Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt
hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel
klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat
knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig
zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun
brood af. Moeder Hassel schonk koffie.... koffie was haar eenige
troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze
vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar
overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze,
spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig
kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r
verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en
bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den
heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij
eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer
sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde
heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes
stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond
vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes, uitgeschulpt en bepuist,
naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.
—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n
kopje op tafel dreunend.
—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.... se kenne d’r puur ’n
spaiker op je moag glaikkloppe.... wat ’n pens!..
—Kaik die, waa’t hekkepunter.... wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n
druil om d’r hoet ketse?....
Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak
zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin
de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in
lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de
koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte
tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer
open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige
kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen
slaaplust in z’n slingergang.
Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het
scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig
schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige
huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek
grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde
onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die
schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar
en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok
koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op
de punt van ’r vettig schortje.
Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er
kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte,
pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in
teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning
om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof
hoorde. Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r
weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.
En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich
lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar
beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles
veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van
woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze
geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén,
fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze
gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige
vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.
Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus
aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n
pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood
lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt
kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van
politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover
mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk,
aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het
blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en
kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch
meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De
grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in
den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig,
op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes.
Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd,
koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en
zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen
pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend
kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met
goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel
donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje
klagelijk koekeroede.
Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t
duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van
gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht
klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver,
zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den
lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat
te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in
’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren
weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar
wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere
karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte
dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als
van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende,
scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje,
door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette
weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen,
vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging
dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n
koekeroe’s klagelijk kamerke in.
Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje
wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë
Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde
met vollen mond.
—Nou joa.... sel ’k moar segge.... fa’n koniggin Fillemientje.... hai
je nog wat lese kenne.... eenmoal.... andermoal....
Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met
vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk
schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze
gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke
almachtige koningin....
—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je
skinkt t’r snof’rjenne noast....
—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt, alsof ze niets
gehoord had, door,.... aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.... hep
sai dan d’r femilje.... en magge die d’r na kaike?....
Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n
meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal,
lukraak stootte ie ’r maar uit:
—Wel joa.... sel d’r ommirs puur niks.... skele kenne.. dà moak niks,
loa se kaike!.... je hep ’r ven dit.... en ven dàt.... op soo’n dag....
hoho.... ho.... se komme uit de hooge!.... sel ’k moar segge.... en mit
hoarlie pakkies àn.... afain.... fiere en vaife en nie genog....
enne....
—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.
—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond,
skenk in, je skenkt t’r noast....
—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:
—Moar .... enne.... nou.... aas d’r puur hooge....
—Kaik tug veur je.... doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak....
—Main kristus, waâ jokkes....
—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.... skeelt t’met gain koe.
—Jesses wà’ kerels.... wa hep jai smoor in.... en jullie.. jullie....
wete d’r ook gain snars van.... weet jai ’t moeder?....
Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort
dingen.
—Gut.... schokte ze stemhaperend.... da wee’k nie.... al t’met....
Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens
meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel
fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen
dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n
snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen
lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n
stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte
van ’r zitje.
Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig
in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin
lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had
hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische
voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van
licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r
verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten
begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs
worden.... Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze
zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, want die alleen leefden
voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en
’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in
allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen
weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die
kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets
voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen.
Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof
bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder,
die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer
neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze
’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en
tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak
met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op....
—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.... die hep s’n aige
veur s’n kop skote....
—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken
van z’n pijp.
—Of tie!.... de kommenai is d’r vol van.... en de slager sait ’t
ook.... en welk gast je d’r spreekt.... de heule ploats weut ’t.... s’n
aige doodskote....
—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t
nieuwtje van Guurt.
—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.
—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main
sait....
—Wie sait dà’ nou....?
—Kees....!
—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.... die hep s’n
skoenlappertjesmoandag weer.... sal dronke weest sain.... t’met nooit
nuchter hoho!....
—Da lieg je Ouë.... da lieg je.... driftte Dirk met ’n slag op tafel.
Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp,
omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most
ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren.
Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou
geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.
—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?...
die hep mit se moeder motte f’rhuise.... hai hep skult bij de slager en
skult bij de bakker en skult bij de kruienier.... en se motte d’r
of.... en ’t heule spul mot f’rkocht.... murrege....
—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.... hai hep skarrelt mit
Mie van de metselaar.... en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r
broer op s’n ribbekast hat.... en nou durft ie nie meer op stroat
komme....
—Niks van woar.... sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets
tegen elkander.... Mie sit nie mit jonk.... en s’dient in Amsterdam....
—Nou, bitste Piet.... seg.... is m’ ook ’n happie!.... wa sou dat? hep
se doar g’n dam legge kenne.... kom sussie?.. kaik m’rais in main
fieselemie.... seg, kaik nou nie soo onnoosel....
—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r in de Son
soo’n prèchtige kemedie.... toe, neem màin nou d’r is mee?
—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!
—Main kristus, ik hep nooit niks.... nooit, driftte Guurt gemaakt; heé
Piet.... toe.... wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.... ik hep aêrs
soo’n dooie Sinterklòas.... se speule van moorde.... soo vreeselik....
je weut wel daa’k ’r dol op bin....
—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.... dan grien je....
—Nou ik sel niet-en griene.... toe Piet.... feremp’l.... ikke sel
niet-en griene.... ik bin d’r soo dol op.... op die moorde, aa’s sullie
vechte en d’r binne allegoar ongelukke.... nou, dan hou ’k jòu vrai....
sullie vechte d’r mit messe.... Geert Grint hept veleje joar self
sien.... toe Piet.... sel je nie beroue.... kaik.... soo hiet ’t....
waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.... kaik.... Lesoare de
Veehoeder.... kaik, vaif tefreele.... de moord in de herberg.... en....
wachters van ’t pelais woakt.... Te dansen begon Guurt, te stem-vleien.
Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland
was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en
griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r
iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken
wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe
griezeliger ze genoot.
Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most
ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.
—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!....
Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.... z’n
ingezakt lijf stonk van grondvuil.... z’n stomp-wreed gezicht stond
grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers,
streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende
oogen. Hem vroeg ze niet eens.