Tegen acht uur stapten de jongens op.
In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St.
Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond,
uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en
gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend
daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank
schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes,
schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met
schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan
kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig
verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë
vlamgaslantaarns.
Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende
kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige
burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval,
en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het
voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte,
schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op
Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar
rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.
De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter
gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor
iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens
en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de
straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje,
om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die
besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in
winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars
door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels
omraasd van witte projektielen.
Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en
stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille
winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt,
deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes,
lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om
kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te
star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en
strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die
kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met
zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich
van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en
stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem,
lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend
rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en
stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol.
Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote
Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker
kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje,
bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin,
bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt,
omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging
’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte
oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die
voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In
z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van
Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n
beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in
zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren
sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat
’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de
half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar,
donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige
dooreenschommeling van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de
bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in
schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven
tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms
even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende
lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen
in ’t verwarde gegalm,.... liedjes van Driekoningen dat komen ging:
Drie koninge drie koninge
Gaif main ’n nuute hoed
Main ouë is f’rslete
Main foàder maa’g’t nie wete
Main moeder hep gain geld
Achter de rooseboom is ’t teld....
Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met
troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende
feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n
geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.
Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.
—Wie hepp sàin, leste blikkie?.... tien cent, krijschte armelijk
schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met
afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met
schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje
verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte
baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van
menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n
blank schort.
—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig
kereltje.
—Nog één blikkie,.... nog één, schorde de venter met armelijken
zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t
kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.
Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den
smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.
—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.... schorde pijnlijk heesche venter, en
duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil,
dobbelsteenen in de hand.... Dof rolden ze den bak in....
—Sestien gooit.... neeg’tien blaift winne...., deunde de venter.... de
hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.....
—twoalf gooit.... neegtien blaift.... Jans je stoat prechtig mait....
En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om
te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en
hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder
de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers
en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van
paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden
in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten
dat er sneeuwballen gegooid werden.
—Seg Jans.... jai hep sain vast.... hoor.... t’met ses pond vraiers....
wa mo je mit soo’n vracht.... puur ses pond....
Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t
spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n
neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.
—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken
wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?....
—Waa’n geep.... moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.... ses vraiers
àn....
—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met
zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.... sevetien.... neegtien
blaif winne....
Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.
—Geep, geep, daa’s je suster maan.... bi je beduufeld, en in ’n
kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld
dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.
—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap....
waa’n fiselemie.... waa’n muurvarke.... waa’n binnebeer.—’t Kijlde
scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord,
dat z’n mond uitflapte. De smak was om.
Jans, die negentien gegooid had, won.
—Neegtien hep wonne.... wa mot sain.... twee pond paling of ses pond
speekeloas?
Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd
had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de
paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen.
Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n
schorklankige stem, rauw, roggelde weer.
—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..
Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In
gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat
een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter
z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop,
ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars
over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:
—Hier kailt de mikmak in!....
In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere
smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen
de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun
pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij
hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden
dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den
grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar
den kerel.
In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.... Dit
was de elfde.
—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.... drie
krentebroode of vier varkeslappies!....
Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n
metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden.
Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen
door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den
smakprijs.
De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als
’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte
de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r
beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze
hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers
krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den
donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en
banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den
stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te
gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog
in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door
mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de
winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m,
groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich
bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter
voor-zich-uit, in schorder stemrauwte....
—Wie mot.... wie blief.... drie kenijne of twee pond beuling.