Toen Hassel zag, dat ’r voor hem toch geen koop meer was, dreef ie met
’n paar andere tuinders af, door ’n zijpad, modderend nog ’n half uur
door zand en struiken, moe en hijgend maar met ’n oplaaiend hevig genot
in ’m, van z’n diefstal.—Aan ’t Wierelandsche haventje kwam ie uit.
Kringetjes-spuwers en leegloopers stonden daar voor kroegen, en aan
straatjeshoeken gegroept. Z’n zoon, Kees den Strooper, zag ie ’r óók.
Hij zou den vent wel steenigen willen, zoo woest was ie, alleen àl bij
’t zien van dat uitgeslepen bakkes. Nou moest ie sain twee maal in ’t
gemoet loopen, op de veiling en hier.... bah....
Stil, in troostelooze kleurvaalte lag het breeë havenplein, met z’n
droef-kaal boomgerij, dat droom-vaag in het vuil-bruine, donk’re water
spiegelde. De spoordijk, die dwars ophoogde, voor het ontzaglijk-wije
Wierelandsche polderland, lag scherp, in afsnijding van de luchtruimte,
alleen te zien, als men hoog op huizen-stoep van ’t haventje stond,
duizel-zwaar overstolpt in wintergrauwen wolkenhemel.
Uitgestorven sufte ’t haventje, met enkele schuiten en booten
dwarsliggend, aan den walkant, stug-vaal van kleuren, menie-rood en
rauw-groen, die waterig-flauw in wal-spiegel afbraken in vloeiende
kleur-scherven. Ouë Gerrit was een van de havenkroegjes binnen
geloopen, had snel ’n brandewijn met suiker in één slok ingeborreld,
met niemand sprekend, hòlde naar huis, vol van hevig genot. Duizelig,
met z’n modderhand, tastend in z’n zak naar het potloodje, dat ie nog
niet eruit had durven halen, liep ie over den weg, in zoete zalige
stille opwinding.
Guurtje had z’n eten in bed gestopt, onder de dekens en toen ie, toch
grimmig van ’n leeg-weeïg maaggeprikkel instapte, vroeg ie gauw z’n
kliek. Bij het suffe gezicht van z’n vrouw was ie al weer uit z’n
humeur. Zij zat maar zonder ’m aan te zien, te suffen voor het raampje,
met ’r ellebogen op tafel, te staren op het doodsche keipadje, naar ’n
vuil kind dat voorbijkloste, naar ’n berooid-kale kip, die aan ’t
drentelen was op ’t leege weggetje, naar ’n venter, en al maar voor
d’r, de leeggevreten tuinderij, afgeknaagde singels, met d’r nattige
vuil-gele hooi-klampen, stil en dreigend, en d’r omgespitte
grondbrokken.—Bijna uit z’n humeur, toen ie d’r lamme snuit zag....
Alleen het gladde zalige wrijven over het potloodje, hield ’m
stil-ingespannen. Tot vier uur bleef ie zitten smakken, blijerig
denken, alleen in z’n vreugde, stopte ie pijp na pijp.—
Piet en Dirk waren van het avondland huiverkil thuisgerumoerd en bleven
op ’t achterend, vlak bij keuken-warmte zitten schemeren, turend door
’n klein raampje, dat uitkeek op smederij van Willemse in de
Bikkerstraat. Moeder Hassel en Guurtje zaten daar al van bij vieren.
Dat was gewoonte bij Wierelanders in wintervroege donkerte, om licht te
sparen, tot ’t broodje van half zes. In het donkere warme
achterend-hok, gloeiden alleen, nu en dan, schijnsel-rooie gezichten
òp, van vrouw Hassel en Guurt, die vlak tegen ’t raampje opgedrukt
tuurden, als smidse, aan overkant van nauw straatje aan het hijgen
ging, en van uit de open werkplaats ’n vlammenlicht, bevend over de
oud-behuifde geveltjes heenijlen liet, dat de brokkelige lage krotjes
te branden stonden in rosse gloeiing, verzwevend en wisselend, soms
oplaaiend in dampend rood, dan verflauwend plots, met opdoeming van
schaduw-schimmen wonder-wild en fantomig uit schemerstraatje. Telkens
als smidsjongen trok, aan blaasbalg, ijlde ’n metaalgloed als brandende
oker over de huisjeskrommingen, heet roodgoud neerschroeiend op ’n
vuil-kronkelig gangpoortje. En telkens stapten menschen, nu donkere
straatfiguren, uit zijweggetjes, in den lichtgloed, als magisch éven
beschenen, met opglanzing fèl, van rooie koppen, lachend en satanisch,
onbewust van hun rossige kleur-huivering, die wonder-diep en vizioenig
gezichten en handen, vergroeien liet in vreemd avond-goud; alles
rondom, dan plots donkerend verdween in zijweggetjes buiten
brand-kaatsing. Het verweerde poortje stond even dan in gloed, als
burcht-ingang, geheimzinnig vergroot, met achter zich, spitsen en
tinnen in duisteren glimsels. En van overal kropen in rosse schijnsels
de straatkrotjes bijéén, fel in vuurlijn afgestreept tusschen hevige
schaduwen op kei en grond, angstig en ontzaglijk van geheim-kleurig
duister.... Tot plots de smidse stil uithijgde en voor ’n poosje ’t
straatje weer te droef-schemeren lag, stil en nietig, met z’n vuile
mosdakige schemerdroeve krotjes.
Guurt kon niet afzien van den rossigen brand, die telkens op den
vuur-verwilderden kop van den smid vóórop uitschoot, als de balg aan ’t
laaien ging. Ze hoorde àchter ’t hok-raampje, het getemperde geluid van
z’n hameringen op de gloei-lichtende wielen en hoepels.—Met pret in ’r,
zag ze ’t vonke-sterren, de vuurspatten om de donkere hoofden en rompen
van andere werkers dans-kringen en zweven, en alles weer heelemaal
wegduisteren als de smidse tot rust kwam. Dan zocht ze in den zwakken
zwaveligen nastroom van den gloed, hun hoofden, maar zag niets dan vage
vormen van travaille, wiel-bonken en donkere karbrokken, groote
hoefbogen, ijzerrommel en walsen, die als vergramd in de halve
werkplaats-duistering zwarten uitlijnden.—Vrouw Hassel zag niets, zat
met ’r donker hoofd maar te staren in schemerstraatje, tot plots
vlammengloed van overkant haar kwam bebloeden, en wilden angst gaf aan
’r suffe hoofd met ’r magere hand aan d’r mond gekneld. Guurtje,
tegenover haar, in ros-gouën schijn, begloeid als in tooverballet, het
fijne hoofd, met die weeke trekken, als ’n Elsa, omlicht alleen, het
gezicht en haardos. En plots weer schimden de vrouwenhoofden weg, met
stilte tusschen de lichamen. ’t Was als ’n visioen van monsterachtige
leelijkheid en vreemde sage-fijne schoonheid, dat koppenleven der
vrouwen, weggezonken in het diepe zwart van kamertjes-donkerte. En
zwaar tikte achter het hout beschot, door de stilte, de staartklok,
langzaam, als wou ze telkens blijven staan. Tot plots weer, het raam in
gloed òpschoot en de lichtkoppen uit de droomrige donkering van ’t
kamertje opdoemden, het star-oogende, grauw-rossige bevende kakement,
met den vertrokken breeden angst-mond, bevende skelet-hand van vrouw
Hassel en de zoekende oogen volgevloeid van rood licht; daartegenover
het sage-grillige prachthoofd van Guurt, in magischen haarbrand tegen
de rosgouën raampjesruit, enkel hoofd en buste met verdonkering van
lijf. Telkens en telkens zoo, verzinking van gezichten in donkre
kamertjes-diepte, als de smidsevlam kromp, en vaag de halfduistere
smeden weer heel gewoon te zien waren, peuterend onder kleine
gasvlammetjes op donkere draaibanken.
Moeder Hassel was vandaag nog stiller dan anders, en toch kon ze
helderder iets afdenken.... Nu juist voelde ze haar vreeslijk leed,
zwaar alléén-leed, dat niemand van ’r begreep. Ze was altijd een
gezonde vrouw geweest en, hoewel nooit heel slim, toch zuinige
huismoeder. Tot ze, voor twee jaar inéén zoo’n rare knellende
verdoffing in ’t hoofd had gevoeld, alsof er kruisbanden om ’r schedel
gingen striemen en telkens gloeiingen er tusschen door, heete
opstijgingen van iets naar ’t hoofd. Zoo, inéén, was ze zenuwachtig
bang en huilerig geworden. En dan àlles vergeten, vergeten. Soms had ze
de grootste moeite om te weten wat er in haar eigen huishouen omging.
En niemand geloofde of begreep hoeveel smart ze had, hoeveel pijniging
en marteling. Guurt was ’n meid die alleen aan d’r zelf dacht, dat
voelde ze nog wel. En de jonges, ruwe kwinkkwanken die ’r afbluften....
Maar haar man was de ergste. Die was opschrikkend woest tegen ’r,
duivelig, venijnig. Die porde en mepte ’r veel, altijd in ’t geniep.
Dan kneep ie, maar valsch-bang, dat anderen iets merken zouden. En nou,
wist ze zelf niet wat ’r met ’r gebeuren ging. Meestal kon ze niets
denken, was ’t ’r dik en zwaar in ’r hoofd, watterig en benauwd.... Zoo
zat ze nou weer te mijmeren....
Nou.... wa’ mos ze nou puur van denke?.... da ha je’t,.. kwait!....
kwait....
Wá’ kwait....? Nou, kwam ’t er niks opàn.... Ze kon nie.... nie....?
wá’ nie?.... Main kristus.... Skande!.... skande.... wácht.... wá’ had
ze ’t nou over?.. Stil,.... da gong ’t weer.... weg.... gut.... ja....
wacht nou há’ s’m.—Dá’ ze t’met niks onthouwe ken.... wacht se mos sich
nou moar puur inprate da’t van selvers betert gong.... Zoo te mijmeren
zat ze, met heete knelling in ’r doffe hersens, te grienen in het
donk’re kamerke, voelde ze weer drukkende neveligheid in ’t hoofd,
vergat ze weer wat ze zoo voor ’n paar tellen nog bedacht, kwam er
licht gesnik in ’r keel, maar dàt hield ze in, uit angst, instinktief
al, voor geschreeuw, wetend dat ze d’r uitscholden en snauwden als ’t
gemerkt werd. Toch zat ze altijd in angst. Ze wachtte altijd achter,
naast ’r, ’n roep, ’n krijsch, ’n stoot of woede-slag. Die wachtte ze
nòu, uit ’t donker op ’r suffe kop, zoo pàl op ’r af, dat ze schrok als
’r heelemaal niets was en ze uit ’r doffe staar tot herinnering kwam,
èven heel kort. Maar dan kwam indommeling weer, bewusteloos en toch
hoorend, als even vóór den slaap. In die suizelige dommeling bleef ze
voelen knaag-smart van iets dat ze niet begreep van’r zelf, vooruit
wetend, dat ze toch alles weer vergeten ging, dat alles er door
verkeerd zou gaan, maar zij ’t niet verhelpen kon. ’t Bangst was ze
voor de snauw-giftige duwen van Guurt, en nog banger voor de driftige
venijnige uitbarstingen van den Ouë. Zoo opgejaagd, niet wetend wat te
doen, wachtte ze weer op nieuwe snauwen, voelde ze grimmiger
aandreiging van vreeslijke rampen, zoo vlak tegen haar lijf. Dàt gevoel
vergat ze weer als feit, maar bleef dan nog in nawerkenden vagen
weedom, angstig zenuw-spannend, eng ingekerkerd tusschen
angst-gevoelens, in ’r grommen. In haar week-watterig-dichtgestopt
hoofd, spande en ònrustte ’t, als knaging van ’n woord dat men kent,
maar dat niet wil invallen, toch door de ooren klankt, brandend op
tongepunt. Al ’n paar jaar leefde ze in zoo’n martelende
angst-spanning, zich erger, benauwder voelend, van maand tot maand,
duizeliger, en doezeliger achter in ’t hoofd, al sterker vergetend,
stommer smart uitsnikkend, van dingen die ze niet wist te zeggen. De
dokter was er bij geroepen, had hooge rekeningen gestuurd, drankjes,
drankjes uit eigen apotheek, zonder eind, ook de jonge arts werd er bij
gehaald en in potjeslatijn hadden ze uitgemaakt dat ze ’r beide niks
van snapten. Alleen de jongste mompelde iets van.... dementie....
hersenverweeking.... Toen ouë Gerrit ’m vroeg, wat ’t was, had ie z’n
schouders opgehaald en alleen gezegd: „maar geduld hebben.” In dien
tijd had zij alle moeite gedaan om er van af te komen, zonder drankjes.
Want eerst dacht ze ook dat ’t aan haar zelf lag. Toen wou ze, wou ze
onthouen, iets dat ’r eenmaal inzat. Ze groef ’t in ’r hoofd, metselde
’t in ’r geheugen, met drift. Dan begon ze te zweeten, te zwellen in
onrust, in benauwing en lag ze in stille worsteling met de dingen die
ze hoorde en wist.. Ja.. ja, nou had ze ’t nog.. ’t bleef.. ’t bleef..
nog.. nòg!.. Maar dan, heel zachtjes, kwam er verslapping, was ze
vreemd-ver afgedwaald van wat ze moest, wilde weten, ging ’r de heele
boel ontglippen.... Dan wist ze plots niet waarvoor ze zich toch zoo
inspande. Er begon raar, wezenloos gedoezel in ’r hoofd te broeien,
gedruk en iets heet-suizends kwam in ’r opstijgen.. Eindelijk dofte
alles uit, ontspande en dommelde tegelijk wèg haar wil; begon weer dat
stille smart-geknaag, zonder dat ze wist waarom. Plots dan, in het
duister van ’r indommelen hoorde ze ’n schreeuw, zag ’n woedegezicht,
rammelde ’n vloek boven ’r hoofd, drong ’n vuist op ’r aan;—nou hoorde
ze stemmen van ’r zoons, ’r man, dat ze dat weer en dit weer vergeten
had. Niks meer kon ze zich herinneren.—Alles klonk weer nieuw voor
haar, en kort, heel kort dan, begreep ze, dat ze weer die dingen
vergeten mòest hebben. Dàt pijnigde ’r erger. Sterker drong bij tijen
de angst op ’r aan wàt ze beginnen moest, als dat zoo door ging. Onder
hun hoon, hun schimp bleef ze radeloos, staar-bleek voor zich uitzien
als levenlooze, omdat ze niet zeggen kòn, met geen woord, tegen die
woedende gezichten, wàt er in ’r gebeurde. In die oogenblikken, dat ze
om ’r heen dreigden in woest gekrijsch met woede-gebaar, voelde ze,
onder haar eigen staren of ze stikken ging, dichtsnoering van ’r keel,
met net nog ’n heel klein beetje lucht om te ademen. Bij elk nieuw
verwijt sidderde ze, voelde ze in zich ’n angst van ’n rat die achter
traliewerk wordt opgejaagd, wou ze zich ergens aan vastgrijpen, waaraan
ook.
Vanmiddag zat ze in ’r donker hoekje, stil schemeruurtje, rustiger, nou
ze geen verwijt-stemmen hoorde, veiliger zich voelend omdat ’r
duisternis om ’r heenlag. Vandaag was alles weer beter gegaan. Ze had
veel meer onthouden, voelde zich ook vrijer in ’t hoofd, ruimer, en
stiekem had ze zich voorgenomen af te zien van ’n nieuw doktersbezoek,
omdat van zelf de boel wel zou beteren. Heel even blij zat ze in ’t
donker, dat ze nou wat minder gespan om ’r schedel voelde, dat ze weer
veel gemaklijker op de namen van de menschen kon komen, beter op ’t
eten had gelet, weer veel van ’r huishouding zag.
’n Adem-zware stemmings-stilte suisde door ’t warme achterend,
paffig-warm en pik-duister. De smidse stond stil aan overkant. Dirk en
Piet ronkten lichtelijk tegen muur-duister aan. Guurt zat roerloos,
denkende aan ’n stoeipartij met ’n paar heertjes van de sekretarie,
kale ventjes, die in hun heerige poenigheid diepen indruk op haar
maakten. In d’r berekend verzet tegen hààr rijke, waarop zij loerde,
die doodelijk van ’r was, had ze afspraakjes gemaakt, voor donkere
laantjes-wandelingen om de tuinderijen. Maar zij wist wat ze deed,
bleef zonder hartstocht. Ze zou zich daar niet te grabbel gooien,
zooals zooveel meiden van de plaats, voor en zonder geld. Alles was
fijn spel bij ’r, berekend op prikkeling, nou es naar de Wierelandsche
Harmonie, dàn naar de kemedie. Daarvoor gebruikte ze àllen, loerend
toch op één. Al was heel Wiereland nijdig op ’r, scholden ze ’r uit
voor scharrelaarster, ’t liet ’r koud, ze wist wat ze deed.
Ouë Gerrit was uit den dorsch naar den stal gesjokkerd.
—Heé Guurt, ’t lampie!.... schreeuwde ie zwaar-hol uit den grooten
stal, ’t achterend in, waar z’n stem geweldig in het duister kamerke
stortte, tusschen de schemermenschen, in de pafrust. Gauw had Guurt je
’n lampje op schouwrand boven den stalhaard geschoven, haastig weer in
’t donker terugwijkend. Ze zat zoo lekker, zoo lekker d’r kansen te
berekenen. De Ouë sukkelde en bonkte nog wat aan den haard, die vlak
bij den stal rookte, op steenmiddenwegje, naar achterend. Met den
vuurlepel rammelde ie dof en bonkend tegen den beugel, waar boven,
zwart verbrande buik van konkelpot glimmerde.—Knetterend speelde er
blauwig gevlam tusschen takkenhout. Duister-ruim schemerde de stal, en
ronde ruitjes, hoog, als wilde oogen-sperring, in den bleekvuilen muur,
staarden, nog doorlatend schemer-avond van buiten, groenig schemerlicht
dat in valen schijn tegen de oograampjes opzweefde. In dàt licht,
lijnden nog even donker op, takkronkels, stronken en schors-bulten van
boomen op erf, bij brokken te zien door de starre-oogen van
raampjesrond, uitkrampend in avondlijk schemergroen.
Ouë Gerrit moest melken, de eenige vaste arbeid ’s avonds aan hem
overgelaten. Uit den duisteren hoogen dorsch, waar kouë vocht van de
hooge dak-welving afvloeide, donker en griezelig-vreemd, midden in,
hooiberg-gevaarte opsteeg, had ie luk-raak uit den hoek een arm vol
hooi gegrepen, op den tast, en het in den stal-voorgang onder de
donkere koe-koppen gesmeten. Ellendig vond ie ’t in den dorsch. Daar
was ie altijd onrustig, in die zwarte ruimtekilte. Dan was ’t lekkerder
in den broeiwarmen stal. Zware urinelucht en meststank zoog er
doorheen, met bijtenden ammoniakgeur, verzwevend door het donker. Heel
achteraan, in ’n hoek, stonden de twee koeien op hoogtetje.—Guurt kwam
brommend uit het donkere achterend, waar de jongens nog ronkten, en
moeder te suffen lag, het kleine petroleumlampje nadragen.
Voorzichtig zette ze ’t neer op ronde raampjesrichel. Hol klonk gestap
van Guurt op steenen groep, en dof-schimmig onhoorbaar sloop Hassel op
z’n paars-wollen kousen, door de leegte, dwars tusschen kleur-schimmige
rempalen heen. Uitgestorven donkerde de stal, die gebouwd was voor
twintig koeien. Zooveel had ie ’r vroeger bezeten. Nou maar, in
verarming twee, die ie niet eens houen kon op de wei.—
Dirk kwam loom uit ’t achterend, de stal in, gapen uitstootend die hol
vergalmden in de halve duistering. Met z’n handen, diep weggefrommeld
in z’n groote zakken, bleef ie, lijzig koeiig kijkend, om den Ouë heen
en weer drentelen.
—Hâ je nog wà’ vangst op vailing Ouë, vroeg Dirk.
—Hoho!.... ho.... ho.... niks te meer.... smeer’ge boel.... allegaer
els.... saa’k moar segge.... els.... vier en vaif en nie g’nog....
skorumsootje....
—Zoo, bromde Dirk, zich uitrekkend, onder heviger
gaapuitstootingen.—Toen, kijkend naar de beesten, leunde ie tegen den
muur, onder het lampje, in geel-schemerig stallicht verdoezeld, bij een
van de oog-starende raampjes.
Guurt scharrelde rond bij de pomp, op steenen middenwegje, naast den
haard, klompklotsend. Ring.. ring.. ring.. ring.., stompte ’t uit
donkeren hoek daar, met knarsingen van overhalenden slinger tusschen
geweld-klettering van waterstroom in emmer. Even lichtte rossig òp soms
’n hand, ’n brok gezicht, ’n rokpunt, als ze overbukte dicht bij den
haard. In den hoek, vóór de groep, schemerde ’t zwak-geel lampschijnsel
op koei-kruisen en schonken, die heuvelig afschaduwden tegen beschot
áán en op dwarsmuur, als drommedarisbulten, vaal-zwart. In de
stank-uitwasemende groep lag koevuil te dampen, om den kruiwagen, die
nog vol mest, beklonterd achter de beesten, op achtergang stond. Plots
viel er stilte, toen de pomp uitgeklaterd had, en de dreunende
ring-rings stomden. Overal door den groot en hollen stal, ging
kruip’rig schaduwspel over steenen vloer en muurhoeken. De Ouë had
eindelijk, lijzig, ’t melkblok op de stalstoep gelegd. Zacht op de
koebil patsend, schoof ie ’t blok tusschen de warm-wasemende
snoffelende dierlijven. In licht vreugdegeloei dat zacht-bazuinig en
weemoedig-zangerig verhuilde in den stalschemer, draaide één koe d’r
kop naar ’m toe, zich loswringend van ’t touw dat vastgesnoerd zat aan
de groen- en blauw beverfde rempalen. Met z’n smoel duwde de andere
koe, de loeiende terug. Wolkerig woelde op ’t hooi, dat de beesten uit
vóórgang van den een naar den anderen kant trokken en scherp sneed door
de stilte, hun grissend grazen en kauwen, hield soms plots even op,
druischte dan weer ààn, als vloeide ’t zeis-geruisch van ’n maaier door
’t donker heen.
Lijzig nog bond de Ouë ’t spantouw om de achterpooten van ’t dier, voor
ie melken ging, en lijziger ging ie zitten op ’n melkblok, als ’n
stratenmaker op éénpootig krukje, met de melkketel tusschen z’n knieën
gekneld, èven òpgelicht, van zich af. Z’n handen eerst nat-sabbelend in
z’n mond kneep en trok ie tegelijk in maatgang aan de spenen.
Zacht-regenend in bleeke straaltjes, spoot sis-scherp ’t melk-zoet den
emmer in. Piet was ook ingeloopen, rugde naast Dirk tegen den muur. Hij
hield er van zoo na ’t melken ’n paar lauwe glazen in te slaan. Daar
loerde ie nu al op, gulzig maar stil. Dichter had hij ’t lampje naar
z’n vader geschoven. Het profiel van ouë Gerrit kwam nu zwart-fijn en
scherp op het inslinkende onderkruis van de koe schaduwen, fijn
boerenprofiel met lokkenhang, puntig, dat lichtelijk mee-trilde met
huid-siddering van koebeest. Maar telkens doezelde schaduwprofiel weg,
of verwrong in woeste karikatuur op zwarte dijplekken tusschen huidwit
in, als de Ouë, stram voorover bukte op melkblok, naar andere uiers,
den emmer in schuineren stand knelde om de straaltjes beter te vangen.
Dàn donkerde z’n ingebogen lichaam schaduw-bevracht wèg, tusschen de
zwak-belichte schoften van het andere warme koebeest, dat tegen ’m
aangedrongen stond, zacht loeide, in wellust om ook gemolken te worden.
—Wa bliksems mooie makelai hep ie tug, heé Ouë, stem-zong Piet.
—Oftie.... huhu.... huhu!.... dofte beklemd stem van Gerrit tusschen
flanken-inknelling van de beesten uit.—Onrustig bewoog de wachtende koe
z’n achterpooten, drong nauwer òp tegen den Ouë, zacht zwiepend met
staart, die opgebonden kronkelde, aan ’t bindtouw. Urinelucht zoog
zwaarder door den stal, en het koevuil plompte vet en zwaar-dampend in
de groep, vlak voor de kou-uitrookende monden der loom-kijkende kerels.
Telkens vielen er bonkende geluiden in de stal-stilte uit het
achterend, en als de koeien met hun ringen schoven waarmee ze
vastgetouwd snoerden aan rempaal, echo’de het gebonk doffer door de
licht-schemering.
Wemelende reuze-gestalten schaduwden door elkaar, toen de Ouë opstond,
strammig van z’n melkblok, z’n vette vuile vingers beschuimd afdoopte
in de ketels, Dirk en Piet vlak voor het lampje elkaar over groep en
achtergang speelsch-woest heentrokken. Scherp-zwarte profielen, dàn
klein omgetrokken en zuiver-gelijkend, dan grof-vage, achteruit
verbleekende monsterlijke boerentronies onkenbaar, vervluchtigend ijl,
op vuil-wittigen kalkmuur. Koppen braken of zwollen, als de kerels in
wilden stoei vooruitsprongen, in vlakke, verdeukte schedelbobbels,
tegen bruin-morsig beschot. Groote neuzen, flauw, en zware
goliath-handen, ijlden schimmig over den wand, boven bultige
silhouet-schonken van koe-beesten. Zoo holde, warrelend en wemelend,
een donker spel van schimmen op vale muurbleekte, en de kerels zèlf,
zwak-geel belicht, met verduisterde tronies, grof-knuisterig,
adem-ingeperst, hijgden uit, in de stal-duistering, stoeiend over de
dampende groep.
—Jullie làikt kinders, driftte midden in de Ouë,—neem jai mestkep en
kuil wat àn.... ’t loopt er ’tmet over.... eenmoal.... andermoal.
In de voorgang stond Piet te gichelen tegen Guurtje die zenuwachtig
haastig doende was in keuken en achterend.
—F’rslik je ’r nie an, Dirk.... de Ouë sòanikt.... hep puur tait tut
mur’ge.... nou.... mi stróói-oàfend!....
Vlak op den kruiwagen liep ie aan, z’n adem, als gouën stoom, fel
beschenen door lamplichtstraaltje, tegen achterlijven van koeien
opblazend. Z’n gladde komieke kop rimpelde wreed en zijn mond, donker
open, boorde duistere schaterlachen, snorkend door den stal. Een
narocheling van lol, barstte z’n strot uit. Danserig sprong weer z’n
grof-komiekige boerentronie in scherp silhouet op vuilen muur. Dirk
bleef staan, lijzig, lachloos.
—Hep tait tut murrige, schaterde Piet weer, krullend met z’n lippen als
’n nijdige aap.
—Daa’s net, terug-deunde met luie stem Dirk.
—Daa’s nèt, bauwde Piet na.... je suster....
Guurt was juist weer met pompstraal ringkinkend, ingedreund. En weer
holde Piet speelsch op Dirk aan, vlak bij ’t lampje springend, dat z’n
kop scherp-zwart weer troniede op den lichtschemermuur. Plots gaf Dirk
onder jolig geschater van Piet en Guurt, z’n broer ’n fellen tik op z’n
schoften, dat die woest achteruit sprong, met z’n gezicht naar de
stalraampjes, en z’n hoofd-silhouet weg-reusde als angstige
goliath-kop. Maar méé trok Dirk, die lui zich sleideren liet met z’n
beenen in mestvuil, naar ’t hoekje van Guurt toe, waar ze zingend en
lach-schaterend, bek-af, met geweld neerstommelden.
Guurt had aldoor èven gekeken, was met ’r hoofd, voorover bukkend in
boen en emmergeploeter, tegen blauw-rood van steenen voorgang, soms net
te zien geweest in zwak schijnsel, schimde dan plots weg,
klomp-klepperend naar keuken, om met nieuwen boenrommel in ’r handen,
weer den stal in te donkeren,—want ’t liefst was ze bij lolligen Piet.
Piet, ongedurig, jongen van negentien met botten van rijpen kerel, wou
alles aanraken, belollen.
Als ze niet werkten de kerels, zoo in den wintermiddag al, wisten ze
met hun leege handen geen raad. Dan stonden ze, uren achtereen, te
gapen, te rekken, te smoken, de lange winteravonden verzeurend,
tegemoet; avonden, die, als ze niet kaartten of dronken,
slakkerig-langzaam over hen heenkropen. Maar stoeilol kwam meestal los
in broeiend warmen stal, met dien prikkelenden ammoniak-geur, ’t
zoetige hooigeurige onder den heeten diepen stank van uitwasemende
dieren.
’t Was onbewust, alsof eigen natuurdrift losgromde, in geilen
vechtlust, als voor hen, de opene natuurlijkheid der koeien in vreten
en ontladen, zich schaamteloos opgulzigde en weer uitplompte.—
—Seg, skarreloarster, hai je t’met je vraier op sterk woater zet, ’k
hep ie sien.... f’rdomd.... met die blaike stadsmuil van ’t
staa’thuijs.
—Daa’s jokkes, stem-gilde Guurt uit hoek-donkerte de stal in, onder
zwaar geboen, uit ’t duister te hooren, op rinkelige emmers.
—F’rdomd....
—Daa’s jokkes, ikke daan niks.... niks daan ’k....
—Nou stuif nie soo.... jai hep-er t’met an ieder vinger ein..
—Tog hep-ie main nie sien.... jài nie—.. en niement nie.. schreeuwde
Guurt, die nu met boender in d’r hand en losfladderende haren van ’t
bukken, naast Piet in scheem’ring kwam staan, één arm in heup-zwaarte
gedrukt. En hijg-zacht naar adem, woedde ze uit....
—Neenet Pietje, dà’ hai je mis.... glad en al mis.... main sien
niement.... je sel Annie sien heppe.... daa’s puur ’n lekkere.... daa’s
’n kreng.... daa’s s’n kwinkkwanker.... mo je hoore.... nou binne se in
’n f’raasderantie.... sel ’k moar segge.... en nou sait sain.... Nou
dat de Ouë.... die laileke suipert....
—Dà’ kenne wai.... onderbrak Piet grimmig.... Maar Guurt vertelde door,
afgevend op ’r vriendin Annie. Piet keek telkens schuin naar den Ouë en
Dirk stond roerloos, vadsig, tegen den muur geleund.—Guurt
lach-praatte, telkens haar adem-stoom even beschenen, van ’t donker
hoekje uit naar schemeringslicht waarin Piet stond, opjagend de kerels.
Hol brokkelde haar hooge vrouwestem af, in wije, klankende stalruimte,
gelende schemerdiepte,waar de woordplonsjes instortten, uit
niet-zichtbaren menschenmond. Ze had uitgerateld en Piet begon weer of
ze niets gezegd had.
—Nou skarrel jai moar roak, se weite ’t.... je bint t’r ’n dunne!....
jai mi je faine snuut.... Kaik, daa’s nou main weut! moar.... jai
jài.... kraigt nooit ’n man.... mit je witte lintjen goan jai de kist
in.... beduuf’l jai nog moar soveul.... jai knikkert mit je vraiers....
—Dà’ lieg je.... heftigde Guurt weer, uit donker hoekje op ’m
afspringend van ’r bukkig hijgend geboen.
—Louw.... allegoar louw.... die tochtige maide.... an ieder vinger d’r
éin.... en allegoar moak je hullie dààs.... Jesis Dirk.... wa trek jai
roar smoel.... aas ’n bunsem op de sprenkel.... gierde Piet’s stem.
—Hait puur lol, bromde Dirk goeiig, onverschillig even met z’n schoften
schurkend tegen den muur,.... suinigies an.... suinigies àn.... goan se
gangetje.... se gangetje....
Ouë Gerrit was heelemaal klaar met melken, ’t viel ’m nog mee. Niks
meer noodig, voor se aige ’n paar kan, en de rest veur de venter. Nou
g’n zorg meer an z’n kop.... ’t potloodje zat er.... stilletjes.—
Twee koebeesten was genog, tege Maart moste ze tug weer weg....
Met woede-woelingen boorden de koeien hun snoeten in ’t hooi, zoekend
naar lijnkoek, die komen moest. Dirk had er al ’n paar uit den dorsch
gehaald, waar ze half lagen te broeien naast de voerbieten, op ’n berg.
Vóór de drinkgang zat ouë Gerrit op z’n knie, naast ’m ’t lampje,
tusschen beschot en voor-loop, nauw opgedrongen. De grillig vlekkerige
koekoppen sloegen wilder hun ringen tegen de rempalen dat ’t
echo-bonkte. Zwaar-woest en gretig stonden hun oogbollen, donker, vol
lust, en van uit hun geketenden neergedrukten stands wrongen de koppen
zich òp, in wild geronk besnuffelend de halfduistere handen van den
Ouë.—
In brokken duwde ie de lijnkoeken in hun vadsige, lebberende
kwijlbekken, of liet ze vallen tusschen het hooi. Woelig omwolkten de
beesten dan den dorren stapel, in woest gesnuffel. Toen de koek op was
sneed de Ouë de bieten in groote blanke plakken, ze tusschen het voer
werpend. Gretiger gulzigden de donkere koppen in rauw-raspend geslik.
Lijf-wasem sloeg overal van de beesten af, en hun bekken dampten zwaar.
Vocht droppelde langs het beschot, warm-broeiend, tot vèr van de dieren
àf. Woest bleven ze omlekken de donkere handen van den Ouë, die in z’n
hoek, geknield, suffig ze zat te bekijken, niet meer denkend om z’n
beesten, alleen, stil-zalig, en roezerig na-genietend, om wat ie weer
zou te zien krijgen vannacht. En nou, in die warmte, oog-soezend in ’t
dunne licht-straaltje, viel ’m ineen in, ’t heele tooneel. Hoe hij had
gestaan, de notaris, en hoe raak z’n greep was geweest, met al dat zand
en die rotte bladeren.
Guurt kwam de melktesten aansjouwen, die in hun lichtig glazuur,
steen-bruin glanzerden in het scheemrig lamplichtje. Sieperend zeefde
ze melk uit den ketel in de testen. Poesje, was zacht aangeslopen en
geestig-fijn, tast-sluipend met z’n kopje in de test, bleef ’t in
drinkbuiging, zacht ingehouen, met z’n bedonsde pootjes op testrand
staan, schuchter, terugkrimpend in z’n blank poes-dons, bij elk
stal-geluid, bàng dat ze ’m snappen zouen in z’n snoep. En fijner nu,
herhaalde ’t z’n snoep-beweeg, vlak bij het lampje dat op steenen
kleurgrond lichtte. Fijner schaduwde z’n kopjes-rond, snorlijntjes en
punt-oortjes tegen beschot, en in schuchteren snoep-stand, boog méé,
scherp zwart silhouetje, gratielijk met staart en sluippootjes.