BERKENDAL.

De berkenboschjes in de duinen zijn als de oasen in de woestijn. Hoe

heerlijk is het na een kwartier lang geloopen te hebben door het

striemende helmgras of over het broos-knarsende rendiermos en

hoorntjesmos weer af te dalen naar de groene vallei met bloemen en

vogels.

Een groen boschje staat tegen den hoogen duinrichel; als je op den top

van ’t duin staat kijk je recht over het heele bosch heen. In ’t midden

bestaat het alleen uit berken, maar langs den rand staan al de

bloemheesters van Holland: meidoorns, lijsterbessen, egelantiers,

berberissen, ligusters (102), wilde sneeuwballen, zoodat tot diep in

den zomer bloeiende twijgen wuiven om het frissche berkengroen.

En onder en om die heesters weer fijn gebloemte van allerlei soort.

Ik heb het eens een heelen tijd lang volgehouden, iederen dag hetzelfde

berkenboschje te bezoeken en er een uurtje of langer te vertoeven. Je

kent dan ten slotte iederen boom, iedere struik en je meent dat je er

ook elken vogel weet te zitten. Toch komen er in den winter bij ’t

vallen van de bladeren en ’t afsterven van de kruiden nog altijd nesten

voor den dag, waar je geen erg in had gehad. Dat is om je nederigheid

te leeren.

Mijn boschje was al tamelijk oud, er stonden berken in, die aan hun

voet al diepe overlangsche spleten in de schors kregen. Naar boven toe

waren hun stammen mooi glad en bedekt met zilverwitte of heel lichtrose

blinkende schors, vol fijne dwarsstreepjes.

Je kunt die schors bij reepjes en lappen eraf scheuren. Soms kun je

stukken krijgen, groot genoeg, om te beschrijven of erop te teekenen.

Dan kun je je meteen verbeelden een Roodhuid te zijn, want die moeten

ook heele epistels schrijven op de schorsvellen van hun berk. Die heet

daarom dan ook Papierberk, ’t is dezelfde waarvan ze ook canoes en

schoenen maakten.

Onze berken worden voor zulke zaken nooit groot genoeg, vooral onze

duinberkjes niet. ’t Is treurig zooveel omgewaaide en doode stammetjes

er in mijn boschje liggen. ’t Kan zijn, dat de waterleidingen daaraan

schuld hebben, maar de onmiddellijke oorzaak van hun afsterven is een

soort van zwam die in de stammen woekert en ’t hout vermolmt.

De bijna onzichtbaar fijne draden van die berkezwam (108) groeien door

den heelen stam heen. Van tijd tot tijd wordt de witte boomschors op

een plekje opgelicht en doorgescheurd. Daar puilt dan een klein wit

knikkertje uit, dat heel snel opgroeit en eindelijk een groote witte

plakkaat wordt, die aan zijn onderzijde uit duizenden gaatjes fijne

sporen strooit.

Wanneer die belanden op een geschonden plekje van een berk, dan groeien

ze daar weer uit tot nieuwe moordzwammen.

Soms zitten aan één stam op verschillende hoogte een half dozijn van

die paddestoelen, dat ziet er heel schilderachtig uit en heel

merkwaardig is het, dat zij precies dezelfde kleur hebben als de mooie,

gave, blanke berkenschors zelf.

Het omgevallen berkje vermolmt spoedig geheel en al. Alleen de mooie

witte schors blijft nog jaren lang goed, zelfs als ’t groene mos erover

heen is gegroeid. Zoo vindt je in ’t berkenbosch op den grond dan vele

brokjes stam en tak, die van buiten mooi blank, van binnen geel en

bruin, vermolmd en verpoederd zijn.

Als je nu in Juni of Juli eens zoo’n hoop berkenrommel doorzoekt en de

stukjes van een halven decimeter lang ter hand neemt, dan kun je in één

van de duizend gevallen het geluk hebben, dat zoo’n stukje tusschen je

vingers ineens begint te leven. Het begint te rillen, te beven en te

snorren. Tien tegen één, dat je ’t loslaat en nu zie je voor je

verbaasde blikken een aardig vlindertje wegvliegen.

We willen ’t niet vangen, maar ’t wel naloopen, om te zien, waar het

gaat zitten. Nu hurken wij stilletjes erbij neer en geven onze oogen de

kost.

De ondervleugels zijn in den ruststand verborgen, de bovenvleugels

lijken sprekend op berkenschors: dezelfde tint, dezelfde glans,

dezelfde dwarsstreepjes. Aan ’t eind van de vleugels zitten een paar

bruine vlekken en die lijken weer precies op ’t binnenste laagje van de

schors met bruingeel hout er binnenin en ook aan den kop zijn de

kleuren zoo, dat je geheel den indruk krijgt van een afgebroken en

afgebrokkeld stokje (30)!

Eigenlijk is elk levend wezen een wonder, daarom moesten we dezen

vlinder dan een wonder boven wonder noemen en als je wat meer gaat

rondkijken, zul je bespeuren dat de wereld ook al weer vol is van nog

andere wonderen-boven-wonder.

Vlinders en rupsen zijn heel, heel sterk in ’t vertoonen van gelijkenis

met andere dingen. Soms lijkt ’t wel, alsof verstoppertje spelen hun

voornaamste amusement is. Nu, een spelletje mag het eigenlijk niet

heeten, ’t is voor die dieren bittere ernst.

Vogels, hagedissen, kikkers, vleermuizen, spitsmuizen doen dag en nacht

hun best, om insecten te vangen en te vreten. Sommige insecten kunnen

zich min of meer verdedigen met scherpe kaken of giftige angels, maar

de vlinders hebben niets van dien aard en moeten dus hun heil zoeken in

de verborgenis. Onze wapendrager (28) (zoo heet die wondervlinder) doet

dus maar ’t best, zich uit te geven voor een ongenietbaar dor stukje

berkenhout en daar die dingen meestal op den grond liggen, is ’t maar

goed voor hem, dat hij ook graag in ’t donker op den grond zit.

’s Avonds vliegt hij rond, dan komt hij ook wel eens op mijn lamp af,

als ik met open ramen zit te werken. Maar de eigenlijke boodschap, die

’t dier te verrichten heeft is ’t leggen van eieren, en die moeten

vastgeplakt worden aan takken van berken of van populieren, wilgen en

andere boomen.

De rupsen, die uit die eitjes komen, kennen geen vrees en doen niet de

minste moeite, om zich te verbergen. Bij heele klonten zitten ze op de

takken: lange, ruige beesten, zwart en groen met vele gele streepjes,

die maken dat elke rups weer uit honderd kleine rupsen schijnt te

bestaan. Een griezelig zoodje, en ze moeten niet lekker wezen ook. Ik

geloof tenminste niet, dat er één vogel is, die ze met genoegen eten

zou.

De berk heeft onder de vlinders nog veel meer vrienden. In Mei en Juni,

ook nog wel in Juli vind ik op den dag tegen de berkestammen een

vlinder zitten, die zich zoo plat houdt en zoo wit met grijs gespikkeld

is, dat je hem alleen ziet, wanneer je weet, dat zoo’n dier bestaat. Je

kijkt dan elk stukje van den berkestam aan, jezelf afvragend: is dit

schors of is dit vlinder, en zoo snap je hem dan eindelijk. Zoo leer je

ook meteen oplettendheid en geduld.

Die vlinder heet dan Peper-en-zout-vlinder of Berkespanner (19) en daar

is ook alweer een heel aardig verhaal aan vast. Je weet, dat we sedert

de ontdekking van de steenkolen last hebben van de roetplaag. Dat duurt

nu al een kleine zeshonderd jaar en er moet maar gauw een eind aan

komen. Hoe, dat moet jullie maar eens uitvinden.

In fabrieksplaatsen en groote steden raken daardoor de stammen en

twijgen bedekt met een vieze zwarte laag en de berken zien er lang zoo

rein niet uit als buiten. Ik zie een duidelijk verschil tusschen de

blankheid van de berken in ’t Vondelpark en op de Geldersche hei.

Intusschen is het in ons land nog zoo erg niet, maar in de Engelsche

fabrieksdistricten moet het ontzettend zijn, en nu is het wel heel

merkwaardig, dat daar in de laatste zestig jaar steeds meer

berkespanners zijn waargenomen, die geheel zwarte voorvleugels hebben,

juist passend bij die roetwereld. In ons land komen ze ook al voor. Ze

hebben precies denzelfden vorm als hun lichtgekleurde broederen en hun

rupsen leven op dezelfde manier. Die rupsen zijn zoogenaamde spanners.

Ze hebben minder pooten dan de gewone rupsen, maar ze loopen veel

harder, doordat ze telkens hun achterdeel vlak bij den kop brengen, dat

vastzetten met hun vier achterpooten, dan ’t lijf strekken om met de

zes voorpooten zich een heel eind verder weer vast te grijpen. Ze maken

zoodoende telkens een beweging die lijkt op ’t spannen dat je met je

hand doet, om iets af te meten. Deden wij dat vroeger niet bij ’t

knikkeren?

Er zijn honderden soorten van die spanrupsen, die van den berkenspanner

is nog al een dikke, bruin en rond en met een knobbel even voorbij

halfweg zijn lichaam. De Hollanders van honderd jaar geleden noemden

deze rups metertorenkop. Hij vreet evenals de wapendragerrups bladeren

van allerlei boomen.

Over spanrupsen gesproken, je moet ook eens in de berken en elzen

zoeken naar een tamelijk dikke groene rups, met roodbruin aan den kop

en achterpooten en aan sommige wratjes op zijn lichaam. Je vindt hem

tot in Juni en door zijn groene kleur en die wratjes lijkt hij net op

een jong twijgje. Hij zit dan ook altijd aan de toppen van de takken,

midden in de groene blaadjes.

De metertorenkop lijkt, als hij stil zit op een dun, dor takje en zoekt

om te rusten, dan ook in den regel dikkere takken op, waar zoo’n dor

twijgje te verwachten is.

Maar om tot onzen groenen vriend terug te keeren, als je die vindt,

kweek hem dan eens op in een glas, dan zal hij spoedig veranderen in

een pop en daaruit komt dan nog in denzelfden zomer een vlinder te

voorschijn, die maar heel eenvoudig gekleurd is en toch een van de

allermooiste vlinders van ons land mag heeten.

Toen ik dat beest voor ’t eerst zag, was ik een en al verrukking, ik

had nooit gedacht, dat er zulke fijne dieren in ons land leefden, en

meende met een buitengewoon zeldzaam dier te doen te hebben. Bij

onderzoek bleek mij echter, dat deze smaragdvlinder (26) in ons land

heel gewoon is. Maar ’t is een nachtdier. Overdag zit hij verborgen in

’t groen en is dan met geen mogelijkheid te zien. Alleen wanneer je

door struikgewas heen worstelt, wordt hij in zijn rust gestoord en

vliegt hij in onzekere vlucht voor je uit: een groene schim in het

halfduister van ’t bosch. In den zomernacht vliegt hij rond, ik zie ze

dan wel fladderen rondom het electrisch licht van onze straatlantaarns

en die eene eerste is een van de vele, die bij mij komen binnenvliegen,

als ik ’s avonds laat met de ramen open zit te werken.

Werkelijk heel zeldzaam is de allerprachtigste van alle berkevlinders

n.l. de Gevlamde Vlinder of Berken-prachtvlinder (33 en 34). Doe mij

eens het plezier, naar dat beest uit te zien. ’t Is weer een

nachtvlinder, dus je hebt niet veel kans hem overdag te zien

rondvliegen en als hij stil zit tegen de berkestammen, is hij niet

gemakkelijk te zien. Zijn dikke, groene rups (35) heeft schuine,

lichte, zijstreepen en lijkt daardoor wel wat op de bekende rups van de

ligusterpijlstaart. Ja, je moet al die rupsen van de berk eens gaan

kweeken. Ik heb ’t ook gedaan en je krijgt dan uit de poppen de

vlinders heel mooi en ongeschonden.

Ik vond ook eens een berketak vol met kleine rupsjes, die zaten te

vreten, dat het een lust was. Die hebben er liefhebberij in, dacht ik

en ik nam ze mee, om ze groot te brengen.

En wat die beesten vraten! Tweemaal op een dag kon ik ze versche takken

geven en dan schreeuwden ze als ’t ware nog van de honger. Natuurlijk

konden ze niet schreeuwen; maar ze hadden een manier, om met hun hoofd

heen en weer te wiebelen, waar je zelf honger van kreeg. Eindelijk

waren ze volwassen en nu verpopten ze zich tot heel rare poppen, die

eigenlijk heelemaal niet op vlinderpoppen leken. Toen die uitkwamen,

verschenen dan ook heelemaal geen vlinders, maar verbazend groote

platte bruine wespen (47) met enorme pooten en aardige knopsprieten.

Later ben ik aan de weet gekomen, dat ik heelemaal niet met rupsen te

doen gehad had. Die larven van bladwespen lijken wel op rupsen, maar je

kunt ze dadelijk onderscheiden aan het groote aantal van hun pooten.

Een spanrups heeft goed geteld vijf paar pooten, de andere rupsen acht

paar, maar die bladwespen verheugen zich in het bezit van tien of meer

paren voortbewegings- en grijpwerktuigen.

Er zijn nog een heele massa andere insecten, die op de berken

voorkomen, daarvan ontmoeten we er later nog wel eens enkele. We moeten

nu eens het bosch in, om te zien wat daar nog meer leeft en groeit.

Halfweg de duinhelling staat een groepje eglantiers bij hooge

duindoorns. Daar kan ik met mijn verrekijker ongezien zitten. Ik kijk

dan niet alleen in het boschje maar overzie ook een flink stuk van den

omtrek en zoo kan ik dan allerlei aardige bijzonderheden uit het leven

van die vogels begluren.

De nachtegaal (41) komt er in de derde of vierde week van April en zit

dan enkele dagen in zijn eentje te zingen, in den nacht soms uren

achtereen, overdag met korter poozen, want dan moet hij van tijd tot

tijd zich versterken met een wurmpje of zoo iets. Hij springt dan rond

over rommel en bladeren, tuurt in hoeken en gaten en haalt zich spoedig

zijn kostje bijeen. De oude boschgrond zit natuurlijk vol met allerlei

klein gedierte.

Na eenige dagen krijgt hij het wat drukker, want dan is er in den nacht

een wijfje komen aanvliegen, dat hij niet alleen behagen moet door zijn

zang, maar voeren ook.

Zij kan natuurlijk heel goed zelf haar voedsel zoeken en doet dat ook

wel, maar ze houdt er verbazend veel van, om achter haar mannetje aan

te rennen en met een zeurderig stemmetje te dwingen om lekkers. En hij,

goede lummel, werkt als een neger, om lekkere beetjes voor haar te

vinden en stopt die met vlijt in haar open bek.

En over eenige weken zie je ze allebei hard werken, om hun hongerige

jongen groot te brengen. Met ’t zingen is het dan maar dunnetjes, dat

doet de man dan alleen maar, als hij heel rustig of heel zenuwachtig

is.

De zanglijster (42) had hier een goed leventje. Ik weet niet, hoe ’t

komt, dat de dorre duinen zooveel huisjesslakken herbergen, maar ’t is

een feit. Niet alleen in de vruchtbare valleien kruipen ze rond, maar

je vindt ze ook op de zandige hellingen, waar je ze niet verwachten zou

vanwege het gekriebel aan hunne voeten.

De zanglijster verdiept zich niet in het hoe en waarom der dingen, maar

doet er zijn voordeel mee. Hij vangt zooveel van die slakken, als hij

kan en slaat ze stuk tegen een boomstronk of tegen een verdwaalden

baksteen.

Hij hamert altijd op hetzelfde aanbeeld en zoo vindt je dan soms

honderden verbrijzelde en leeggepeuterde slakkenhuisjes bij elkander,

stille getuigen van den goeden eetlust van den vroolijken zanger.

De echte vogel van het berkenbosch blijft toch altijd het fitisje (3).

Dat zingt en fladdert maar den heelen langen dag in de lichte

berketwijgen.

Als je dat zoo ziet, zou je niet denken, dat hij zijn nest (6) op den

grond heeft, ja zelfs half erin. Het is heel moeilijk te vinden, want

hij vlecht er een keurig koepeltje overheen, dat nauwelijks boven den

grond uitkomt en zelf weer omringd en bedekt is met gras en kruiden.

Je moet voet voor voet den grond afzoeken en als de broedende vogel er

niet afvloog, zou je zelfs dan ’t nog niet vinden. Het best gaat ’t

nog, als je op de vogels let, terwijl ze aan het bouwen zijn. Leg dan

ergens in de buurt een hoopje kleine witte donsveertjes neer. Er is

niets, dat de fitis zoozeer begeert, als kleine witte veertjes. Al heel

gauw komt hij ze halen en dan wijst hij met ’t witte vlaggetje zelf den

weg naar zijn verborgen hoekje. Ga er niet dadelijk heen. Onthoud de

plek en kom over een dag of acht eens kijken, dan liggen in het nest de

ongeloofelijk teere wit-met-rood gespikkelde eitjes.

Ik zou u deze list niet geleerd hebben, als ik er niet zeker van was,

dat geen mijner albumvrienden nog nesten uithaalt en eitjes vernielt.

Je begrijpt toch zelf wel, dat je met veel meer plezier denkt aan een

nest, dat je met rust hebt gelaten, dan aan wat verwaarloosde stoffige

rommel in een kast of in een hoek op zolder.

Wie buiten woont, kan dan ook nog het zeer groote genoegen hebben van

iederen dag te gaan kijken, hoe de eieren of jongen het maken. De oude

vogels raken gauw aan je gewend en gaan dikwijls niet eens meer van ’t

nest af.

Dag aan dag zie je de jongen grooter worden en eindelijk komt ’t

gewichtig oogenblik dat ze ’t nest verlaten. Nu komen er voor de oude

fitisjes nog een paar moeilijke dagen, want die jongen zijn nog wat

onbeholpen en moeten nu gevoerd worden en tegelijk beschermd tegen de

gaaien en kraaien, die den heelen dag rondwaren door ’t geboomte, om

jonge vogeltjes te vangen.

Gelukkig, dat de oude vogels altijd dadelijk alarm schreeuwen. Zoo

waarschuwt de eene de andere. Zoolang het gevaar dreigt, zitten de

jongen onbeweeglijk op hun tak, wanneer ze tenminste niet dadelijk in

’t dichte struweel zijn neergeploft. De ouden vliegen roepend en

tierend om den roover heen en eerst als deze is verdwenen, keert de

rust weer in het bosch.

Een enkele maal maakt de klauwier (87 en 88) een klein vogeltje buit.

Hij spietst het dan op een doorn en kluift het bij beetjes af. Doch in

verreweg de meeste gevallen vergenoegt hij zich met groote insecten.

Op een hoogen tak zit hij rond te kijken, die prachtige vogel. Ik weet

niet, welke van de twee het mooist is: het wijfje met de mooie fijne

teekeningen in stemmig bruin, of ’t kleurige mannetje met zijn blauwen

kop, zwarte mondstreep, rozeroode borst en bruinen rug.

De jongen lijken ’t meest op ’t wijfje en de familie blijft nog al lang

bijeen. Ik houd ervan, ze in bosch en hagen „en famille” te ontmoeten.

Het mannetje blijft wel eens even achter, om gauw een klein liedje af

te prevelen. Hij is nog al aardig en bootst graag het zingen van andere

vogels na, wat hem heel goed gelukt. Maar zijn moorddadig uiterlijk,

veroorzaakt door den omgebogen roofvogelachtigen snavel, heeft hem een

slechte reputatie bezorgd.

Er wordt wel verteld, dat hij niet tevreden is wanneer hij niet op één

dag negen groote insecten op de dorens heeft geprikt. Maar dat is een

sprookje; ik heb nooit meer dan vier insecten door hem opgeprikt

gevonden en dat was dan nog wel misschien het werk van meer dan één

dag.

Kijk ook eens, uit of ge zijn neef de roodkoppige klauwier (38) te zien

kunt krijgen. Die leeft geheel op dezelfde manier en is wat kleiner.

Aan zijn roodbruinen kop is het mannetje heel gemakkelijk te kennen,

maar ze zijn heel zeldzaam.

We hebben nu zooveel gekeken naar de vlinders en de vogels, dat we de

bloemen haast zouden vergeten. En toch als zoo’n berkeboschje niet al

te dicht in de buurt van een waterleiding is gelegen, kan de bodem er

bedekt zijn met de aardigste bloempjes.

Het eerst in ’t jaar komen er de ruige viooltjes (101), een heel

bijzondere soort met langwerpige zacht behaarde bladeren en mooie

donkerblauwe, doch geurlooze bloempjes.

Die zijn al zoowat uitgebloeid, als het lichtere hondsviooltje begint.

Ze hebben dan al groote bleekgroene vruchtdoozen en als ge onderaan de

stengels zoekt dan vind je daar heel kleine groene spitse knopjes op

lange stelen.

Deze knopjes gaan nooit open en toch zijn het bloemen met een stamper

en een paar meeldraden. Het wonderlijkste is nog wel, dat ze evengoed

en soms zelfs nog beter vruchten geven, dan de mooie blauwe bloempjes.

Als je knap bent in ’t onthouden van vreemde namen, dan mag je weten,

dat deze zeer eenvoudige bloempjes, die zich nimmer openen en toch

goede vruchten voortbrengen, den naam dragen van cleistogame bloemen.

Er zijn ook nog wel andere planten, die ze hebben.

Een blauw, dat haast nog mooier is dan dat van de viooltjes, vertoont

ons de bloem van het kruipend zenegroen (79). Een massa bloempjes staan

bij elkaar rechtop en als je ze goed bekijkt, dan blijken het

lipbloemen te zijn, evengoed als de witte doovenetel, maar ze missen de

bovenlip.

Nu is dat voor een lipbloem heel erg, als hij zijn bovenlip mist, maar

in dit geval is ’t kwaad zoo groot niet, want de bloempjes staan zoo,

dat de helmknoppen juist overdekt worden door de schutblaadjes van de

volgende bloemgroep.

Wie een tuintje heeft, mag zoo’n zenegroenplantje meenemen; ze telen

heel snel voort, doordat ze lange, kruipende stengels maken en zoo heb

je dan in korten tijd ieder voorjaar een hoekje in den tuin vol met

deze mooie blauwe bloemen.

Er staat nog meer kruipgoed in en om het berkebosch: wilde aardbeitjes

en kruipende eereprijs (64), met bleeker bloempjes dan de gewone, maar

toch heel mooi. Ook een plantje met mooi fijn verdeeld blad en hoofdjes

van bloemen, die nu eens heele mooie roode stamperkwastjes, dan weer

een prachtige gele meeldraadfranje vertoonen. Dit is de kleine

pimpernel (83) en als je hem zoo nederig ziet wachten, of de wind wat

van zijn stuifmeel mee wil nemen, dan heb je moeite om te gelooven, dat

die nu van de familie is van de trotsche, pronkerige rozen.

Een hoekje staat vol met de bekende boschplant look zonder look of

lookraket, die heet zoo, omdat zijn bladeren werkelijk naar uien

ruiken. Waar ze veel groeien ontbreekt in de Meimaand ook nooit het

Oranjetipvlindertje (23) of Peterseliebeestje en ik heb er altijd schik

in, om even bij de planten te staan, als er die witte vlindertjes

vliegen. Op ’t oogenblik dat ze zich op de bloemtros neerzetten, lijken

ze opeens te verdwijnen, zoozeer komt de vlekkenteekening aan de

onderzijde van hun achtervleugels overeen met het wit en donker van de

bloemenmassa.

Ze leggen hun eitjes op de bloemstelen en daar komen rupsen uit, die

vreten aan de langwerpige vruchten, waar ze ook alweer niet makkelijk

op zijn te vinden, doordat ze groen en lang zijn. En als ze zich

verpoppen, is inmiddels de stengel afgestorven en vergeeld, zoodat de

geelachtige pop ook alweer niet in ’t oog valt. Weer een mooi geval van

vermomming.

Blonde duinen · 第 4 / 9 题