Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat onze duinen nog niet eens
bestonden en er wordt wel beweerd, dat eerst in den romeinschen tijd de
zandheuvels langs het noordzeestrand zich noemenswaard boven de zee
begonnen te verheffen.
Wie de duinen ziet bij Noordwijk of Zandvoort heeft moeite om dat te
gelooven, want de zandwal lijkt daar zoo oud als de wereld, maar wie
wel eens in de buurt van Schoorl of op de Wadden-eilanden, de
Zuid-Hollandsche of Zeeuwsche eilanden heeft rondgekeken, kan
begrijpen, dat duinen heel snel kunnen ontstaan en verdwijnen. ’t Is
maar een kwestie van wind en stroomen.
Evengoed als gedurende een sneeuwstorm meterhooge sneeuwruggen in
enkele uren kunnen verrijzen, zoo maakt ook een enkele zandstorm in
korten tijd nieuwe heuveltjes op de breede zandvlakte. Ik heb wel eens
in een dag een zandheuvel zien groeien van vijfentwintig meter lang en
op zijn hoogste punt meer dan manshoog. Maar ’t is de moeite niet
waard, zoo’n heuvel in bezit te nemen, want als op een volgenden dag de
wind maar heel eventjes éen streekje uit een anderen hoek waait, dan
wordt de zandberg weer heelemaal afgebroken en elders weer opgebouwd.
Welnu, langs de kusten van onze eilanden zijn honderden hektaren van
deze verplaatsbare gronden.
Winterstormen en springvloeden houden er geweldig huis en brengen soms
ontzettende hoeveelheden schelpen mee, zoodat zulk strand vaak haast
evenzeer uit schelpen als uit zand bestaat. Ook gebeurt het veel, dat
de zee wat fijne klei aanbrengt en daarop kan dan een begin van
plantengroei ontstaan.
Maar de dieren komen er eerder dan de planten. Zomer en winter wemelt
het hier van allerlei gevogelte. Honderden huishoudens wagen, het hier
in de Meimaand hun nesten te vestigen en dan is het een groot genot,
over deze schijnbaar zoo troostelooze woestenijen rond te dwalen in de
felle zon.
De zee is nu volkomen rustig, ’t is Oostenwind en laag water. De
zandbanken, drie rijen achter elkander blinken uit tusschen het
spiegelgladde helderblauwe water van de zwinnen. Op de verste bank
liggen dozijnen zeehonden zich te zonnen, hun vacht is droog en wollig.
Groote meeuwen staan in groepjes langs den waterkant en nu wij wat
verder het verlaten gebied betreden, ontstaat er ook leven om ons heen.
Op eens is de lucht vol met buitengewoon sierlijke kleine witte
vogeltjes met lange spitse vleugels en gevorkte staart. Ze schreeuwen
onophoudelijk als kleine nijdige katten, schieten ook vlak langs ons
heen, zoodat we het gele snaveltje, ’t witte voorhoofd en ’t mooie
zwarte schedelkapje kunnen zien. Of mooier nog, ze blijven klapwiekend
een poosje op éen plek in de lucht staan, ons altijd verwenschend en
uitscheldend.
Dit zijn nu de dwergsterntjes of dwergzeezwaluwen (125, 126),
verkleiningen als het ware van het gewone vischdiefje. Ze hebben hun
nesten in het vlakke zand, tusschen de schelpjes en als we maar stuk
voor stuk van ’t strand met aandacht bekijken, vinden we wel de eitjes:
twee of drie bij elkander in ronde ondiepe kuiltjes. Ze zijn dof, vaak
zandkleurig, maar meestal iets blauwachtig met donkergrijze plekken.
Als ze niet in een kuiltje lagen, zouden ze niet makkelijk te vinden
zijn, maar nu maakt het ronde kuiltje, dat je er erg in krijgt.
Dikwijls ook maakt het vogeltje nog een krans van schelpjes om ’t nest.
Intusschen hebben ze van ons niets te duchten, en ’t is ook bij de wet
verboden, om eieren van deze vogeltjes te rapen.
Terwijl we zoo rondkijken, zien we weer andere vogeltjes over ’t zand
loopen, ook wit en grijs en zwart. Maar ze zijn flinker op de pootjes
dan de zeezwaluwtjes. Ze rennen zoo snel, dat je de pootjes haast niet
eens ziet bewegen. Dan lijkt het opeens of er een struikelt. Hij valt
haast om, maar houdt zich staande door een vlerk uit te slaan en zich
daarop voort te sleepen. Nu laat hij beiden vlerken hangen en strompelt
en struikelt voort alsof hij dronken was. Maar onder de watervogels
komt dronkenschap niet dikwijls voor, dit is niets anders dan angst en
opgewondenheid.
Deze vogeltjes, strandpleviertjes (127, 128), hebben hier ook hun
nesten, die er haast net uitzien als die van de zeezwaluwtjes, maar de
eieren zijn iets dikker en meer met streepen en krabbels dan met
vlekken geteekend. Ik weet wel plekken op ons strand, waar ’t geen
kunst is, om binnen het half uur een dozijn van deze nesten te vinden.
En ik heb op een mooien dag op een heel breed strand in ’t gezicht van
een van de meest bekende steden uit de Vaderlandsche Geschiedenis wel
duizend van deze vogeltjes zien rondloopen, net of ze daar aan ’t
soldaatje spelen waren.
Als ze rondloopen over nattig of donker getint zand, dan is ’t niet
eens zoo gemakkelijk, om ze te onderscheiden. Des te duidelijker echter
is een andere zandlooper, maar die is dan ook veel grooter en heeft aan
zijn lichaam geen andere kleuren dan hagelwit en pikzwart. Dat is de
Kluit (122), een van de allerprachtigste steltloopers. De domme
Duitschers en Engelschen hebben dit dier en zijn eieren zoolang lastig
gevallen, totdat er op de Duitsche of Engelsche kusten haast geen
enkele meer is overgebleven. Bij ons echter komen ze jaar in jaar uit
trouw nestelen, niet alleen op de witte stranden, maar ook op de groene
en zelfs hier en daar in ’t grazige binnenland.
Die kluiten zijn nog zenuwachtiger in hun bewegingen dan de
strandpleviertjes. Als je in een goeden tijd hun broedgebied betreedt,
dan heb je soms een half dozijn van die vogels om je heen in alle
houdingen van wanhoop en vertwijfeling. Ze knikkebeenen op hun lange
loodkleurige pooten, over het zand, slaan den zwarten omhooggekrulden
snavel heen en weer en slieren de hangende vleugels over ’t zand. Soms
lijkt het, of je ze zoo zoudt kunnen pakken, maar ze maken zich dan
toch uit de voeten en vliegen omhoog, terwijl ze onophoudelijk „kluut,
kluut, kluut,” schreeuwen.
Eigenlijk moesten die vogels dan ook „kluut” heeten, maar de
boekenschrijvers hebben het anders gewild. Die redeneeren als volgt:
Een Zeeuw en een Texelaar zeggen in plaats van „huis”—„huus” en in
plaats van „tuin”—„tuun”. Wat zij „kluut” noemen moet dus door een
beschaafd mensch „kluit” worden gezegd. En zoo is het dan gekomen, en
daar is zeker ook al weer niets meer aan te veranderen, dat wij een van
de allersierlijkste en allervlugste vogels met den lompen naam van
kluit moeten betitelen.
De eieren zijn zoo groot als kipeieren en liggen drie of vier bij
elkander in een kuiltje in het zand of ’t gras. De jongen (123) zijn
allervermakelijkste langbeenen en krijgen al heel gauw zwarte
wipsnaveltjes.
Al deze vogels hebben in hun beweeglijk grondgebied nog al eens te
lijden van wind en water. Soms stuiven de eieren heelemaal onder.
Dikwijls slaagt de oude vogel er nog in, zijn eitjes weer uit te
delven, maar even vaak gaat ’t broedsel verloren. Ook heb ik wel eens
jongen van deze vogels aangetroffen, die in een zandstorm heel listig
zaten te schuilen achter een hooge schelp en dan was er achter hen een
zandwalletje ontstaan, waar zij zelf een deel van leken uit te maken.
Waar ’t zand wat hooger is opgestoven en door kleideeltjes of
halfvergaan zeewier bij elkander wordt gehouden, daar kunnen planten
gaan groeien en die slagen er dan dikwijls in, om met hun wortels nog
meer vastigheid te geven aan den bodem.
Het zijn zeer verschillende plantensoorten, die zich zoo durven te
vestigen aan ’t strand der zee en je kunt het ze wel aanzien, dat ze
geen gemakkelijk leven hebben. Ook zijn ze erop berekend, dat ze
evenals de eieren en jonge vogeltjes opeens bedolven worden onder een
zandlaag. Ze redden zich dan meestal, door maar flink omhoog te groeien
tot ze weer licht en lucht bereiken. En dan hebben ze er weer voor te
zorgen, dat het opgewaaide zand weer niet wegwaait.
Toch zijn er bij, die heel mooie bloemen voortbrengen. Iedereen kent de
zeeraket, met paarse kruisbloempjes, die veel op pinksterbloemen
lijken. Ook weet ik heele einden strand, die bezet zijn met mooie
groote hoornpapavers (107), planten van de familie der klaprozen met
heel mooi grijsgroen gebladerte en groote heldergele bloemen, die voor
ze opengaan, mooie blauwachtig groene spitse mutsjes op hebben. Wanneer
de bloemen uitgebloeid zijn, dan groeien de vruchtbeginsels heel lang
uit, tot hauwachtige vruchten van wel twee decimeter lang. Bij
Zandvoort, Noordwijk of Scheveningen vindt ge deze plant niet dan
uiterst zelden, maar je mag er wel eens aan denken, dat er nog andere
duinen zijn, dan die van de drie meest bekende badplaatsen.
Een andere zandbinder is de zoutbloem, die komt heel algemeen voor: een
laag plantje, met veel dikke dicht opeen staande stijve blaadjes, nu
eens heel donker groen, dan weer meer geelachtig. De bloempjes zijn
groenachtig wit en tamelijk groot, al lijkt er soms op ’t eerste
gezicht geen enkele aanwezig te zijn.
Maar de beste werkers, dat zijn de grasachtige planten. Het meest
bekend is het helmgras en dat doet ook dapper zijn best. Doch mooier
dan de helm en blijkbaar ook beter geschikt voor een leven aan den
zeekant is de prachtige blauwgroene strandhaver (138), een forsche
plant met mooie lintachtige bladeren. Daar steken in Juni hooge halmen
uit omhoog, met bloemen, die heelemaal niets van haverpluimen hebben,
maar veeleer lijken op roggearen.
’t Is of deze plant juist voor zijn plezier gaat groeien op de
gevaarlijkste plaatsen. Overal waar ’t waait en stuift, wapperen zijn
blauwgroene vaantjes. Als ’t maar niet al te plotseling gaat, kan hij
wel binnen het jaar door zijn tegenspoeden een meter de hoogte in
komen. Daarbij vertakt de plant zich zoo snel, dat de stengels al
dichter en dichter op elkander gaan staan, zoodat eindelijk het duintje
geheel is overdekt en dan kunnen in de bescherming van de zandhaver
zich andere planten gaan vestigen.
Dan komt er de mooie strandwinde (118), een verwant van de heggewinde
en akkerwinde met heel groote rozeroode bloemkelken en mooie, zeer
bijzonder gevormde dikke donkergroene bladeren, die al naar
omstandigheden zoo groot als een kwartje of als een rijksdaalder kunnen
zijn. Deze strandwinde is lang niet zeldzaam, maar meestal uitgebloeid
voor het begin van de groote vacantie en daardoor dan minder bekend.
Het gaat er zoo langzamerhand op lijken, dat de menschen en kinderen
alleen maar de natuur leeren kennen in de groote vacantie, wat om zoo
te zeggen eigenlijk de doodste tijd is van het heele jaar.
Beter dan de strandwinde kennen de meeste menschen een andere plant van
het witte duin: de blauwe zeedistel (112). Op sommige plaatsen in ons
land groeit die ook aan de binnenzij van de duinen, maar eigenlijk
hoort hij toch thuis vlak bij het zoute water.
In mijn jeugd heb ik wel blauwe zeedistels gevonden van driekwart meter
hoog; met honderden takken en bloemhoofdjes. Tegenwoordig ben ik al
blij, als ik ze half zoo groot vind. Dit komt doordat de groote
dadelijk door de natuurliefhebbers worden meegepikt. Hier en daar zijn
ze heelemaal uitgeroeid en ’t is te voorzien dat over een jaar of
vijfentwintig alleen op heel afgelegen plaatsen nog een enkele
zeedistel zal groeien. ’t Is echter te hopen, dat tegen dien tijd de
Vijftig-planten-bond haar invloed kan doen gelden.
De Vijftig-planten-bond is een vereeniging, die nog niet bestaat, maar
liefst zoo spoedig mogelijk opgericht moet worden. De leden van die
vereeniging verbinden zich, om geen plant in te zamelen of geen bloem
te plukken, wanneer er niet minstens vijftig van aanwezig zijn op een
ruimte, die gemakkelijk is te overzien. Als we ons houden aan dit
eenvoudige gebod, dan is voor goed alle gevaar voor verarming van onze
Flora geweken.
Iedereen weet tegenwoordig, dat de blauwe zeedistel heelemaal geen
distel is, maar tot de familie der schermbloemen behoort en dus verwant
is aan peen en bereklauw, zooals men aan de eigenlijke bloempjes en aan
de vruchten ook duidelijk kan zien.
Er groeien ook wel echte distels op het kale duin, de knikkende distel
met mooie groote donkerpaarse neergebogen bloemhoofdjes en de groote
wegdistel (22).
Die maakt op sommige plaatsen prachtige groepen; hooge forsche planten,
dicht bezet met zilvergrijze stekelige bladeren. Dicht bij de dorpen
groeien ze het meest en vandaar worden ze wel versleept naar afgelegen
aardappel veldjes, midden in het duin.
Soms ook ziet het tusschen helmen zandhaver geel van de melkdistels
(105). Ze lijken heel stekelig en hun glanzig groene bladeren vertoonen
ook een massa scherpe puntjes, maar eigenlijk zijn ze toch zacht en
sappig. De bloemen lijken veel op die van paardebloemen en de heele
plant ziet er uit, net of hij daar zoo maar bij toeval op de witte
duinen is terecht gekomen.
Al deze planten staan zoo, dat het witte zand er nog zichtbaar tusschen
blijft; ze bedekken den bodem niet. Ook de zandzegge (133), die
duizenden bij duizenden stengeltjes maakt, slaagt er niet in, een groen
tapijt te vormen.
De stengels van de zandzegge kruipen in horizontale richting onder den
grond voort en zenden van afstand tot afstand zijtakken omhoog met
bladbundels en bloeiaren. ’t Is alleraardigst, om deze stengels in
lange rechte rijen boven het witte zand te zien opduiken. De bloempjes
hebben niet veel te beduiden; ze bestaan of enkel uit drie meeldraden
of enkel uit een stampertje en zitten zoo dicht opeen, dat ze
afzonderlijk haast niet te zien zijn.
Het gulzige konijn komt dikwijls juist de toppen van de bladbundeltjes
afbijten.
Aan de landzijde raakt het witte duin wat sneller begroeid dan aan den
zeekant. Daar vestigen zich ook al spoedig de wondklaver (116) met zijn
gele bloemhoofdjes en mooi gevormde blauwgrijze bladeren, en daar
groeien ook de lekkerste bramen.
De wilde braam van de duinen is een heel andere dan die van ’t bosch.
’t Is een kruipende plant, die al heel spoedig den grond overdekt met
een formeel netwerk van uitloopers. Heele duinhellingen raken zoo
bedekt met laag braamstruweel dat in den nazomer vol blauwe, sappige,
eenigszins zure bramen zit. De patrijzen en fazanten (131) en wulpen
weten dat opperbest en zitten er in September bij troepen te smullen.
Als ’t witte duin wat ouder wordt, dan komen er weer andere planten.
Heel fijne mosloovertjes beginnen rond te kruipen over het kale zand en
maken overal op Noordhellingen spoedig een dicht aaneengesloten groen
tapijt. Op de Zuidhellingen hebben de bladmossen het in den zomer te
zonnig en te droog; daar ontwikkelen zich de korstmossen: het
hoorntjesmos, het rendiermos (59) en de aardige bekermosjes.
In ’t najaar komen daartusschen op slanke steekjes, kogelronde witte
balletjes te voorschijn; dat zijn alleraardigste paddestoeltjes, de
gesteelde stuifballen (77).
Daar groeit ook zomer en winter de muurpeper (119). ’s Winters zou je
die plant verslijten voor een bijzonder weelderig ontwikkeld
mosplantje, maar in den zomer komen er honderden prachtige gele
bloempjes aan, gouden glanzige vijfpuntige sterretjes. De bladeren van
de muurpeper zijn kort en dik en bevatten zooveel water, dat een
ontwortelde plant nog dagen lang frisch kan blijven groeien en bloeien.
Als ’t nu eenmaal zoover is, dat ’t duin begroeid raakt met mossen en
muurpeper dan kunnen in die groene vochtige laag weer allerlei zaden en
sporen ontkiemen en in weinig jaren—op Terschelling kun je dat mooi
bestudeeren—komen er dan viooltjes, pimpernel, walstroo, reigersbek,
duinroosjes, kruipwilgen en verschillende grassen, zoodat het witte
duin dan mettertijd een grazig duin geworden is.
Dan moet ook maar gauw de duinbeplanter komen en alles volzetten met
jonge dennetjes. De vierkante gaten worden in den grond gespit en in
elk gat wordt een tweejarig dennetje gezet: het heele duin vol met
scheerkwastjes. Het volgend jaar zien de meeste van dien jonge
dingetjes er treurig en kwijnend uit, maar kom eens terug over een jaar
of zes, dan zult ge zien, dat verreweg de meesten al zijn opgeschoten
tot flinke manshooge denneboomen. En vijfentwintig jaar later is het
witte duin veranderd in een prachtig hoogstammig dennebosch, alleen aan
de zeezijde staan wat scheefgegroeide kaalarmige boomen. Die hebben den
eersten aanval van den zeewind te verduren gehad, maar zoo is de rest
van ’t bosch behouden.
Heerlijk is het, na een tocht door het barre zeeduin terecht te komen
binnen de beschutting van zoo’n dertigjarig dennebosch. Door de kronen
ruischt de zeewind, maar tusschen de stammen zelf is het stil en de
grond is er dicht bedekt met mollig slaapmos en dorre dennenaalden.
Enkele bloemen hebben er zich gevestigd: de kruipende eereprijs, die
tegenwoordig mannetjes-eereprijs heet, het breedbladig standelkruid, de
boschsalie en wat hondsviooltjes.
Maar ’t mooiste sieraad van het dennebosch in ’t duin vormen de
paddestoelen, die er van Juli tot diep in den winter te vinden zijn,
groote driemantelige aardsterren, kleine aardsterretjes (67), stekelige
stuifballen, in groepjes bijeen, mooie heksekringen van de blauwe zwam
(70), de groene champignon (73), met een kleur als de koepel van de
Ronde Luthersche kerk, mooie komzwammetjes (68), de groote spinragzwam
(74), de vergiftige beurszwam (76), de vergiftige knolzwam (78), kleine
zoete melkzwammetjes, ruwe broodzwammen (69), kleine broodzwammen, die
de lijsters zoo graag uitpluizen (75), en een enkele keer ook de
schubstekelzwam (72), die er uit kan zien als een voorwereldlijk
pantserdier. De menschen hebben er de dennetjes geplant, maar al die
wondermooie wilde planten zijn er vanzelf gekomen. Is dat nu geen
buitenkansje?