
openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent
je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering
van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen
spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak,
rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend
gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.
In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende
Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t
avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en
wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop
vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook,
rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar,
door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende
meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in
stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen
en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun monden liep, de wijven met
opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.
Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar
teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van
donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal
buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste
danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop
van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van
lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag
agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van
dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en
befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van
allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in
zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels
mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken.
Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet
af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder
opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast,
begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens
opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje.
Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen
áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden
gierlollend.
—Haej.... kanteloepp! je fiel droait.... snof’rjenne.... twee
kerels.... krijschte Kol.
—Kaik, die klebakkium kaike.... t’met skiet ie op je af.. hai is puur
’n vuile smakwammes!.... lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood
hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.
—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe....
zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r
kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat
’r zag staan, kuit-naakt.
Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en
schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en
hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op
hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op
hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als
bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond,
lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen,
en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend
gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.
De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en
lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van
genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier,
groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele
koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest
bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en
strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van
wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van
zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al
ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen
van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en
jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in
boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar,
damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in
knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op
de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende,
zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met
zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze
eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë
groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en
dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in
den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van
bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn,
nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te
bewegen. Heele troepjes omsloten en ingeperst kleefden als aan elkaar,
hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder
van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en
dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de
lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd
tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.
Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en
lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop
hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen
kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels,
niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en
bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit,
die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als
buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten.
Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de
zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste,
gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken
tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van
Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met
scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en
geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter
de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas
van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun
hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep
blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met
smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe
tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met
loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de
banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in
de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en
’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige
kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies,
spogen in ’t rond, vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met
woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend,
dronken en verhit.
Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou
’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met
schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk
erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en
Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend.
Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken
zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar
schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd
broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in
grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen
gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had
partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou
zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden
lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander
krijschte rauw.
—Bai jullie verdomme.... bai jullie op da gat.... da krot.. stong
ommirs ’n bord.... en stong d’r’op.... hier hout ’t minsdom op.... da
hai je t’met de beeste....
—Daa’s proat! loddermeroàkel.... nou.... ikke seg uit volle borst....
Duinkaik bóófe.... Wiereland ònder....
Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar
waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en
drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.... Duinkaik bóófe.
—Hou je smoel.... boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen
gaife....
—Sakrejenne.... wie breng je mee?.... seg.... snof’rjenne! beskimmelde
huspot.
Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende
dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg
oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend
rooïe walmsfeer, tusschen kankan van meiden, met rokken hoog opgezwaaid
in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen,
roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.
—Kaik se stoan.... krek an ’n raitje.... aa’s aarepels in duin.... is
da bier van sain?
—Joa!.... van sain.... blaif d’r af mi je poote.... Kaik die
varkessnuit....
Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op
vechtpartij.
—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep
’n slag f’r je roap beet!....
—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug,
grauw-groen van drift.
—Wa hê jai mi An van doene!....
—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring
rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst
werd er: kss!.... kss!....
Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en
de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van
ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en
verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den
polderreus, door de stilstaande paren.... Hevig-rauw krijschte geluid
van lijf-reus, daa se moste deurgoan....
—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.... en
timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!....
—Bàrst jai.
—Blaif jai heel!.... en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n
overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de
eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur,
slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met
tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen
Duinkijker kerel....
—Rooie!.... rooie!.... rooie!.... kaik ie tippele!..... kaik ie
tippele!
—Laileke skarretje.... wa mo jai d’r vàn!
—Kaik ie tippele.... so glad aa’s ’n flesch....
—Debies jai.... ik stink tog nie suur.... duufelstoejoàger!
—Jai? an main jassie.... sie ie main van veure.... kaik nou doàr’....
En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m
toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.
—Vuile kwieb!....
—Mô je se maid siene.... puur soo breed aa’s hai.... soo pot!.... soo
pan!.... gierde ’n kleine furie.
—Enn jai dan prop.... onder- en boofe-deurtje!.... mit je lange skele
rot van ’n vraier....
—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs
glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend
uitpuntend.
—Dubbel-debies jai muurvarke!.... stoppelkat!.. gaif jai je kindere te
vrete!....
Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig
politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen
de ruzie-lijven staan.
—Blaif jullie nou je fesoen houe.... toe nou.... kalm an.... kalm
an.... jai die weg uit.... en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te
verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n
moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden
achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor,
donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en
wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in
stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen
instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en
satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige
tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de
hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen
de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,
geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die
meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van
bezweete huid.
Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun
dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien
hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.
—Wie main lief hep, volgt main!....
’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende
havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer,
wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die
donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en
slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel,
schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen
nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun
achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet,
neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood
in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers
verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden.
Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring
van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef
weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t
rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en
schemerluikjes.
Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde
’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot
’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde.
Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen
lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven
bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen,
trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even
van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in
sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk van Baanwijkbewoners soms,
schuw op haventje loerend.
En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst
van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht
sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte
warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig
en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.
Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen
aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.
Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer,
waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk
gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk,
schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den
burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar
sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet
lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten
agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk
opgesprongen.
In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende
ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren.
Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen
was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even
stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe
licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden
pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en
heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels
bij ’n schuit verschanst hadden.
Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren
wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos
donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit,
onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op
fijn fluitsignaal van agent uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee
nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring
met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten
voelen, dat ’t ernst kon worden.
Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels
dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.
—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen,
dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n
schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht
in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in
angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot.
Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil
zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer
wegwarrelde in andere richtingen.
Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat
sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met
brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods
bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig
agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in
ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken
stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van
besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht,
midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels
en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige
woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen,
wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had
ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes
laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en
striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde
sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein
agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige
bende, kerels die slagschaduwden op lichtschuwen sneeuwgrond, als
wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.
—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,....
hou jullie je nou kalm.... wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.... goan
jullie nou kalmpies uit mekoar!....
Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in
kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.
—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.... laileke
dood-van-ganzebord.... jullie sa’k levent f’rbrande.... aa’s we je nie
mosse fille....
—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee
neerpuntend.
—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.... komp bai de huur
t’regt.... nou kort en goed, duufelstoejoager.... aa’s jai.... mi je
k’rnuite.... aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in....
mars!!
Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer
terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen,
verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu
afweerde, bàng voor ergere opwinding.
—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.
—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.... vloekte moedig
klein agentje,—goan jullie nou deur.... mot ’r nou geranseld worde.
—Joà joa! krijschten meiden.... kok-kok-kok!.... kok-kok-kok!....
moeder weer ’n eai!....
—Op jullie bakkesse!.... die skar van ’n burgerfoader mô te woater....
galmden anderen weer.
—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.
Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n
baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer
kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.
Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor
hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.
—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou,
da se goan motte.... jai ben tog de boas hier....
—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef
doàr de boeie àn.... geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.
Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door
agentje.
—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.... hou jai je bek:.... ikke bin boas
hier.... ikke!....
Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n
lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder
zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork
van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven
z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer....
—Weg d’r mee!.... de maa’n het glaik.... snurkers!....
En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..
—Fort jullie.... ’t skeelt t’met nies.... nies.... of wullie gonge de
bak in....
Allo jonges.... wai saine waiser.... loate wai de vuilike links
legge.... links legge.... wai.... wài.... binne vuilike.... wài.... sài
binne ’t.... sài....
—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.
—Flink soo Rink.... soo is ’t.... goan jullie d’r moar van deur.
Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer,
’n kabboebelaap!....
—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.... jai.... Engilsche
boef!....
—Hou jai je bek.... ik seg moar.... ik seg moar, waggelde Rink er uit,
stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar....
da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.... jài bin dronke....
f’rdomd!.... dronke!..
De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid. Telkens
scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend,
onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen
door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere
schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen
schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán,
kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister
bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar
geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in
langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van
besneeuwde-wei-poldernacht.
Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om
lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met
hoog-piependen stem-overslag.
—Sien je.... sien je.... jai!.... jai!.... jai-bint ’n fârrike.... sel
’k moar segge.... moar ik seg.... ik seg.... fierkant wa je bin....
—Nou.... en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.... ikke.... ik
seg.... da jài ’n boef.... ’n boef.... ’n Sjemperlan bin.... ’n
skar.... sien je!.... moar.... i i i i ikke.. ikke.... ikke.... ikke
seg-’t.... i-i-i-in je smoel.... sien je.. sien je.... e’e eerlik!....
—Jeaijsis.... jeaijsis!.... daa’s net...., lolde Piet vroolijk....
Ikke.... i i i kke.... i i i n.... ’n ploert.... sien je.. é é énne....
enn jai.... jai.... ’n boef...., nie.... ?.. nie?... daa’s eerlik....
geef màin nou.... nou ’n poot kameroat!.... daa’s net.... jai ’n....
boef!.... é é é.... é é é.. enne.... ikke.... ikke.... ’n
Sjamperlan!....
En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met
kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal
voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige
tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te
grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht
en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde
den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde
een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger,
angstig-rakelings langs slootkant.
Stilte was nu geweven.... Van ver klonk telkens áán, melancholiek
gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans
verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n
lied:
Ik bin moar.... ’n swainke.... allain stoan ’k hieeeer!
Allain op de weijrelt.... mi-sonder pelsieeer....
Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de
straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen.
Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den
sneeuwmodder.
Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee
agenten met kleintje aan ’t hoofd.
Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne
lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten
hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde,
sneeuw-schemer van polderende wei-zee.