Ik had aan veertig jonge meisjes ieder een konijnenschedeltje beloofd.
Op de dierkundeles hadden wij het erover gehad, dat ’t leeren van
lessen en ’t napraten van wat de leeraar vertelt eigenlijk, nog maar
weinig waard is en dat je zooveel mogelijk zelf de dingen moet zien en
behandelen. Iedereen kan best eens een zoogdierenschedeltje krijgen, om
te zien, hoe dat zit met de beenderen en de tanden, had ik beweerd. De
leerlingen spraken mij dat natuurlijk tegen en toen werd ik warm en
zei: nu, dan zal ik alleen jullie allemaal een konijnenkop geven en je
zorgt dan maar, dat je die bij de volgende repetitie behoorlijk uit ’t
hoofd kunt teekenen.
„Goed,” zei de brutaalste van de troep, „als u ons de koppen bezorgt,
zullen we ze teekenen, maar geen koppen, geen repetitie”. Aldus werd
besloten.
Er liggen zooveel van die koppen in de duinen, dat ik mij geen zorg
maakte over de vervulling van mijn belofte. Als ik er telkens een stuk
of wat meenam, dan had ik mijn veertigtal gauw bij elkaar.
Maar hoe gaat ’t met die zaken? Er kwamen allerlei dingen tusschen,
waardoor ik minder in de duinen werkte dan gewoonlijk en meestal bleef
ik dan nog in de berkenboschjes. Zoo naderde de repetitietijd en ik had
nog maar acht koppen, die ik eigenlijk niet eens durfde uit te deelen.
En als we het op de les hadden over konijnen, knagen, of tanden, dan
trok Haantje de Voorste even met haar mondhoeken.
Dat kon zoo niet blijven voortduren en daarom leende ik op een vrijen
Zaterdag van mijn vrouw tien sinaasappelen en een paar pak Verkade’s
korstjes. Toen riep ik een stuk of vijf kinderen bijeen, liet
doorschemeren, dat ik te beschikken had over die eetwaren en vroeg
toen, of ze met mij een tocht wilden maken door de duinen naar het
Tweetoppenduin, om veertig konijnenkoppen te zoeken. Of ze wilden!
Zonder de korstjes en de sinaasappels had ik ze ook wel meegekregen,
maar die verhoogden toch ’t genot. Ik had van de eigenaren permissie,
om in die duinen te loopen.
Het was in ’t begin van April, een beetje koud, maar helder, en ’t
zonnetje straalde lekker over duin en dal. De fitisjes waren nog niet
aangekomen, maar boomleeuwerikken (37) zongen, dat het een lust was.
Die zingen heel anders dan de gewone leeuwerikken en hun vlucht
verschilt ook veel. Een gewone leeuwerik gaat recht omhoog tegen den
wind in, of hij draait in een schroeflijn naar boven, een boomleeuwerik
echter gaat niet eens heel hoog en blijft dan rondzwieren in allerlei
richtingen. Daarbij fladdert hij dan met zijn breede vleugels heelemaal
op de manier van een vleermuis. Hij maakt een heel mooi, helder en kalm
geluid, dat herinnert aan ’t mooie roepen van steltloopers. De kinderen
kenden hem gauw en beloofden, dat ze ook naar zijn nest zouden
uitkijken, dat gelijk met den grond ligt, tusschen ’t gras. We
behandelden het heele geval als een jacht. Ik had mijn vijftal
opgesteld met afstanden van vijftig meter en nu was de bedoeling, dat
we zoo met een breed front zouden optrekken naar een hooge duin, die
ons meestal tot rustplaats dient. De twee grootste jongens had ik
geplaatst op de uiterste vleugels, de kleintjes in ’t midden en ikzelf
kwam wat achteraan, om overal tegelijk te kunnen wezen. Zoo zouden we
dan een strook van tweehonderd meter breed degelijk afzoeken.
Het was prachtig bedacht, maar laat ik maar dadelijk zeggen, dat we het
niet lang volhielden. Zoolang ze nog niets vonden, ging ’t opperbest en
zelfs als er van tijd tot tijd een schreeuwde: „ik heb er een”, dan
bleven de anderen nog wel in hun lijn voortgaan. Maar toen er een
gilde: „een levend konijn in een strik” was mijn heele slagorde opeens
verbroken en stonden we spoedig hijgend rondom het stakkertje, dat daar
worstelde met den dood. Hij huilde als een klein kind. Door al zijn
trekken en springen had hij de strik al zoo stijf dichtgetrokken, dat
ik met moeite mijn vingers kon krijgen tusschen ’t gedraaide koperdraad
en zijn nekje. Bovendien probeerde hij nog mij te krabben en hij zat
vol ongedierte. Ons meisje begon haast te huilen en ook de jongens
keken bezorgd, maar eindelijk kreeg ik de strik toch los. En toen had
je dat konijn (13) eens moeten zien hollen.
De strik was geplaatst geheel volgens de regelen der kunst. Die
konijnen loopen altijd langs vaste wegen van hun hol naar hun vergader-
of voederplaatsen, smalle paadjes door ’t lage kruid of enge tunneltjes
door ’t hooge gras. De strooper omspant met zijn strik juist dat heele
pad en liefst op een plek, waar hij vermoeden mag dat ’t beest niet al
te hard of niet al te zacht loopen zal. Hij loopt er dan in, de strik,
die aan een klein paaltje stevig is bevestigd, schuift toe en ’t dier
worgt zichzelf bij zijn pogingen om te ontsnappen.
’t Is natuurlijk streng verboden, om strikken te zetten, maar er wordt
nog al eens veel gezondigd. Wij waren natuurlijk bijster tevreden over
de verrichte redding, maar ik vrees, dat mijn jagers nu meer naar
levende konijnen dan naar gebleekte schedeltjes uitzagen.
Nu, er waren er genoeg te zien, als je maar weet waar ze zitten. Er was
een steile helling, dichtbegroeid met nog bladerlooze duindoorns en
juist in ’t zonnetje. Wij kropen heel stil achter een klein ruggetje en
toen konden we onder die dorens tientallen van konijnen zien, die daar
kalmpjes rondsprongen en zich te goed deden aan de jonge
zeggesprietjes, die juist uit den grond kwamen. Onder de dikke, zwarte
duindoornknoesten leeken ’t net grijze spoken.
Een van onze kleine jagertjes stak zijn neus wat te ver boven ons
heuveltje uit en dadelijk zaten toen al die konijnen doodstil (11),
sommigen rechtop, gewoon zittend, andere plat tegen den grond gedrukt,
de ooren in den nek. Als we niet geweten hadden, dat ze daar waren, dan
hadden we ze nooit gezien en toen ik met mijn verrekijker die helling
afzocht vond ik er nog veel meer, allemaal als ’t ware versteend en met
wezenlooze trekken.
Toen wij ons vertoonden, sloeg de heele familie op de vlucht, de witte
staartjes gleden langs de helling en verdwenen een voor een in de
holen.
Ik wist, dat daar veel bewoonde holen lagen; dat had ik gezien op
oudejaarsdag. Het was toen helder weer en ’t vroor dat ’t kraakte, met
mooie blauwe lucht en zonneschijn en nog al aardig wat wind. Nevel was
er niet, dus ook geen rijp, alleen fijne randjes aan de levende
grasbladeren. Doch hier en daar in ’t veld en op de helling waren
sommige plekken prachtig mooi berijpt, heele ijspaleizen. Dat was boven
den ingang van bewoonde konijnenholen. De waterdamp, die de dieren
uitademden bevroor in de takjes en sprietjes rondom den ingang van ’t
nest en zoo kon je dan prachtig zien, dat er iemand thuis was. Ik vond
het heel aardig, om daar over een groote uitgestrektheid al die
konijnenhuisjes met hun kristallen poorten te zien schitteren in de
zon.
Op deze plek vonden wij nu ook de meeste koppen en zelfs een bijna
geheel gaaf geraamte. Dat gebeurt anders niet zoo dikwijls, want zoo’n
konijn wordt meestal door allerlei liefhebbers bij stukjes en beetjes
verorberd en die versleepen dan de brokken naar alle kanten. Ook zinken
in ’t rulle zand de fijne beentjes en de onderkaken gauw weg, zoodat je
meestal alleen maar de schedel zonder onderkaak vindt. Doch daarmee was
ik dan ook tevreden.
’t Zijn mooie dingetjes, in ’t geheel niet griezelig. Ze zijn schoon
gegeten door de mieren, schoon geschuurd door ’t zand, schoon gespoeld
door ’t regenwater en nu komen al de afzonderlijke beentjes, waaruit
zoo’n schedel bestaat, prachtig te zien met al hun aardige verbindingen
en fijn à-jour-werk.
Toen we ons rustpunt bereikten, hadden we er al zesentwintig gevonden,
waaronder drie van kleintjes, met melkgebit. Die hadden in iederen
mondhoek niet zes, maar drie kiesjes.
Wij zochten nu een windvrij, zonnig hoekje, om wat te rusten en om die
provisies uit den weg te ruimen, wat gauw genoeg ging en we hielden
niets over.
Het was op dit plekje al echt aan ’t zomeren en ’t stond er vol met
fijne mooie bloempjes: voorjaarsvroegeling, hoornbloem en steenbreek.
We hadden er aardigheid in, om de kleinste plantjes te zoeken, want op
droge plekken vind je in de duinen soms ongelooflijk kleine dwergjes.
Wij vonden dan ook een vroegeling, die nog geen centimeter lang was,
ofschoon hij zich toch verheugde in ’t bezit van een wortelrozet, een
bloeistengel en een tros van bloemen.
Als die vroegelingetjes en hoornbloemen zoo klein zijn, dan kun je ze
op den zandbodem haast niet onderscheiden, vooral wanneer bij koud en
donker weer de bloempjes zich niet openen. Maar de steenbreekjes vallen
altijd dadelijk in ’t oog, hoe klein ze soms ook zijn. Ze hebben
vuurroode bladeren, vuurroode stengeltjes, vuurroode bloemkelkjes.
Alleen de kroonblaadjes zijn zuiver wit; ’t is een van de allermooiste
plantjes, die ik ken. Als de bloempjes uitgebloeid zijn, dan groeien de
vruchtsteeltjes nog wat door en buigen om naar boven, als de armen van
een lichtkroon en daarom wordt dit mooie plantje ook wel Kandelaartjes
(14) genoemd, een naam, die voor ons, jongelui, ook beter te gebruiken
is dan die van „drievingerige Steenbreek” zooals de plant vroeger
heette.
In onze duinen valt niets meer te breken, ’t zand is al fijn genoeg.
Maar als je nu in de bergen komt, dan vindt je overal, hoog en laag,
familiegenoten van onze kandelaartjes op de rotsen; die dringen met hun
wortels diep door in de smalste rotsspleten en werken zoodoende met zon
en vorst en regen samen, om de groote bergen tot kleine gruzelementjes
te maken. Je vindt daar ook in ’t wild de steenbreek, die wij wel als
randplantje in onze tuinen kweeken: rozetje van dikke bijna ronde
bladeren en lange trossen van fijne witte rood-met-geel gevlekte
bloempjes. Sommige menschen noemen dat gewoonweg steenbreek, andere
zeggen: schildersverdriet, mennistezusjes of Judastranen.—Je kent het
wel.
De duindoorns raken ook in bloei, maar ’t kost een heel gepeuter, om in
die dikke bruine proppen de eigenlijke bloempjes te vinden. Des te
mooier zijn de kruipwilgjes, die beginnen juist in bloei te komen. ’t
Is een lust, de fijne takken met de mooie kleine katjes te zien
afsteken tegen den blauwen hemel of tegen den donkeren mosbodem.
Die kleine dingen staan te bloeien tot op de toppen van de hoogste
duinen. Allerlei tegenspoed kunnen ze verdragen: wind, droogte, kou,
konijnenvraat en als ze maar een stuk of drie takjes boven ’t zand
kunnen krijgen, dan prijken die in April toch nog met grijze
stamperkatjes (16) of met gele meeldraadkatjes (18) en de bijen komen
een uur ver, om er de honing en ’t stuifmeel te halen.
De waterwilg, die beneden in de duinvallei een nat plekje heeft weten
te vinden, maakt daar een vertooning van belang met zijn
wijduitgespreide kroon, vol groote gele katjes. Het lijkt éen gouden
bol en je kunt begrijpen, dat de hommels en de bijen in de blauwe lucht
in ’t grauwe duin die groote gele plek zonder moeite opmerken en er
heenvliegen, brommend van plezier. Toch slaan zij de kleine
kruipwilgjes niet over en zoo krijgen die dan ook behoorlijk hun beurt.
Ze hebben zelfs heel wat meer kans dan de gewone witte wilgen (24,
110), die later bloeien.
Er vliegen al heel wat bijtjes en hommels rond in ’t vroege voorjaar en
allemaal hebben ze voedsel noodig, voedsel voor zichzelf en voedsel
voor hun larven. Geen wonder dus, dat elk wilgenbloempje wordt bezocht
en iedere stempel al heel gauw bezet is met een stuk of wat gele
stuifmeelkorrels.
En tegelijk met het ontplooien der bladeren begint dan het rijpen van
de vruchten. De kruipwilg is dan ook heel mooi, want hij schijnt het
noodig te hebben, dat zijn vruchtkatjes paars, rood en bruin gekleurd
zijn en dat ziet er dan heel aardig uit. De waterwilg (114) doet dat
niet, zijn katten blijven blauwgrijs, maar als ze rijp zijn, dan worden
ze weer buitengewoon mooi. De vruchtdoosjes splijten open en daaruit
puilen dan de zaadjes zich geheel verscholen in dichte blinkend witte
haarpluizen. Dat is in Juni. De heele wilg is dan één witte pruikebol
en als je eens een poosje erbij gaat staan in het heldere zonnetje, dan
zie je, hoe de zachte zomerwind één voor één die gekuifde zaadjes
meeneemt. Ze zweven als kleine witte motjes langs de blauwe lucht. Maar
zoover zijn we nog niet, ’t is nu Maart en we moeten werken.
Hoeveel koppen hebben we ook weer. Zesentwintig. Vooruit dan maar.
Hoor, alweer het gehuil van een konijn. Zou er weer ergens een in een
strik zitten? Neen, het gehuil verplaatst zich en ’t wordt al zwakker
en zwakker. Stellig is er een besprongen door een hermelijn (95). Die
zijn nu niet meer wit, maar worden op hun rugzijde bruin en ze jagen
het konijn even onverbiddelijk als in den winter.
Het geklaag is al verstomd. Nu zit het roofdier gulzig het bloed op te
zuigen uit den nekslagader van zijn slachtoffer. Ook scheurt hij soms
heele stukken uit den hals, maar dan laat hij het kreng liggen. Kreng
beteekent „lijk van een dier”, ’t is heelemaal geen onfatsoenlijk
woord.
Kijk, de bonte kraaien zijn nog niet allemaal vertrokken naar hun
broedplaatsen. Een stuk of vier zweven over de vallei heen en weer, ten
slotte gaan ze zitten in wat hooge peppeltoppen. Ze wachten tot het
hermelijn klaar is, dan wordt het hun beurt. Daarna komen de mieren en
torren, soms ook helpen de meesjes een handje en zoo wordt het doode
dier gauw opgeruimd.
Soms ook knappen de torren alleen het heele zaakje op. Ik heb wel eens
een klein krengetje gevonden, daar was een heele keververzameling aan
bezig. Je moet bij zoo’n gelegenheid boven den wind gaan staan en dan
even peuteren met een stok. Goede hemel, wat een beesten!
Lange zwarte smalle torren, met een veel te kort jasje aan, kronkelden
over den grond. Als je die vangen wil, dan buigen ze hun achterlijf
omhoog, net of ze willen gaan steken op de manier van een schorpioen,
maar ze hebben heelemaal geen angel. Toch pak ik om de reinheid zoo’n
beest liefst maar met een tangetje. ’t Is altijd goed zoo’n pincet bij
je te hebben, voor ’t geval, dat je gevaarlijke of vieze dieren van
nabij wil bezien.
De Engelsche kinderen hebben voor deze zwarten kortschildkever een
aardigen naam bedacht: ze noemen hem The Devil’s Coach horse. (’t
Koetspaard van den duivel).
Behalve dit kronkelbeest schuifelen er nog platte zwarte of bruine
torren rond, dat zijn de Silpha’s, heelemaal erop gebouwd, om onder
dingen weg te kunnen kruipen.
Maar ’t vroolijkst zien de doodgravers (96) er uit, sterk gekleurd met
oranje dwarsstreepen op donkeren grond en bezet met mooi gele haren.
Tien, twaalf tegelijk zijn er bezig. Met groote vlijt en volharding
graven ze den grond weg onder ’t kleine konijntje, dat langzamerhand
wegzakt in ’t zand. In enkele uren is het geheel verdwenen. De vlijtige
kevers hebben er hun eitjes in gelegd en daarna het cadaver zorgvuldig
dichtgedekt. Over een poosje staan daar de plantjes wat weliger dan
elders en later komen jonge kevers daar zoo maar uit den grond kruipen.
Als die er niet waren, dan hadden we onze veertig koppen al lang bij
elkaar.
Als je al die doode konijnen ziet en dan nog denkt aan ’t werk van
stroopers, jagers, delvers en fretteerders, met geweer en schop, net,
strik en fretje (9), dan heb je moeite, om te begrijpen, dat er nog
zooveel konijnen in de duinen rondloopen. En toch zijn er nog veel te
veel.
Want eigenlijk zijn het heel schadelijke dieren, die hier niet eens
thuis hooren. Je hebt wel eens geleerd van de Caninefaten of
konijnenvatters met hun opperhoofd Brinio en je dan die menschen
voorgesteld als altijd op de konijnenjacht. Ik vrees evenwel, dat die
voorstelling onjuist is, want hoogstwaarschijnlijk zijn de konijntjes
hier pas ingevoerd door de Romeinen zelf en die hebben voor Brinio’s
tijd daar niet zoo heel veel gelegenheid voor gehad.
De Romeinen leerden het dier kennen in Spanje; zij waren heel vlijtige
beoefenaars van de dierkunde, vooral wanneer het op eten of pret maken
aankwam. Hun eerste kennismaking was nog al van deftigen aard, daar
kwam niets meer of niets minder dan een heel gezantschap bij te pas. De
bewoners van de Balearen hadden namelijk zooveel last van de konijnen
gekregen, dat ze een paar afgezanten naar Rome stuurden met het verzoek
aan den Senaat om een legioen of zoo Romeinsche krijgers te sturen,
teneinde die kleine Afrikaansche aard-haasjes te bestrijden. Nog al
aardig; verbeeld je die grimmige Romeinsche veteranen, gehard in den
krijg tegen de dapperste volken ter wereld, ten strijde trekkend tegen
de kleine konijntjes!
Ik heb niet kunnen ontdekken, hoe dat verder is afgeloopen, maar ben er
zeker van, dat de Romeinen met dat zaakje wel hun voordeel gedaan
zullen hebben. Intusschen zou het wel aardig zijn, eens te weten, hoe
ze die Balearen hebben bevrijd, daar zouden we tegenwoordig nog ons
voordeel mee kunnen doen.
Je weet wel, dat in de vorige eeuw de jachtgrage Engelschen de
onvoorzichtigheid hebben gehad van konijnen in te voeren in
Nieuw-Holland en ’t heeft weinig gescheeld, of de knagertjes hadden ook
daar het land onbewoonbaar gemaakt voor de menschen, doordat ze
landbouw, boschbouw en veeteelt onmogelijk maakten.
’t Is een heel duel geweest. Eerst hebben de Engelschen allerlei
roofdieren naar Australië gebracht: bunsingen, marters, hermelijnen,
kortom alle mogelijke konijnenvatters. Maar dat pakte glad verkeerd
uit, want de roofdieren gingen veel liever de Australische beesten te
lijf, die zich gemakkelijker lieten vangen. Daarna is men te werk
gegaan met geweer en strik en met vergif en nog duurt de oorlog voort.
Nu is een konijn in ’t vechten heelemaal geen baas, maar ze houden zich
staande, doordat ze zich zoo snel vermenigvuldigen. Voor een konijn dat
er sneuvelt komen er meteen tien anderen in de plaats.
Ze hebben nu net jongen. Die moet je niet zoeken in de gewone
konijnenholen maar in de kinderkamers, die nog al moeilijk te vinden
zijn, doordat hun uitgang weer is dichtgestopt. Op eenigszins begroeide
hellingen is er nog al kans ze te vinden; kijk maar uit naar
zandstreepen van een halven meter lang en twee decimeter breed. Nu
moeten de jongens maar eens toonen, dat ze echte spoorzoekers zijn,
leerlingen van Shatterhand en Winnetou.
Heb je er een? Wacht, eventjes zien. Met de hand graven we ’t boveneind
uit. Daar heb je al droge grassprietjes en vlokjes wol en als ik nu de
opening wat grooter maak, zie ik de donkergekleurde, onbehaarde jongen
op een hoopje bijeen, blind en bibberend. We maken het hol maar weer
gauw netjes dicht.
Als je nu den tijd had, moest je je hier eens verschuilen onder een
hoop takken aan de lijzijde van ’t nest. Je moet er niet tegen opzien,
desnoods een paar uren te wachten. Het moederkonijn (91) komt dan de
jongen voedsel geven. O, zoo voorzichtig nadert ze ’t nest. Telkens
gaat ze op de achterste pooten zitten om te snuffelen en rond te zien.
Blijkt alles veilig, dan graaft ze in een wip het nest open en na een
poos komt ze weer te voorschijn en doet de deur achter zich dicht. Dat
gaat met de grootste behendigheid en sommige verzuimen nooit om
grassprietjes en brokjes mos over het versch uitgegraven zand te
spreiden. Toch weet de boschwachter ze gemakkelijk te vinden, hij heeft
me wel eens twintig van die nesten op één middag gewezen.
Na verloop van een dag of tien mogen ze de kinderkamers verlaten en dan
betrekt de heele familie een woning op een luchtige duinhelling. De
kleintjes blijven in de nabijheid van het hol en laten nooit na, om op
zonnige dagen te komen spelen op de warme helling. Het oude konijn zit
er dan bij en past ongetwijfeld goed op, dat de jongen niet verrast
worden door den een of anderen roover. Ze is één en al aandacht en
gebeurt er iets verdachts, dan trommelt ze even op den grond, ’t zij
met de voorpooten, ’t zij met de achterpooten en dan vliegen de
kleintjes bliksemsnel het hol in, of als ze zich te ver van ’t gat
hebben gewaagd, dan drukken ze zich stijf tegen den grond.
’s Avonds krijgen ze wat meer vrijheid van beweging, dan rukt in de
schemering de heele bende uit naar een grazig plekje in de buurt. Daar
zitten ze dan alle vlijtig te knabbelen aan groene sprietjes van gras
en zeggen en dan bijten ze ook menige mooie orchidee den kop af. Zijn
ze zat gevreten, dan gaan ze weer spelen en enkelen beginnen zich dan
ook te oefenen in de edele graafkunst.
Ik houd er wel van, om in den avond zoo’n konijnenlandje op te zoeken.
Eerst zie je niets, maar langzamerhand ga je de grijze gestalten
onderscheiden. Als je dan even in de handen klapt dan blinken opeens
dozijnen witte puntjes in de vallei. Dat zijn de staartjes van de
vluchtende konijnen (15). Als ze aan de haal gaan, dan tillen ze hun
staart op, zoodat de witte onderkant zichtbaar wordt. Zoo kunnen dan in
de schemering de kleintjes zien, waarheen de moeder hen leidt en komen
ze veilig thuis.
En nu is het voor ons ook tijd om naar huis te gaan.
Hoe staat het met onze voorraad? Zesenveertig mooie gave koppen, twaalf
onderkaken en vier stel atlassen met draaiers. Goed gewerkt, alleen heb
ik de laatste twaalf stuks zelf moeten opzoeken. Op den terugtocht en
na het eten ben jullie niets meer waard. Een volgenden keer geen
korstjes en sinaasappels!