Zoo heet straalt de zon op ’t zand, dat de kleine glasheldere
korreltjes blinken als edelsteentjes tusschen het dof witte
schelpengruis. ’t Is nu geen weer, om groote zwerftochten te maken,
daarom zoeken we maar een bloemrijk boschkantje, om daar de heetste
uren van den middag door te brengen. We behoeven niet te lezen en ook
niet te slapen, dat kunnen we altijd ’s winters en ’s nachts nog genoeg
doen. Laat ons nu genieten van de zomerdrukte.
Alles staat in vollen bloei: de heesterrand om het boschje is één
bloemenmassa: bleekroode egelantier, groote witte tuilen van Meidoorn
en Geldersche roos (100) en groene bloempjes van het kardinaalshoedje
(62), die je eerst niet ziet, maar die door hun honigrijkdom nog meer
insecten tot zich lokken, dan de bontbloemige struiken.
Het zit vol op die bloemen van vliegen, wespen en van kniptorren, de
aardige kevertjes, die een half el in de lucht opwippen, als je ze op
hun rug op je hand legt. We zullen ze later nog wel eens weer
tegenkomen.
De Geldersche roos krijgt meer bezoek dan de echte egelantierroos en
dat komt misschien wel, doordat zijn witte tuilen met de groote
randbloemen al van heel verre in ’t oog vallen en doordat er op die
bloemen voor de insecten ook meer te halen is. De egelantierroos brengt
zoo goed als geen honig voort en het mooie duinroosje (117) in ’t
geheel geen. Daar staat tegenover, dat de bladeren en de meeldraden
tamelijk dik en sappig zijn en daarom zeer begeerd worden door het
kleine Junikevertje met zijn glimmend lichaam en bruine dekschilden. ’t
Is aardig, om te zien hoe die letterlijk zitten te grazen in de
talrijke meeldraden van de wijd geopende rozen. Je kunt ook zien, hoe
ze met hun zwarte kaken heele stukken knagen in het malsche rozenblad.
Maar meteen valt toch ook in ’t oog, dat ze met hun harig lijf heele
vrachten stuifmeel versleepen van bloem tot bloem.
Soms komen hommels voor die rozen gonzen en ze strijken er ook wel op
neer, om dan vlug in ’t rond te draaien, zoekend naar honig of
stuifmeel vergarend. Als er al Junikevertjes in de bloemen zitten,
staan ze even brommend stil in de lucht, alsof ze eventjes uitrekenen,
of het nu wel de moeite waard is, om zoo’n bloem te bewerken. Er zijn
er dan ook wel onder, die maar rechtsomkeert maken.
Nu, bloemen genoeg, bloemen van allerlei grootte en kleur: hier heele
plakkaten roode thijm, daar hooge bloempyramiden van wilde reseda
(109), witte akkerhoornbloempjes (139), moeilijke cypres-wolfsmelk
(113), schuimachtige massa’s van gele walstroobloemen (120),
daartusschen een paar stijve stengels van walstroobremraap (17) met
groote grijnzende bloemen, aardige kleine roode bloempjes met dikke
kelken van de kegelsilene, en dan nog weer purperen bloempjes van
hondstong (80) en van de heggerank (99), graspluimen van allerlei
soort, en op een open plek een groote reuzenplant van ’t slangenkruid
(104) vol blauw gebloemte. En achteraf langs het pad staan een paar
vreemdelingen, die zich al meer en meer in de duinen gaan vertoonen:
een ruw, stekelig plantje met kleine, gele bloempjes, de Amsinckia, die
meegekomen is met ’t fazantenvoer, en een laag, glad plantje met dik,
sappig groen blad en een trosje van witte bloemen omgeven door een
groen schoteltje, dat is de Russische postelein (66) of
winterpostelein, die hier stellig beland is tegelijk met een partijtje
Canadeesche popels, door den boschbaas op een stuifhellinkje geplant.
Een enkele vreemdeling raakt hier zoo goed thuis, dat hij haast als
inlander beschouwd mag worden en ook door de insecten als zoodanig
wordt behandeld.
Hier en daar in Holland staan gele pijpbloemen (93) in de boschjes,
heel merkwaardige bloemen. Als ze pas open zijn kunnen kleine vliegjes
wel erin kruipen, maar niet eruit komen, doordat de lange hals van de
bloem bezet is met naar binnen gerichte haren. Eerst wanneer die
verwelkt zijn, kunnen de diertjes eruit. Inmiddels zijn ze bestrooid
met stuifmeel en dat brengen ze nu weer in andere pijpbloemen, waar ze
weer getroost een halve dag gevangen gaan zitten. Soms vindt je wel
vijftig vliegjes in één bloem.
Gaan we nu even wat verder rondsnuffelen, dan vinden we weer allerlei
andere planten. Kijk maar eens uit naar het prachtige kleine
maanvarentje (50) dat heelemaal niet op een gewone varen lijkt met zijn
mooi groepje van sporendoosjes. Die kleine zwavelgele bloemen, net
paardebloemen, zijn van het langharig havikskruid (115), zoo genoemd om
de lange haren aan zijn bladeren.
Een andere gele composiet waar we op willen letten is het Bitterkruid
(143), dat bloeit tot laat in ’t najaar en vaak vergezeld is van zijn
parasiet, de bitterkruidbremraap (140), die ik ook nog wel in October
bloeiende gevonden heb.
In jong berkenbosch, dat tegen ’t vraatzuchtig konijn beschermd wordt
door een omheining van ijzergaas, vinden we de mooie Fijnstraal (134)
die als hij bloeit, er al haast net uitziet, alsof hij uitgebloeid is,
heelemaal grijs en harig. De geleerden hebben daarom aan deze plant den
naam gegeven van Erigeron, wat beteekent „grijsaard in de lente”. Die
geleerden hebben soms aardige invallen.
De insecten worden door die fijnstraal niet bijzonder aangelokt. Ze
schenken meer aandacht aan de kleurige en geurige bloemen, waar wat te
halen valt. De thijm (56) en de steenthijm (81) krijgen wel het
leeuwendeel.
Wie goed uitkijkt, bespeurt ook, dat er van thijm tweeërlei bloemvormen
voorkomen: groote, sterkgekleurde bloempjes, waarin zoowel stampers als
meeldraden aanwezig zijn, en kleinere, alleen met stampers. De planten
met de kleine bloempjes schieten doorgaans wat hooger op dan de andere.
Op de thijm komen meest hommels en honigbijen, op ’t geel walstroo
vooral vliegen en op het slangenkruid komen kleine bijtjes, die met hun
buik juist strijken langs de vijf blauwe helmknoppen.
Ze doen dat zoo netjes, dat ’t blauwe stuifmeel blijft vastzitten
tusschen het dichte bosch van gele haren, die ze achter aan hun lijf
hebben en waarin zoodoende een heele voorraad stuifmeel wordt
verzameld. Hebben ze genoeg, dan vliegen ze ermee blijmoedig naar huis.
Dat huis is weer een van de meest interessante dingen, die je in de
vrije natuur kunt vinden. ’t Is meestal een diep gat, dat door ’t
vlijtig diertje zelf in den grond is gedolven. Daarin bouwt hij dan van
langwerpig ronde en cirkelronde stukjes blad, die hij zelf uit de rozen
of berken knipt, een rij van vingerhoedvormige kamertjes en in elk
kamertje komt dan een eitje met een voldoenden voorraad honig en
stuifmeel. Is de heele rij vol, dan stopt hij ’t eind dicht met een
zandprop en ’t volgend jaar komen dan op die plek de nieuwe
behangersbijtjes uit den grond.
Niet alleen op slangenkruid haalt dat behangersbijtje zijn stuifmeel,
maar ook op de groene bloemen van de Heggerank of Bryonia.
De Heggerank moet eigenlijk ook een uitheemsche plant zijn, maar is al
sedert zoo langen tijd in onze duinen verwilderd, dat hij er volkomen
thuis is en door allerlei insecten overvloedig wordt bezocht. Er
schijnt zelfs één soort van kleine graaf bij te wezen, die geen andere
honig belieft te eten, dan die van de groene Bryonia-bloemen.
’t Is een klimplant, en er bestaat voor een luien, heeten Junimiddag
haast geen beter bezigheid, dan languit bij zoo’n plant te gaan liggen,
om te zien, hoe aan den top van de takken de spiraalvormige ranken zich
uitrollen tot lange, rechte slierten, hoe die in ’t rond zwieren, tot
ze een steuntje vinden en hoe ze dan om dat steuntje heen krullen. Zit
zoo’n rank aan zijn eind goed vast, dan krult hij zelf langzaam ineen
en zoo trekt hij dan zijn tak een eind vooruit of de hoogte in. Al die
bewegingen gaan voor plantenbewegingen zeer snel, zoo snel, dat je in
drie kwartier tijds heel wat kunt zien gebeuren.
Onderdehand kun je opmerken, dat onze bloem alleen maar een stamper
heeft met een bolvormig vruchtbeginsel onder de bloembekleedsels; en
als ’t niet zoo warm was, zou ik wel een eindje willen rondscharrelen,
om te zoeken naar een andere heggerankplant met meeldraadbloemen.
Maar ik heb heelemaal geen zin om op te stappen, want ik zie hier
rondom ons een massa aardige dingen.
Een klein rood met zwart vlindertje, een oude kennis, de St. Jacobs
vlinder (27), vliegt zoekend rond. Hij vindt al spoedig een plant van
het Sint Jacobs kruiskruid en aardig is het om te zien hoe hij nu aan
de onderzijde van de bladeren een heele plak gele eitjes legt. Daar
komen de zebrarupsen uit, die oranje met zwarte rupsen, die geen enkele
vogel wil eten.
Vlak daarnaast staat een plant van de toorts, nog niet in bloei, maar
de wollige bladeren vol gaten. Die worden daarin gevreten door rupsen
van den grauwen monnik (20 en 21), die al evenmin bang zijn om zich te
vertoonen als de zebrarupsen. Ze zijn blauwachtig met veel gele en
zwarte heel aardig geschikte vlekken; mooie dieren, maar ze smaken
zeker ook afschuwelijk, want er zitten er wel een dozijn op die
toortsplant, heel duidelijk te zien en geen vogel taalt er naar.
Toch zijn hier in de vallei vogels genoeg. Ieder oogenblik stijgt een
boompieper (40) zingend omhoog, schetterend als een kanarie. Als hij
heel hoog gekomen is, houdt hij op met klapwieken en dan daalt hij met
uitgespreide vleugels en hangende pootjes langzaam neer, altijd zoet
fluitend. Zoo bereikt hij een boomtop en als hij daar vasten voet heeft
gekregen, ratelt hij weer een krachtigen kanarieslag. Hij heeft zijn
nest ergens op den grond tusschen het gras, heel goed verborgen.
Daar huizen ook de mooie vlugge paapjes (85), kleine vogeltjes met
spitse bekken. Het mannetje heeft een mooi rood borstje en een
duidelijke witte wenkbrauwstreep boven ’t oog. Het wijfje is wat
stiller van kleur.
Ze vliegen voortdurend af en aan met voedsel, gaan altijd eerst even
zitten in den top van een kardinaalshoedje en duiken dan daarachter
neer in ’t gras. Daar moet het nest liggen. We stappen er even heen en
hebben het spoedig ontdekt. Er zit éen jong in, maar dat dier is veel
grooter dan de paapjes zelf: ’t is een jonge koekoek (39), nog bijna
heelemaal zwart. Hij is zoo kwaad als een spin en blaast en bijt
woedend in ’t rond. De oude paapjes zitten angstig in de struiken te
piepen en zijn even bang voor hem, alsof hij hun eigen kind was. En dan
moet je weten, dat dit zwarte beest zijn leven begonnen is met de
heusche eigen kleintjes van de paapjes over boord te werpen uit het
nest, zoodat ze door honger en kou zijn omgekomen.
Zoo’n koekoek groeit dus altijd op ten koste van het leven van vier of
soms meer andere vogeltjes. Als hij groot is, mag hij wel zijn best
doen, om veel rupsen te verslinden en zoo het gemis van die
insectenetertjes te vergoeden.
Nu, het moet gezegd worden, dat hij zijn best doet. Ik heb er tenminste
dikwijls met plezier naar zitten kijken, hoe de koekoeken in de
duindoorns kwamen en daar onvermoeid bezig waren met het opeten van de
rupsen van bastaardsatijnvlinders (31 en 32), de bonte lange rupsjes,
die bij honderden samen wonen in dichte spinsels in de doornstruiken.
Er komen mooie witte vlindertjes van met een goudkleurig bruine punt
aan ’t achterlijf maar ze zijn uiterst schadelijk voor de houtteelt,
want ze lusten niet alleen duindoornblad, maar loof van alle heesters
en boomen.
Intusschen hebben de kleine vogeltjes dikwijls van de koekoeken erg te
lijden. Ik heb het wel gezien, dat in een enkele duinvallei drie nesten
bezet waren met een koekoek en een van die nesten was nog al van dat
heel mooie en tamelijk zeldzaam duinvogeltje, de roodborst-tapuit (86),
een verwant van ’t paapje.
Dit mooie diertje kun je ook weer het best te zien krijgen door stil te
liggen en te wachten, want hij heeft evenals de klauwieren en paapjes
de gewoonte van heel graag boven op ’t uiterste topje van de heesters
te gaan zitten om daar te zingen, of uit te kijken. Als je dan een
klein diertje ziet verschijnen met rooden borst, pikzwarten kop en een
paar witte vlekken in de nekstreek, dan is dat een roodborsttapuit.
Maar voor we ons druk maken over die zeldzaamheden willen we nog eens
wat letten op gewone dingen. Als ik ’s zomers in de duinen ben, denk ik
altijd aan de mogelijkheid van hagedissen (60) te ontmoeten. Meestal
merk je ze pas, als ze verschrikt wegritselen tusschen gras en kruid en
als je heel vlug bent van handen en voeten, dan kun je zoo’n dier ook
nog wel pakken. En zeer zeker is ’t aardig, om het dan mee te nemen en
in een terrarium te verzorgen, desnoods in een groote zuurtjesflesch of
in een houten kistje met een glazen deksel. Doch zorg er trouw voor,
dat het diertje altijd naar verkiezing zomerwarmte en schaduw kan
genieten en behoorlijk voorzien wordt van voedsel en drinken.
Maar ik houd er nog meer van, om te zien wat die dieren in de vrije
natuur uitvoeren en daarom kijk ik onder ’t wandelen liefst een eindje
verder dan mijn neus lang is en zoo slaag ik er heel dikwijls in, om de
hagedissen te zien eer zij erg in mij hebben. Dan gaat het makkelijk
genoeg, om ze zoo nabij te komen, dat ik hun oogjes kan zien glinsteren
en hoe hun zijden op en neer gaan bij de ademhalingsbewegingen.
Soms doen ze niet anders dan maar uit den treuren stil zitten in ’t
zonnetje, net als wij doen. Of ze dan ook met genoegen uitzien en
luisteren naar alles, wat er in hun omgeving gebeurt, zou ik niet
durven beweren. In elk geval kunnen ze heel goed zien en hooren ook, al
is hun oor ook anders ingericht dan het onze, zoodat het trommelvlies
gelijk met de huid komt te liggen en duidelijk zichtbaar is.
Eens heb ik een hagedis heel aardig bezig gezien. Er lag een dood
konijntje tusschen de duinrozen, half vergaan, en een vijftigtal
aasvliegen, blauwe en groene, waren in ’t zonnetje bezig op het
kadaver. Ik lag boven den wind op de loer, want een dierkundige kan van
een dood konijn altijd een heele boel leeren.
Het duurde dan ook niet lang, of er kwam werk aan den winkel. Eens kwam
een hagedis aanschuiven, een mooie groene, een mannetje. Bliksemsnel
kronkelde hij een eindje verder en zat dan opeens doodstil. Dat
vooruitschuiven ging zoo snel in zijn werk, dat de vliegen het
eigenlijk niet eens merken, want voor ze er besef van kregen, dat daar
iets bewogen had, zat de hagedis weer onbeweeglijk stil. Zoo bereikt
hij goed en wel ’t konijn en had in minder dan geen tijd een dikke
bromvlieg te pakken. De vliegen, die daar vlak bij hadden gezeten,
sprongen wel eventjes op, maar keerden toch weer gauw terug naar ’t
doode konijntje.
Zoo snapte die hagedis drie vliegen achter elkander, maar toen gebeurde
er iets dat hem vrees aanjoeg en hij verdween tusschen de struiken. Er
gleed een schaduw over ’t duin, een klein roofvogeltje zeilde door de
lucht, een torenvalkje. Die lust even graag hagedissen als muizen, maar
de ergste vijand van de hagedis is nog een andere roofvogel, de grauwe
kiekendief (89). Die kun je dikwijls bezig zien, reepje voor reepje de
hei of het duin afzoekend naar hagedissen. Opeens schiet hij neer en
als hij dan de hagedis bij zijn staart te pakken krijgt, dan is ’t nog
niet erg, want dan breekt die eenvoudig af en ’t ontstaarte hagedisje
vindt nog een veilig heenkomen. ’t Wondje bloedt niet erg en ’t geneest
zoo, dat er op stuk van zaken nog weer een nieuwe staart ontstaat, die
maar een klein eindje korter is dan de oorspronkelijke.
Ik kreeg bij dat konijntje nog meer te zien. Een witte kwikstaart kwam
er haast op dezelfde manier jacht maken als de hagedis. Hij kwam heel
slim dichtbij. Sprong dan even op, zoodat de vliegen opvlogen en hapte
er dan gauw een of twee op.
Maar ’t meest hadden de vliegen te lijden van de graafwespen. Zoo’n
zwart met gele wesp kwam heel onschuldig aanvliegen, net of hij ook
zijn deel wou hebben van ’t konijn en ging dan midden tusschen de
vliegen in zitten. Een oogenblikje zat hij stil, maar dan schoot hij
ineens op een vlieg af en pakte die met bek en pooten beet. Samen
rolden ze van ’t konijn af in ’t zand en dan krulde de wesp zijn
achterlijf om, stak de vlieg met zijn gif-angel in ’t borststuk.
Dadelijk was de vlieg verlamd of dood, de wesp pakte zijn prooi
tusschen midden- en achterpooten en vloog er mee heen. Binnen een half
uur tijd zag ik zoo vier vliegen wegdragen. Die wespen gingen alle
denzelfden kant op en later heb ik hun nesten gevonden op de
zandhelling van een duintop, wel honderd bij elkander.
Iedere wesp graaft zijn eigen nest en deze soort van vliegendooder (7)
heeft de gewoonte het uitgegraven zand rondom de opening opeengehoopt
te laten, zoodat deze wespenkolonie er uitzag als een verzameling van
kleine vulkaantjes.
Het was er bijzonder druk. Onophoudelijk kwamen wespen aanvliegen met
prooi. Ze legden hun doode of lamme vlieg dan even neer bij den ingang
van ’t nest, kropen dan even naar binnen, zeker om te zien, of daar wel
alles in orde was en haalden dan de vlieg in ’t hol. Andere groeven
nieuwe holen, dat leek dan net, of daar miniatuur-molletjes aan ’t werk
waren.
Er slenterden ook tusschen de nesten vreemden klaploopers rond:
prachtige wespjes met blinkend rood achterlijf en groenachtig blauw
glinsterend borststuk en kop, robijn en smaragd. Dit zijn de
zoogenaamde goudwespen en als ze de kans schoon zien, dan glippen ze
gauw in het graafwespennest, om hun eieren te leggen op de
vliegenvoorraad die voor de jonge graafwespenlarven bestemd is. Ze
handelen hier dus ongeveer op dezelfde manier als de koekoeken bij de
paapjes.