Vlak bij de barre zee liggen vaak de mooiste duinvalleitjes. De grond
is er wat lager, haast altijd vochtig. Ja, waar de waterleidingen hun
verderfelijk werk nog niet hebben verricht blinken er heldere meertjes,
omzoomd met boschjes van duindoorns en berken.
Ik ken wel valleitjes, zoo mooi en bloemrijk, dat iedereen, die je er
brengt in verrukking raakt, of ’t nu plantenkenners zijn of niet. De
niet plantenkenners raken er onder de bekoring van de honderden en
honderden groote witte bloempjes van de Parnassia (142, 144), die er de
grond bedekken als de Anemoontjes in het voorjaarsbosch. Of ze staan
versteld over de prachtige bloemtrossen van het heerlijk geurende
wintergroen (141), dat tusschen de donkere duindoorns kniehoog zijn
room-witte bloesems omhoog tilt.
Elders weer zijn heele plakken rood gekleurd door de dichte aren van de
kattestaart (82, 84), die hier wel niet zoo hoog wordt als langs de
waterkant in de veenstreek, maar veel sterker getinte bloemen heeft.
Als de plantenkenner Parnassia en Pirola ontdekt, dan weet hij dat er
nog meer te vinden is. Met gesloten oogen zal hij u al zeggen dat er
een stuk of drie plantjes moeten groeien met kleine witte bloempjes en
fijn groen. Een ervan heeft heel fijne stengeltjes, fijne blaadjes,
draaddunne bloemsteeltjes en ook de bloempjes zijn heel teer, bijna
doorschijnend, wit met een geel hartje. Dit fijne plantje, dat alleen
op moerassige plaatsen groeit is familie van de gewone vlasplant en
heet purgeervlas (136).
Er groeit er nog zoo eentje, maar die heeft kortere en breedere
blaadjes en ’t bloemkroontje bestaat uit één stuk. Dit is de
Waterpunge, een plantje, alleen bekend bij de liefhebbers en toch is
het een van de weinige planten, die haast over de heele wereld
voorkomen en zoo zijn er niet veel.
Van mijn derde witbloem is op het eerste gezicht bijna niets anders te
zien dan de tamelijk groote witte stervormige bloemen, die vlak op den
zwarten moerasbodem schijnen te liggen. Deze knoopige vetmuur (111)
schijnt er van te houden, om op zijn eentje te bloeien op dergelijke
open veenplekken.
De duinarbeiders steken hier in de vallei wel eens graszoden, om
daarmee de hooge toppen van de witte stuifduinen vast te leggen. De
kale plekken, die daardoor ontstaan in het natte dal, zijn al heel
spoedig met knoopige vetmuur begroeid, die er ook nog stand houdt, als
langzamerhand andere planten, voornamelijk grassen en biezen het leege
terrein komen bezetten.
De stengels van de knoopige vetmuur zijn heel dun en bezet met heel
korte smalle blaadjes, die met elkander groene knobbeltjes aan den
stengel maken.
Tusschen al die nattigheid is ook een plekje geheel bedekt met ronde
groene blaadjes, je zoudt zeggen een verdwaalde Oostindische kers, maar
dan kleiner. We ontdekken dat de blaadjes ontspringen uit kruipende
witte stengels, die half op half in den modder liggen en met witte
worteltjes daarin zijn vastgehecht. Ook vinden we aan die stengels
kleine trosjes van onduidelijke bloemen en eerst na veel bekijks met
loupen en herinnering van velerlei geleerdheid komen wij tot de
ontdekking, dat deze waternavel (94) om zijn bloemen behooren moet tot
de familie van de Schermbloemen, familie dus van Pijpkruid,
Waterscheering, Bereklauw en Peen. In ’t eerst lijkt dat erg vreemd,
maar als je de bloempjes en de vruchtjes goed bekijkt, zie je het
redelijke van zoo’n indeeling toch wel in. De familie van de
Schermbloemen heeft nog meer van die verrassingen voor ons in petto.
De planten, die hier zoo bijeenstaan als bosjes groote groene
breinaalden, zijn bloembiezen (135). Er groeien hier verscheidene
soorten; sommige hebben de kleine bruine bloempjes dicht opeen gepakt,
andere hebben ze in groote losse pluimen. De laatste zijn het mooist.
Menigeen vindt die bruine bloempjes te klein en te onaanzienlijk, om er
naar te kijken, maar je moet ze toch eens bezien op een zonnigen
zomermorgen, als ze wijd open zijn. Dan blijken die kleine bloempjes
heel mooi te wezen, net lelies in ’t klein met zes mooie gele
meeldraden en een stamper met twee of drie aardige rooskleurige
stempels daar midden in. Zoo’n bloempje blijft maar korten tijd open,
liefst in den morgenzon en zoo komt het dan, dat de menschen er niet
veel erg in hebben.
In Juli en Augustus kun je aan de stengels en bladeren van die
bloembiezen vaak mooie glanzige gele spinsels vinden, zoo wat twee of
drie centimeter lang en een halven centimeter dik, vlak tegen de
stengels aan. Ik heb er zoo wel eens honderden bij elkander gezien. Dat
zijn de cocons van het mooie Sint-Jansvlindertje (137) en ik mag
lijden, dat je het eens treft zooals ik, dat op een enkelen zomermorgen
in een duinvallei honderden van die vlindertjes tegelijk uit hun cocon
komen kruipen. ’t Was een gezicht, om nooit te vergeten. Aan ieder
bloembiessprietje zat zoo’n cocon en nu zag je die opensplijten aan den
top en dan kwam daar het aardige vlindertje uit, nog heelemaal nat en
met saamgeplakte vleugels. Bovenop hun bloembiesstengels bleven ze dan
een minuut of zoo zitten om wat op te drogen, dan spreidden ze de
wiekjes en voort ging het, elkander achterna en naar de bloemen.
In dat dal stonden bloemen, waar die vlindertjes bijzonder verlekkerd
op zijn en wel een paar van onze allerheerlijkste orchideeën, echte
lievelingen van den plantenliefhebber: de Hondswortel (57) of
Anacamptis en de Muggenorchis of Gymnadenia.
Er zijn nog plaatsen in de duinen, waar deze planten in groot aantal
groeien, vooral de Gymnadenia is in ’t geheel niet zeldzaam. De
Hondswortel wordt iets minder gevonden. Ze ruiken allebei overheerlijk
fijn en ze hebben roode, soms witte bloemen. De bloemtros van de
Gymnadenia is lang en spits, die van de Hondswortel meer rond, in de
verte lijkt hij wel een klein beetje op roode klaver, ik heb me er wel
eens mee vergist.
Maar als je de bloem in handen hebt, dan zie je dadelijk dat ’t iets
heel bijzonders is: een echte orchideeënbloem met de twee helmhokjes
van de eene meeldraad duidelijk boven de stamper ingeplant. En ’t
onderste bloemkroonblad, de lip, draagt een spoor, zoo lang en dun, dat
je hem voor een draadje zoudt houden, maar ’t is werkelijk een
honigzakje en de Sint Jansvlinder weet er behoorlijk het zoete vocht
uit te halen. Ook de meekrapvlinder en de gamma-uil weten hier den weg
en ik heb ook wel gezien, dat een groote tuinhommel er kwam snoepen.
Zijn tong was lang genoeg maar te dik en ’t was eigenlijk akelig, om te
zien, hoe hij die fijne honigspoor heelemaal openspleet.
Behalve Anacamptis en Gymnadenia staan er in mijn zeereep-pannetje nog
meer orchideeën. Daar zijn er weer bij die de gewone wandelaar nooit
ziet en als je eens de moeite neemt om ze hem te wijzen, dan begrijpt
hij niet wat voor aardigheid of je aan die kleine nietige plantjes met
groene bloempjes kunt hebben. Ze hebben niet eens Hollandsche namen,
wij noemen ze dan ook maar trouw Sturmia en Herminium (87).
De aardigheid, die ik in deze bloempjes heb, komt hiervandaan, dat ik
hun levensgeschiedenis nog lang niet ken en dat ik iederen zomer uren
bij deze plantjes doorbreng om er iets van te weten te komen en na te
gaan in hoeverre er overeenkomst is tusschen deze nederige bloempjes en
hun kleurrijke en prachtige familiegenooten.
Die Sturmia’s staan juist op een plekje, waar ze geheel omringd worden
door honderden moeras-wespenorchissen (98), die ondanks hun weinig
sierlijke naam de mooiste bloemen hebben van al onze orchideeën. De
bloemen zijn soms meer dan een centimeter in doorsnee en zeer mooi
gekleurd met bruine, groene en witte streepen en paarse, rozeroode en
gele randjes, een heel vreemdsoortige vertooning. Een spoor hebben ze
niet, wel heeft de onderlip een komvormige holte die veel honig bevat.
De vliegen en wespen komen daarop af, vooral de vliegen. In den nazomer
zitten de stengels dan ook vol met vruchten, die opensplijten en dan de
zeer fijne, uiterst lichte zaden laten ontsnappen.
Evenals alle duinplanten komt ook deze orchidee voor in exemplaren van
verschillende grootte, ik heb er gevonden van een halve decimeter
hoogte met drie bloemen in den tros en andere een halve meter hoog met
twee-en-dertig bloemen.
Zoo is het ook met het Duizendguldenkruid (106), dat je vinden kunt één
centimeter hoog met een enkel bloempje en ook drie decimeter hoog, rijk
vertakt en met honderden bloempjes. Dat verschil in grootte zal wel
veroorzaakt worden door verschil in standplaats, maar zoo heel
gemakkelijk is het toch niet te verklaren, want je vindt wel eens de
reuzen en dwergen vlak bij elkander.
Het duizendguldenkruid is weer een echt kind van de zon. Bij guur en
donker weer houdt het zijn bloempjes stijf dicht net zoo als zijn
familiegenoot, het bittere gentiaantje, dat in dezelfde duinpannen
groeit.
Het duizendguldenkruid is ook bitter van smaak. Het spreekwoord:
„bitter in den mond, maakt het hart gezond” is van deze plant
afkomstig, want zij wordt al sinds eeuwen gebruikt als geneesmiddel en
ik herinner mij zeer goed, dat in sommige streken van ons land dit
mooie bloempje onder den naam van Centaurik werd ingezameld en ik meen
voor een gulden per kilogram verkocht aan apothekers en drogisten.
Daardoor is ’t plantje op sommige plaatsen zelfs bijna geheel
uitgeroeid, maar het groeit in jonge duinvalleien weer heel snel bij.
De bloem is het bezien rijkelijk waard, al was het maar alleen om de
mooie zalmkleur, die nog al zeldzaam is in onze Flora. Ook maken de
meeldraden gedurende den bloei merkwaardige bewegingen, de lange
helmknoppen zijn ten slotte als kurketrekkers ineengerold. Je moet zelf
maar eens nagaan, hoe de zaden verspreid raken, waardoor het mogelijk
is, dat duinvalleien, pas aan de zee ontworsteld, in enkele jaren vol
kunnen staan met duizendguldenkruid.
Vogels zijn er in de zeereep altijd in overvloed. In de duindoorns
nestelen er grasmusschen en kneutjes. Op sommige plaatsen zijn de
konijnenholen bewoond door de prachtige bergeenden (1), dat is vooral
het geval op de duinen van de eilanden. De vogels zelf zie je dan wel
in de ondiepe zee staan of in de duinplassen en als je dan alle
konijnengaten gaat nazien, dan vind je er wel een met de breede
zwempoot-sporen van de eend in ’t witte zand voor de opening.
Alleen door een heel bijzonder gelukje kun je er getuige van zijn, hoe
na het uitkomen van de eieren de oude eend zijn jonkies duin op duin af
geleidt naar het veilige water.
Behalve aan eenden verleenen de konijnengaten ook gastvrijheid aan
tapuiten (5), steenuiltjes (2) en kleine boschduiven (4). De tapuiten
hebben hun nest met de blauwe eitjes voorin in ’t konijnenhol, zelden
verder dan een halven meter het hol in, maar steenuilen en boschduiven
gaan dieper. Je ontdekt ze ook alweer aan de sporen voor aan de ingang
van het hol. Ik ga geen konijnenhol voorbij of ik kijk altijd eventjes
heel oplettend naar het zand aan den ingang en als ik daar gekrieuwel
van vogelvoetjes zie, dan weet ik al gauw, hoe laat het is. En wanneer
er een stuk of wat groene erwten in ’t zand liggen, dan bestaat er niet
de minste twijfel of daar huist een kleine boschduif.
Menigeen gaat na zoo’n ontdekking dadelijk aan ’t graven, om de eieren
of de jonge vogels te vinden, maar daar doe je toch eigenlijk glad
verkeerd aan. Wil je werkelijk plezier hebben van zoo’n ontdekking,
verschuil je dan in de buurt en houd eens een oogje op het gaan en
komen van de oude vogels. Misschien ook kun je het treffen, dat de
jonge vogels te voorschijn komen en geheel op de manier van kleine
konijntjes een spelletje gaan doen voor den ingang van het huis. Want
al dat jonge goed is dol op spelen en heeft er een hekel aan, om in
huis te zitten.
Buiten de konijnenholen huizen weer andere vogels. Waar de duinen heel
breed of woest zijn, hebben de zilvermeeuwen (130, 132) hun
broedplaatsen. Twintig, vijftig, honderd paren nestelen bij elkander in
het hooge helmgras. De groote vogels verdedigen hun nesten met veel
heldenmoed, gekrijsch en uitgebraakte visch. De jonge vogels zijn eerst
bedekt met grijs gevlekt dons en zijn er zeer knap in, om achter
zandbolletjes weg te schuilen.
Al die zeevogels zijn lawaaimakers. Daar heb je ook de wulpen (124,
126) met hun lange, kromme bekken. Ze schreeuwen, fluiten en jodelen
zonder ophouden. Alleen als de oude vogel op ’t nest zit in het laatst
van den broedtijd, kan hij zich doodstil houden, al kom je vlak bij het
nest. Ik heb wel zoo dicht bij den vogel gestaan, dat ik hem met een
stok zou hebben kunnen slaan. Met een groot angstig oog zat hij me aan
te kijken, den geweldig langen snavel steunend op de grassprieten.
Het spreekt van zelf, dat juist hierdoor het nest bijzonder moeilijk is
te vinden en je moet dan ook net als de koddebeiers dag in dag uit en
voet voor voet het duin afzoeken om zoo’n nest te ontdekken. Voor die
jachtopzieners is dit een heel aardig bijwerkje, want de groote
wulp-eieren zijn heel lekker en brengen nog al veel geld op.
Toch worden in den laatsten tijd in heel veel duinen geen wulp-eieren
meer geraapt, omdat er werkelijk gevaar bestond, dat die vogels in
aantal zouden verminderen en men wil niet graag dezen heerlijken
steltlooper missen. In ’t voorjaar is zijn vroolijk gejoel een van de
mooiste lentegeluiden in ’t duin. Zijn groote waakzaamheid en onrustige
bewegingen waarschuwen den jachtopziener, als er vreemd volk door de
duinen zwerft.
Ook sticht hij onmiddellijk nut. Sedert een kwart eeuw is men ijverig
bezig met het bebosschen van de duinen. Daarbij heeft men te kampen met
allerlei moeilijkheden en het gebeurt nog al eens dat de blauwe
duinsprinkhanen (48) den jongen aanplant ernstig beschadigen. De wulpen
echter houden ervan, om in den zomer die sprinkhanen te vangen en
helpen zoo den duinbebosscher uit den brand.
De allergrootste schreeuwer van de Zeereep is de scholekster (90, 129)
of bonte piet. Die heeft zijn nest ergens tegen een duinhelling en als
hij je heel in de verte ziet aankomen dan schommelt hij stiekum van
zijn eieren af, loopt een end verscholen tusschen de helm en komt dan
op eens met ijselijk misbaar te voorschijn.
Hij vliegt regelrecht op je aan, zoodat je gaat vreezen, dat hij zijn
harden langen rooden snavel regelrecht in je oog zal boren, maar op ’t
laatste oogenblik gaat hij op zij en krijscht je een oor doof. Dan is
hij tevreden en dan gaat hij een eindje verder op ’t zand zitten, net
of hij daar zijn nest heeft en verkneukelt zich, als je je laat
bedotten.
Maar als je zijn wezenlijke nest hebt gevonden en hem van uit een
veilige schuilhoek gaat bespieden, dan zul je zien wat een zorgzaam
dier het is en hoe knap hij zijn eieren weet te schikken en te keeren,
hoe trouw hij zijn jongen voert en hoe aardig hij ze op ’t heetst van
den dag met uitgespreide vleugels beschermt tegen de brandende zon.
Wanneer een kraai of een zilvermeeuw met oneerlijke bedoelingen zijn
nest nadert, dan weet hij ze behoorlijk respect in te boezemen niet
alleen door zijn gekrijsch, maar ook door zijn harden, rooden snavel.
Maar het „wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe zulks ook aan een
ander niet” brengt hij niet in betrachting, want ik heb wel gezien dat
hijzelf de eieren van de kleine dwergsterntjes stuk hakte en leeg
slurpte.
Doch ik wil hopen, dat hij dit alleen bij uitzondering doet. Hij haalt
zijn kost meestal op langs het strand en kent de tweeschalige
weekdieren beter dan menige Hoogere Burger. Hij weet precies, waar de
spieren zitten, waarmee de oester of mossel of purpurslak zijn schalen
dicht houdt en knipt die dan met zijn scherpe snavel netjes door,
zoodat hij dan ’t weerloos weekdier kan verorberen. Zijn jongen voert
hij in ’t eerst ’t meest met kleine schaaldiertjes, zooals watervlooien
en die aardige, witte strandspringertjes, die soms bij honderden
verborgen zitten onder het aanspoelsel.
In ’t eerst hebben die jongen behoorlijke snaveltjes, niet langer dan
hun kop, maar bij den dag worden ze langer; dat moet voor die diertjes
wel een heel rare gewaarwording zijn.
Als de jongen groot zijn, dan gaat de heele familie herrie maken op ’t
strand. Je ziet ze dan met hun drieën of vieren onder veel gefluit en
geschreeuw krijgertje spelen en alleraardigste passen en houdingen
vertoonen. Erg moppige vogels.