Een juniavond in ’t duin. De zon gaat onder ver achter de heuvelen in
de bleeke blauwe avondlucht, zonder één enkel wolkje; de bijna volle
maan is nauwelijks zichtbaar boven de bosschen van het binnenduin.
Waar’t duinpad slingert door de diepe vallei, heerscht een gelijkmatig
licht, dat door den hoogen blanken hemel zelve schijnt te worden
uitgestraald. Zelfs indien er geen maan was, zou dat licht alleen den
heelen nacht door ons wandelpad voldoende beschijnen: de
middernachtsschemering van Juni is helderder dan menige winterdag.
Het vogelkoor van den midzomer is in vollen gang, drukker dan in ’t
laatst van Mei, toen alle vogels dik in de broedzorgen zaten. Nu is het
eerste broed de wijde wereld in, een tweede gaat beginnen en nu zingen
de winterkoninkjes, de boomkruipers en de heggemuschjes even frisch als
in April. De zanglijster weet van geen ophouden, roodborst en
roodstaart beginnen telkens op nieuw en boven alles uit davert de
nachtegaal. Ieder berkenboschje is een concertzaal.
Maar er zijn geluiden bij gekomen, die we in April niet hadden gehoord,
allerlei geruisch en geratel, gesjirp en gepiep, zoo veel en zoo druk,
dat de meeste menschen het alleen merken als een soort van achtergrond
bij de andere bekende geleerden. Dat noemen ze dan het zomergedruisch.
Overdag is dat anders dan ’s avonds, want de insecten zijn er voor een
groot deel bij betrokken.
Als de zon verdwenen is, gaan de bijen en hommels naar hun nesten.
Sinds den vroegen morgen hebben ze gearbeid; nu moet er een eind aan
komen. Ook zouden ze bij vele van hun bloemenvriendjes te vergeefs
aankloppen, want ook deze zijn gaan slapen. De klavers hebben hun
kopjes gebogen en hun drietallig blad tot een slaapmutsje saamgevouwen.
De driedistel (103) buigt de stralende blaadjes van zijn korfjes
omhoog, tot dat ze samenneigen en een spitse tent vormen over de
honigrijke bloempjes. De andere distels volgen hun voorbeeld en alles
wat composiet is, sluit zijn korfje.
De eereprijsjes hebben al lang hun blauwe oogjes gesloten en de peen
(92), die met zijn breede witte schermen den heelen dag de bonte
vliegen tot zich lokte, bergt zijn bloemenschat in een dicht grof
omwindsel en buigt dan ook het hoofd ter aarde.
De rozen sluiten nog even het bloempje, dat hedenmiddag open ging, maar
de bloem van gister heeft zijn kroonblaadjes verloren en ’t zand is
bedekt met witte blaadjes van de duinroos en roode van de egelantier.
De roode dagkoekoeksbloem bekommert zich niet om de wisseling van dag
en nacht, wat ook zijn naam zou doen vermoeden. Hij opent zijn roode
molentjes zoowel in ’t blaken van de voormiddagzon als in ’t bleeke
maanlicht en alle vlinders zijn hem welkom. Mocht er verschil bestaan,
dan valt dit, geloof ik, nog uit ten voordeele van de dieren van den
nacht.
Het uur van zonsondergang is voor zeer veel planten en dieren een tijd
van drukke bezigheid. Er openen zich zooveel nieuwe bloemen, dat de
hellingen, die eerst vrij kleurloos zagen, dra vervuld lijken van mooie
witte, gele en paarse bloemen.
De avondkoekoeksbloem (65) heeft den heelen dag zijn witte kelken half
saamgevouwen gehad of heeft uit een dikke kelk de saamgerolde kroon een
eindweegs voortgeduwd; nu spreiden de kroonblaadjes zich in weinig
minuten wijd uit en maken groote plekken langs den wegrand.
Nu komen ook de vlinders om honig te halen en sommige leggen heel
handigjes hun eitjes in de bloem. De rupsen, die daaruit komen, vreten
de zaadknoppen en het vruchtbeginsel op. Maak maar eens een
vruchtbeginsel open, dan zult ge zien, wat een mooie dikke, witte
zaadknoppen daarin zitten, echte lekkerbeetjes voor vraatzuchtige
rupsen.
De aanwezigheid van die rupsen schijnt de bloem niet te hinderen, zij
bloeit behoorlijk een dag of vier, daarna vallen de kroonblaadjes af en
’t vruchtbeginsel groeit voort. Als ’t rijp is vindt ge daar dan rijpe
zaden in en ook rijpe rupsen, die zich weldra gaan verpoppen, maar
eerst nog nieuwsgierig den kop naar buiten steken, als ge de rijpe
zaaddoos aangrijpt.
Tot dezelfde familie als dag- en avondkoekoeksbloem behoort het
zeepkruid, dat zijn kruideniersachtigen naam te danken heeft aan de
omstandigheid, dat je met de fijngewreven wortelstokken water aan ’t
schuimen kan maken. Daar zit een vergif in dat heet Saponine.
Waarschijnlijk is deze plant niet oorspronkelijk inheemsch, maar sinds
overoude tijden als sierplant gekweekt en later verwilderd. Je vindt ze
ook wel eens met dubbele bloemen, maar die met enkele zijn ’t mooist en
ik ben maar blij, dat ze zoo bij duizenden in onze duinen groeien.
Het zeepkruid heeft juist een half uur noodig, om zijn bloemknop te
ontplooien en ’t is heerlijk, om midden in een zeepkruidgroep te
zitten, om te zien hoe in de schemering de bleekrose blaadjes zich
ontrollen, hoe meeldraden zich omkrullen en zich weer oprichten en hoe
in oudere bloemen eindelijk de stijlen te voorschijn komen.
Dat begint al, wanneer de late hommels nog honig stelen door de
gaatjes, die ze in de kelk hebben gebeten. Als de hommels naar huis
zijn, dan komen de gamma-uilen of pistooltjes op de versch ontloken
bloemen.
Hun tong is wat te kort, om al de honig te kunnen opslurpen. Ze tobben
zich af, om hun dikken kop nog wat dieper in de kroonbuis te boren en
doen dat met zooveel kracht en onstuimigheid, dat de teere kelk scheurt
en de kroonbladen uiteen wijken. Zijn ze eenmaal zoover, dan halen ze
de honig altijd door die scheur, dat is zooveel gemakkelijker.
Zoodoende zou ’t zeepkruid maar weinig kans op bestuiving hebben, want
noch hommel, noch gamma-uil komen dan meer in aanraking met het
stuifmeel.
Gelukkig zijn er nog andere vlinders. Daar zweeft er een in razende
vaart over het bloemenveld. Nergens zet hij zich neer, nauwelijks houdt
hij zich eenige seconden in de lucht staande boven iedere bloem, maar
dat is hem voldoende, om met den langen tong de allerdiepste honig te
bereiken en tegelijk het bestuivingswerk te verrichten. Een diklijvig,
langvleugelig beest, grijs met oranje en zwart met wit: de
meekrapvlinder (55), familie van het avondrood en van de avondpauwoog.
Zijn rups, groen met wit gestreept, leeft op ’t walstroo, dat van
dezelfde familie is als de meekrapplant.
Van ’t zeepkruid vliegt de meekrapvlinder naar de avondkoekoeksbloem en
vandaar naar de knikkende silene, die heerlijk op de heuvelen geurt.
Die knikkende silene (61 en 63) groeit vaak in groote troepen bijeen.
Iedere plant maakt een half dozijn of meer rijk vertakte stengels.
Overdag lijken die meestal niets anders te dragen dan half verwelkte
bloemen of onontloken knoppen, maar tegen den avond wordt dat anders.
De rijpe knoppen openen zich in korten tijd, je kunt de kroonslippen
zich zien ontkrullen. Het mooiste komt dan nog, de vijf eerste
meeldraden schuiven uit, totdat ze hun helmknoppen meer dan een
centimeter buiten de bloem hebben gebracht, juist op de plek waar de
meekrapvlinder zijn kop zal houden.
De bloemen van gisteren, die den heelen dag ineengeschrompeld hebben
gehangen, krijgen nieuwe frischheid, spreiden hun kroonblaadjes even
mooi uit als die van de pas geopende knoppen. Zij laten hun tweede
vijftal meeldraden naar buiten treden, terwijl de bloemen van
eergisteren de stempels uitsteken. Dat gebeurt allemaal tegelijk,
zoodat ’t zeer gemakkelijk valt, om de heele bloemgeschiedenis in
weinig oogenblikken te overzien.
Behalve meekrapvlinders wemelt het van pistooltjes en allerlei andere
uilen, zoodat men op de bloemenhelling bij gunstige avonden heel
duidelijk een dof gebrom van trillende vlindervleugeltjes hooren kan.
’t Is wel de moeite waard, er eens op te letten, want daar kunnen heel
mooie dieren bij zijn: de spookachtige hopvlinder (44), het
juweel-prachtstukje, dat braamvlinder (36) heet, de aardig geteekende
viervlak (25) en de kameeltjesvlinder (29), die door zijn vlekken
herinnert aan de wapendragers. Soms zie je er geen een, maar op
gunstige avonden massa’s.
Daar komen nu de vleermuizen (8) op af, groote en kleine, sommige wel
driemaal zoo groot als de andere. De heele kleintjes zijn wel ’t
aardigst, ze hebben lange ooren en als ze die opzetten, om de beweging
van de lucht te voelen, dan lijken dat net bokkehoorntjes. Ze fladderen
en zwenken door de lucht, nu en dan met fijn en hoog gepiep, zoo hoog,
dat ouden van dagen het niet kunnen hooren. Ieder keer, dat ze met een
ruk van richting veranderen, grijpen zij een prooi en morgen vinden we
overal verstrooid de vleugeltjes van uiltjes en satijnvlinders,
kameeltjes, banduilen en rood weeskind.
Wie goed scherp kan kijken, moet eens probeeren te ontdekken, hoe zoo’n
vleermuis zijn prooi grijpt: met zijn bek of met zijn handen. ’t Is
niet zoo heel makkelijk te zien, want het gaat vliegensvlug en in het
donker en meestal kun je de prooi zelf maar amper onderscheiden.
Er is dan ook geen kwestie van, dat de vleermuis zijn prooi ziet,
daarvoor zou hij heel andere oogen moeten hebben. Hij jaagt dan ook op
’t gevoel, niet op ’t gehoor, maar letterlijk op den tast.
Ik heb een vriend, die kan met zijn lippen juist het geruisch van
groote, vliegende insecten nabootsen en daar komen de vleermuizen bij
troepen op af. Je moet dan snel met de lippen trillen en volstrekt geen
keelgeluid maken. Ondanks veel oefening heb ik het nog niet kunnen
leeren, ’t is anders wel aardig, als je ’t kunt, vooral om lui die een
afschuw van vleermuizen hebben eens te trakteeren op een dozijntje van
die fladderaars vlak rond haar hoofd.
Er is natuurlijk geen enkele aanleiding, om vleermuizen te
verafschuwen. ’t Zijn heel mooie, prachtige, merkwaardige dieren, die
ons onschatbare diensten bewijzen door het verdelgen van Meikevers,
Julikevers en allerlei schadelijke nachtvlinders.
Als je op gunstige zomeravonden al die nachtvlinders ziet rondzweven,
dan verwonder je je erover, waar die dieren toch overdag zitten.
Vergeet intusschen niet, dat ze heelemaal erop ingericht zijn, om niet
gezien te worden. Wat ze aan mooie kleuren hebben, bevindt zich in den
regel op de achtervleugels en die worden in den rusttijd door de grijze
voorvleugels geheel bedekt.
Ik heb wel eens het geluk gehad, in een laantje een dozijn van die
roode weeskinderen (45 en 46) op boomstammen te vinden, maar ik
verzeker u, dat ik ze nooit gevonden zou hebben, als ik niet geweten
had, dat ze bestonden en als ik niet gewaarschuwd was geworden, dat ik
ze daar kon verwachten.
Ook aan ’t eikenhout ruischt het van insecten. Daar gonzen de laatste
Meikevers en de eerste Julikevers en daar vliegen ook de vleermuizen
het dikst.
Het zou voor die kevers wel beter zijn, als ze het vliegen maar lieten
en rustig bleven knabbelen aan ’t eikenloof. Maar daar hebben ze nu
maar eenmaal geen zin in en telkens zien we een of meer van die logge
brommers als een speelgoedmachinetje de lucht ingaan.
Soms bonzen ze tegen elkander en dan rollen ze allebei op den grond,
waar het ook al niet veilig is. Daar zijn met de schemering de padden
verschenen, die den heelen dag gescholen hebben in hun holen in ’t
zand. Je kunt die vinden door op open plekken uit te zien naar de
paddensporen. Zoo’n pad (10) zijn pooten staan niet ver van elkaar en
groote stappen maakt hij ook niet, zoodat zijn voetspoor een
samenhangende, tamelijk gelijkmatige reeks van klauwindrukseltjes is:
telkens tweemaal vier voorklauwtjes en tweemaal vijf achterklauwtjes.
Meestal leidt het spoor naar een steil duinrandje en daar vind je soms
drie of vier holen naast elkaar een paar decimeter diep en in elk
daarvan zit een grauwe pad met een gele streep over zijn rug. Hij kijkt
je aan met mooie, groote, goudglanzende oogen.
’s Avonds komt hij te voorschijn en dan is hij monter genoeg.
En de egels, die overdag ineengerold liggen in mos of bladeren, komen
nu ook te voorschijn, eerst heel voorzichtig kleine eindjes loopend en
dan weer roerloos zittend, maar langzamerhand als ’t veilig is, met
heel veel driestheid.
Een eikeboschje wemelde van Julikevers, ze zaten aan trosjes tusschen
de bladeren, zelfs op de onderste dicht bij den grond. Daar had een
dikke egel zich geposteerd en iedere keer als de kans schoon was, rende
hij uit zijn schuilplaats te voorschijn om een dikken schallebijter op
te peuzelen.
’t Aardigst was nog wel, dat er éenmaal een heel dikke vlak voor zijn
neus werd weggesnapt door een klein zwart monstertje dat als een soort
van dikke spin bliksemsnel over den grond voortschoof. Dat was een
spitsmuisje (12), ook al zoo’n schemeringsvriend en een van de meest
geduchte insectenverdelgers.
Hij hoort heelemaal niet tot de familie van de muizen en ratten, maar
juist tot die van de stekelige dikzak, die hij bestal. ’t Is eigenlijk
een klein bovenaardsch molletje.
Hoogerop langs de takken scheerden de nachtzwaluwen heen en weer en je
hoorde de dikke torren kraken, als die vogels ze grepen met hun
geweldigen bek. Soms ook pakten ze mis, maar dan viel van den schok de
tor toch hulpeloos op den grond en dan dook de vogel hem na.
Een hard leven voor die duinkevers, maar daarvoor hebben ze ook vier
jaar lang als dikke witte engerlingen zitten te knagen aan de wortels
van de duingrassen en de dennetjes.
Als de nachtzwaluwen (49) genoeg hebben van ’t jagen, gaan ze zitten
ratelen op den grond of op een hoogen takstomp. Misschien ook hebben ze
nog hun tweetal eieren (51) te bebroeden of wachten de jongen (53) op
voer. Die lijken zooveel op den rommeligen boschbodem, dat wij ze
overdag niet dan met de grootste moeite vinden, ook al kennen wij
precies het plekje, waar ze moeten zitten. Maar de oude vogels vinden
hun kleintjes zelfs in den donkeren nacht.
Als wij nu wat verder het duin in wandelen, hooren wij naast al het
gerol en geratel van de nachtzwaluwen nog een ander geluid, dat er wel
op lijkt, maar dan veel fijner en zwakker is, iets dat vergeleken zou
kunnen worden met het rollen van een heel goede Saksische kanarie, maar
dan zonder toon of met het ruischen van een electrisch klepeltje, dat
zijn klok niet kan halen. Bepaald toonloos is het geluid niet, maar het
is zeer hoog, zoo hoog, dat het haast reikt tot aan de grenzen van het
nog hoorbare.
Dit nu is het liedje van den sprinkhaan-rietzanger, een vogel, die
verwant is aan de karekieten uit het moeras, maar die thuis behoort in
tamelijk dorre duinvalleien en droge heiden, een alleraardigst
vogeltje, dat ook naar karekietengebruik een nest bouwt dat min of meer
hangt tusschen de hooge grasstengels.
Maar de aardigste nachtvogel in het duin is de griel (50), de groote
gevlekte griel met de uitpuilende nachtoogen en dicht bevederde
oogleden. De meeste menschen houden hem voor een zeldzame vogel, maar
dat komt doordat de meeste menschen zelf zeldzame duinwandelaars zijn.
Als je eens een enkele keer gaat schommelen bij Kraantje Lek of bij De
Rustende Jager, of eens opklautert naar het koepeltje van Noordwijk,
dan krijg je geen grielen te zien. Maar wie eens een heelen dag doolt
door het Schoorlsche duin of achter het Zilk, vindt soms op eens de
twee groot gemarmerde eieren (52) of trapt misschien haast op de
jongkies (54), die precies lijken op brokjes zand met kleine
schaduwplekjes erin.
Als je zoo’n paar jongen vindt, dan moet je je verschuilen vlak in de
buurt, desnoods onder een hoop takken en dan kun je genieten, als de
groote, oude vogel terug komt en bij zijn kindertjes gaat zitten, om ze
met half uitgespreide vleugels te beschermen tegen het al te heete
branden van de zon.
Wil je zien, hoe ze gevoed worden, dan moet je liefst ’s morgens vroeg
of ’s avonds laat gaan kijken, want dan zijn die schemeringdieren het
meest monter. ’t Is aardig, hoe die woestijnvogels zich hier te huis
gevoelen in onze duinen. En nu men langzamerhand de duinwoestijn in
welig bosch gaat veranderen, blijven de grielen daar toch nog huizen en
doen goed werk door de jonge dennetjes te behoeden tegen de
sprinkhanen, de veenmollen en de duinkevers.