Om Jesu name en schaamde ik mij,

in al mijn levensjaren:

ik hoop dat, onbeschaamd, ook Hij,

me in 't oordeel nu zal sparen!

CIV

A.B.D.

1887

Maar half en nog niet half gegaan

was 't bijstre van de wereldbaan,

toen al met eens een stemme sprak,

en 't onvoltooide leven brak!

Zijn vrouwe eilaas, zijn dochter zoet,

zijn vrienden vielen God te voet

en baden: Laat een stonde nog,

den vriend ons en den Vader toch!

Maar, weet een mensch, die sterflijk is,

het woord van Gods geheimenis?

't Is beter elk in tijds bereid

dat duren zal in de eeuwigheid!

Zoo deed hij, en, gesterkt, getroost,

verliet hij vriend en vrouwe en kroost,

en ging, met Christi Kruis gekust,

naar de eeuwigheid, in God gerust!

CV

G.L.S.

1887

De jubelkroon,

zoo frisch en schoon

ons om de kruin gewonden,

heeft korts de dood,

met felheid groot,

gebroken en geschonden!

Doch neen, ze'n kan

de kroone van

de onsterflijkheid niet schenden,

die ons te gaêr

zal kroonen, waar

geen blijdschap meer zal enden!

CVI

I.P.

1887

o Mensch, uw vriend is God alleen,

al 't ander moet gij schromen;

de dood, al mijdt ge u, groot en kleen,

de dood is licht gekomen!

Leeft deugdzaam dan, en leeft bevrijd

van angstigheid en zorgen,

die nooit eene ure in state en zijt

te zeggen: 'k Leve morgen!

o Vrouwe en Kind, uw steun was ik,

naast God; maar, blijft gelooven

dat, zonder God, een enkle tik

u lijf en ziel kan rooven.

Uw ware vriend is God voortaan,

o Vrouwe en Kind, bemint Hem;

en wilt gij Vader volgend gaan

zoo 't God beveelt, gij vindt hem!

CVII

R.H.

1887

Zij was de brave vrouwe, erkend van alle lieden;

zij sprak: De wille Gods in alles moet geschieden

oprechtelijk, en geen die in heur werken vond

het minste dat het woord heurs herten tegenstond.

De lieden mochten boos en valsch zijn, en de tijden

den eenen klagen doen, den anderen verblijden,

't en ging heur af noch aan: ze'n zocht de wereld niet,

maar God alleen in al: in voorspoed, in verdriet.

Het is eene eere 't kind van zulk een vrouw te wezen,

en, volgt ge uw moeder na, o kinderen, geprezen

verdient ge en preusch te zijn, om die u 't leven gaf:

zij leeft met eere nog, al ligt ze diepe in 't graf.

Zij ruste in vreden ja, in 't graf niet, maar hierboven,

zij hebbe al 't gene God kwam winnen en beloven;

die stierf en, op het kruis gestorven, wees de baan

om, door het kruis, met hem ter blijdschap in te gaan!

CVIII

A.G.M.D.

1887

o Zielke, schaars gekomen,

en seffens afgenomen,

Gods Englen willekom,

blijft, blijft, den Hemel binnen,

God kennen, God beminnen,

en keert niet wederom!

Verlost van rampe en lijden,

blijft eeuwiglijk verblijden,

en wordt nooit biddens moe,

ont wij ook, vrij geleden,

geworsteld en gestreden,

bij u eens komen toe!

Daar zal ons hert genezen,

daar zal het blijdschap wezen,

o zielken, onzen tween;

daar zal u, kind, herwonnen,

ons niemand rooven konnen,

noch van uwe ouders schee'n!

CIX

J.H.

1887

Een jaar geleên, schier dag op dag,

is 't dat ze een lieve zuster zag,

die, in de rust getreden,

heur scheen te zeggen: "Volgt mij na

die korten tijd u vorenga:

komt, rust met mij in vreden!"

o Jaar van lijden, dag en nacht,

in pijne en smerten doorgebracht,

in zuchten en in wachten;

hoe brandet gij heur deugden schier

tot louter goud, in 't smertenvier,

eer zij mocht ruste smaken!

"o Heere," sprak ze, "Uw herte kent

alleene al mijne ellenden: zendt

mij kracht, en leert mij vragen

niet anders als, nog dezen dag,

zoo 't uwen wil believen mag,

met U mijn kruis te dragen!"

"Nog dezen dag!" En moegekweld,

in 's werelds dorre doorenveld,

gekweld, doch niet geschonden;

heeft ze eindlijk, langs de blijde baan,

heur zuster in 't gemoet gegaan,

voor eeuwig rust gevonden!

CX

E.J.V.E.

1887

Hij placht den scherpen tand van 't staal

te temperen en te wetten,

en door zijn kunst tot maalbaarheid

den meulensteen te zetten.

Hij won daaraan zijn daaglijksch brood;

en 't brood daar wij af leven,

het wierd ons door de neerstigheid,

van zijnen arm gegeven.

Eilaas, een scherper staal heeft hem

een scherper steen, gemalen:

de felle dood, die schielijk wist

den fellen man te stralen.

Hij viel! Niet onbereid en was

die steen en staal bereidde,

en daaglijks, over 't vier gestaan,

Gods oordeelvier ontbeidde.

Gezuiverd op der aarden, lang

genoeg heeft hij geleden.

opdat hem God een betere als

een aardsche kroon zou smeden;

opdat hem Gods bermhertigheid

in liefde zou onthalen,

en vrij doen zijn voor altijd van

's viers onbermhertig stralen!

CXI

L.V.R.

1887

Aan u voorwaar had menig man

zijn laatste kleed te danken,

het bruiloftskleed der dooden, van

eilaas vier arme planken!

Dat wist ge, en uw' voorzichtigheid

sprak, wakend lang voordezen:

"o Hout, misschien, door mij bereid,

zult gij mijn grafhout wezen!"

Gelukkig die, met 't scherpe in d'hand,

geslaafd hebt zooveel jaren

aan 't vaartuig, dat in 't Vaderland

u vrij zou helpen varen!

Gelukkig dien de vriend van al

die waakt en bidt, zal geven,

na 't werkend, in dit tranendal,

daar, 't eeuwig rustend leven!

CXII

H. J. B. J.

1887

Kerstnacht, of 't koud en donker was,

hebbe ik, in 't huis des Heeren,

als autaarkind, drie Messen lang

gediend, zoo menig keeren!

Kerstnacht is mijn geboortenacht,

na dertig jaar, geworden;

Kerstnacht ben ik, de wereld moe,

den Hemel ingetorden!

Kerstnacht, o Moeder, Vrouwe en Kind,

Kerstnacht kwam mij verblijden

en liet mij weten hoe God loont

die met en om God lijden!

Geen dagen vol ellende meer,

geen lange en bange nachten:

ach, volgt Mij, Moeder, Vrouwe en Kind:

hier blijve ik u verwachten!

CXIII

M. C.

1888

Voor niet en droeg hij 't zweerd

van Gods geweld in d'handen,

noch was de zware plicht

van 't straffen hem betrouwd;

hij wist aleventwel

ook in de knevelbanden

met eerbied aan te zien

het beeld na God gebouwd.

Ei, wapenknecht, hij wierd,

de dieven eens betrapend,

hij, van den grooten dief

die al wat leeft bespringt,

besprongen, vastgepakt,

geknevelband, ontwapend,

en eeuwig pal gezet

waar Vrede en Vrijheid blinkt.

CXIV

M. L. R.

1888

Mijn kinderkens, ik heb u al

dat geeflijk was gegeven:

mijn' werkzaamheid, bij dag en nacht,

mijn' liefde, en ook mijn leven!

God spare u nu! Ik ben verlost,

terwijl 'k uw broerken baarde,

van 't leven dat maar lijen en was

voor mij, en wee op de aarde!

God spare u, spare u, Man, die mij

beminnen hielpt en dragen

den lieven last, nu meer als ooit:

God spare u, lange dagen!

Hebt hope en troost, en... Wilt o God,

aan vrienden 't hert verleenen

te helpen hem, ook zonder mij,

nog zorgen voor die kleenen!

CXV

E.J.C.

1888

Het moorddallaam,

de donkre nacht,

mijn' donkerder gedachten

bekoorden mij

om, roekeloos,

dat God verbiedt

niet te achten!

Een plof... en dood,

zoo waande ik mij,

ellendiglijk aan 't dolen!

o Goede God,

Ge 'n wildet niet:

G' hebt me aan de dood

ontstolen!

Gij zocht mij, daar 'k

U vluchtend was,

U vloekend, in mijn' zonden;

en toch hebt Gij

mij, armen dwaas,

o Goede God,

gevonden!

CXVI

G.D.W.

1888

Wij hoopten beiden dat gij zoudt,

o kind, de lasten menigvoud

verzoeten, die uwe oudren twee

gedoogen, op dees wereldzee.

Wij hoopten...! Maar we 'n wisten niet

't is God alleen die alles ziet,

dat ge ons zoo vroeg gingt afgeplukt,

geroofd zijn en schier weggerukt!

Eilaas, hoe scheurt ons herte en doet

het zeer, omdat het missen moet

't geen 't niet missen wil noch zal,

't en zij om U, o God van al!

Hebt Gij het dan, o goede God,

en ziet ons kindtje geerne, tot

dat Gij ons ook, die altijd leeft,

den hemel... en ons kindtje geeft!

CXVII

A.V.D.V.

1888

Gelukkig paar

die met malkaar

in 't huwelijk verbonden,

de jubelkroon,

die eeuwig schoon

zal blinken, hebt gevonden!

Op de aarde was,

als ijdel glas,

uw blijdschap licht om schenden;

maar nu en kan

de vreugde van

de bruiloft niet meer enden!

CXVIII

E.A.M.T.

1888

Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden,

met uwe zoete hand beschermen en geleiden;

ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht,

den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht!

Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen,

verlangen naar uw lot en om het onze vreezen?

Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart,

een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart!

CXIX

C.J.A.D.L.C.D.

1888

o Zoete ziel, die 's lichaams leven

te vroeg eilaas, te laat misschien

voor u, aan God hebt weêrgegeven,

wij hopen u weerom te zien!

Gij waart alrêe, hoe jong van dagen,

zoo schrander dat wij hooger iet

als menschlijks in uwe oogen zagen,

en gij alleen en wist het niet!

Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken

behoordet en, verhuisd voortaan,

uws vaders hof zijt ingeweken:

vaartwel, vaartwel, o Christiaan!

CXX

G.V.D.W.

1888

O Jesu, 't zielken dat

Gij ons geschonken hadt,

als echtelijken zegen;

hoe is 't uit onzen schoot

zoo schielijk, door de dood,

gerukt en weggedregen?

Het dunkt ons menigmaal

zijn lieve kindertaal

te hooren... maar, 't is dolen

dat 't minnend herte doet:

ons kindtjen is voor goed,

ons kind is ons gestolen!

Het licht is ons geroofd,

het leven uitgedoofd,

en 't huisgezin, geschonden,

en schettert nimmermeer

vol vreugde, lijk weleer:

het zwijgt ten allen stonden!

De dood en kent geen leed,

zij zeisent, immer wreed

en zonder mededoogen;

geen troost en wete ik, geen:

Gij, Jesu, zult alleen,

Gij kunt onz' tranen droogen!

CXXI

E.J.P.

1888

Het leven is, vol ongevals

vol ramp- en rooi, te aanschouwen als

een kruisweg op de wereld,

die slinks en rechts vol kruisen staat,

en dien men meest met tranen gaat,

en bloedig zweet, bepereld.

Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost

mijn kruis naast U, die 't lijden koost,

onschuldig, om het leven,

van schulden vrij- en losgeboet,

o Jesu, door uw dierbaar Bloed,

ons wederom te geven!

o Man, gij stondt mij neerstig bij:

dat God uw hulpe en troost nu zij;

en, dapper doorgetreden,

vergeet mij niet, die haastig viel,

noch dat ik, arme kranke ziel,

verlange om uw gebeden!

CXXII

J.N.H.

1888

Moet ik, ouders, teerbeminde,

moet ik, zusters, broederen al,

u verlaten, ik en vinde

nooit hetgeen mij troosten zal.

Nooit! o God, maar gij zijt vader,

gij zijt moeder, zuster; gij

zijt mijn broêr, en duistmaal nader

vriend als welke vriend het zij.

Op dan, ouders, moed genomen,

zusters, broeders, al te gaâr;

eens daar ik ben, óók gekomen

vrienden, vrede, en... God is daar!

CXXIII

J.N.A.

1888

Och arme, ofschoon het leven

zij boos om door te streven,

o Kind, wij hoopten dat 't

den Heere u, lange jaren,

believen zou te sparen!

Doch neen! Onze oogen, zat

van weenen, moeten derven

hetgeen gij, met te sterven

ons hebt geroofd: een' schat!

Ach, laat het zoo: daarboven

zult gij den Heere loven,

in 's hemels blijde stad:

terwijl we, in God te vreden,

wij, weenend, hier beneden,

och arme, zullen... Wat?

CXXIV

G.J.T.

Wij minden 't zoo,

wij zagen 't noo,

te noo misschien, ontdragen;

maar, Jesu zoet,

ons herte bloedt

en 't breekt van niet te klagen!

Geeft weer! -- o Neen,

ons kindtje kleen,

we 'n durven 't U niet vragen!

CXXV

E.H. VICTOR VAN COILLIE

1888

Hij, dichterlijk begaafd,

en heeft, in al zijn wegen,

maar op het waarlijk schoon

een wondrende oog geslegen;

en 't, in zijn eigen taal,

beschreven onbeschaamd.

Gods volk lag hem aan 't hert,

hij minde 't, en bekwaamd

als Priester en als Mensch,

om met het Volk te leven,

heeft hij getrouwiglijk,

hem zelven 't Volk gegeven.

God loone 't hem, die weet

en weerdiglijk vergoedt

hetgeen -- Hij zegt het zelf --

men aan de kleenen doet.

Hij stierf! Onsterfelijk

blijft op deze aarde in eeren

zijn vreugdevolle ziel;

en, in het Huis des Heeren,

de loon die zulken loont

die, niet hen zelven, maar

den armen evenmensch,

met liefde nemen waar!

CXXVI

Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE

van Zedelghem,

als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper-

Congoland, op den 17 van Bâmesse 1888.

Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen,

die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet,

in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen,

die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet?

Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede,

de rustdag u alrêe verschenen is. Voortaan

geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede

van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan.

Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd-

en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot

te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd,

naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood.

Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet,

gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt

tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet,

eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt!

Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen

waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer,

veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen

zij ons door u, Ameet, verworven, vóór den Heer!

CXXVII

R.C.V.

1889

't Heeft mij de dood gekost,

als, na de wet des Heeren,

ik neerstig werken ging

en reizend wederkeeren.

't Heeft mij de dood gekost;

o vrouwe, vrienden, magen,

en al die 'k geren zag:

't en helpt geen bitter klagen.

't Heeft mij de dood gekost:

na korte of lange stonden

zal 't kosten u de dood,

die leeft! -- Leeft vrij van zonden!

't Heeft mij de dood gekost!

o Jesu, door uw sterven

en door uw dierbaar Bloed,

helpt mij den hemel erven!

CXXVIII

E.M.M.

1889

Wij waren 's eens, van herte en zin,

in lief en leed verbonden;

de dood, eilaas, de dwinglandin,

en ziet geen lief-, geen leedzijn in:

de dood heeft ons geschonden!

De dood alleen, niet els en kon

dat God vereende krenken;

maar Hij die, als de morgenzon,

de macht der wreede dood verwon,

Hij zal ons 't leven schenken.

Het leven, dat geen ziekte en kan,

geen droefheid meer bederven:

o Vrouwe daar verwacht mij dan,

mijn kind, ons kind, en mij, uw man,

om nimmermeer te sterven!

CXXIX

B.S.

1888

o Blankske bij uw stervensbed

zoo menig versche blom gezet,

verwelkt, gedord en weggedaan,

komt nu in ons geheugen staan!

Geplukten uit het blomgebied,

ze stierven, maar ze 'n leden niet;

en, onbeklaagd hun teer gewas

haast weg en haast vergeten was.

Maar gij, o blank en bleek gewaad

eens maagdenblomkens, gij en gaat

niet smerteloos, niet onbeschreid,

vergeten niet, naar de eeuwigheid!

Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht,

in ons meer als in u bevreesd;

en lijende, omdat gij, kranke maagd,

die u beminden lijden zaagt!

Vaartwel... en blijft in ons gemoed,

o Blankske, teeder blomke zoet,

gebloeid staan, en, bij God den Heer,

o kindtje lief... en sterft niet meer!

CXXX

S.A.L.

1889

Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw,

spijts alles, zediglijk en stediglijk getrouw;

de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren

en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren;

zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan,

en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan!

God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen

met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen:

met onveranderlijk en stervensvrij genot

in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God!

Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven,

mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven,

dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan

dien gij alleen liet op den weg des levens gaan!

CXXXI

V.S.

1889

Het werken was heur lot,

heur blijdschap en heur leven;

het werk is zij getrouw

tot aan den dood gebleven;

en, als zij lijdend lag

en stervend neergeveld,

dan heeft zij nog in 't werk

heur hoop en troost gesteld.

Om God heeft zij gewrocht,

met God heeft zij geleden,

op God heeft zij gehoopt,

tot God heeft zij gebeden;

en vast gesteund op Hem,

die loonder is van 't goed,

en heeft zij niet gevreesd

dat leêggang vreezen doet.

Welaan, de rust zij u,

Victoria, gegeven:

ge'n hebt z'hier nooit gekend,

geniet ze in 't ander leven!

CXXXII

J.F.M.

1889

Hij wist wat werken was

en waakzaam gadeslagen

al 't gene, hem vertrouwd,

bij nachten en bij dagen

bekommerde zijn hert,

vol eed'le vromigheid.

Hij wist wat lijden was,

en heeft, herhaalde malen,

wanneer de dood hem kwam

zijn liefste panden halen,

als christen mensch tot God

"uw wil geschie" gezeid.

Hij steunde, vast en vrij,

op God al zijn betrouwen,

't zij vroeg, 't zij laat bereid

om ook de dood te aanschouwen,

en 't kruis te aanveerden dat

hem ook was opgeleid.

Dat kruis, met kloeken moed

zoo langen tijd gedregen,

het zij een kroone nu

voor hem, voor ons een zegen,

't zij een vermaan ter deugd

en ter standvastigheid!

CXXXIII

P.J.D.B.

1889

De dood is doof en blend,

't en helpt geen schoone spreken!

Zoo zegt men, maar de Dood

is Gods bevel getrouw:

Hij wist wanneer, waarom

en hoe de band zou breken,

dien Hij gebonden had,

o zwaar beproefde Vrouw!

Hij weet al 't geen Hij wilt,

of doet of laat geschieden,

te schikken dat er goed

en weldaad uit verschijn':

geeft Hem uw herte dan

en doet niet zoo de lieden

die, klagend van de Dood,

God zelv' betichtend zijn!

Hij die de Vader is

van al dat leeft, hoe zal Hij

verlaten die Hem dient

met eerbied, en betrouwt?

Schept moed, o Moeder, God

is Vader meest van al, Hij;

en beter is 't op Hem

als op een' rots gebouwd!

CXXXIV

H.B.

1889

Het voer voorbij als lichaamloos:

een schaduwe, een geschemel;

een Engel van verduldigheid,

een zielke voor den Hemel.

Het wist dat 't hier geen stede en was

voor hem om lange jaren

te leven, maar een tranendal,

om spoedig door te varen.

En als het, 't elevatieklokske

in d'hand, den Priester diende,

zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!"

godvruchtig opwaarts ziende.

En 't rijk des Heeren kwam in hem

zijn hert vol deugden bouwen,

en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg

Gods Heiligheid aanschouwen!

CXXXV

A.G.

1889

De lucht weergalme nu

en klage 't aan de steenen

dat wij ten grave gaan

en onzen vriend beweenen,

die, als een vader, als

een broeder, ons zoo lang

geleidde en leeren deed

de kunst van spel en zang!

De lucht weergalme nu

en klage 't aan de stede

wat hij voor 't weezenhuis

en voor de weezen dede,

spijts ziekte en ongemak,

spijts alle ondankbaarheid,

voor 't ouderlooze kind

tot elken dienst bereid!

De lucht weergalme nu...

Eilaas, nog korte stonden

waar zult gij, vriend Goddaert,

waar zult gij zijn geblonden?

In 't duister graf? o Neen,

ver boven 't duister graf:

gij zijt, waar God alreede

u rust en vrede gaf.

CXXXVI

A.J.M.D.

1889

Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren;

nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat,

en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren,

bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat,

o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen

geweldig op hem neêr, en slingerden 't gebouw

dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen,

begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw!

Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren?

Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat

en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren,

genieten eeuwiglijk des levens dageraad?

Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig;

de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan

zal die vernederd was, verwekt door God almachtig,

eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan.

CXXXVII

TH. TH.

1889

Ik heb den Heer gediend,

ootmoedig weggeborgen,

o kloosterzusters, door

uw moederlijk bezorgen;

in 't huis des Heeren, in

Maria's waakzaamheid,

ben ik, met raad en daad,

tot sterven voorbereid!

Vaartwel dan, goed en trouw

gebleven brave zielen,

die mij als eigen kind,

om Gods wille onderhielen:

die alles loont, hij zal 't

u loonen, onverbeid,

't zij nu, 't zij naderhand,

-- vaartwel! -- in de eeuwigheid!

CXXXVIII

Eerw. H. EMILE DE MONIE

vereerd met het kruis _Pro Ecclesia et Pontifice_.

1890

Wij bouwden op uw leven een getemmer

van eere en deugd, voor God en 't vaderland;

maar schielijk grijpt de felle menschentemmer

en keert u, onzen grondsteen, overkant!

Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen

in diepe droefheid, zonder ende of maat;

de ellendigen gelijk, die niet en hopen

dat ooit een weerzien hun te wachten staat?

Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen

een leidend licht ons en een bake in zee,

totdat wij allen zijn voor goed genezen

van Adams schuld en onvermijdbaar wee.

Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen!

Geen veege droefheid! Immer moed voortaan,

en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen,

op God betrouwd en neerstig voortgedaan!

CXXXIX

J.B.V.L.

1890

Mijn huis- en echtgenoot,

getrouw tot in de dood,

ben ik bijgebleven;

gij hebt door lief en leed,

in arebeid en zweet,

mij hulpe en troost gegeven.

Nu zijn wij ver vaneen

van herte en ziele, neen,

van lijve eilaas gescheiden;

en ik, den korten tijd

dat gij mij voorenzijt,

moet mijnen dag bereiden.

Och keer' de dag weêrom,

als ik u, bruidegom,

in God teruggevonden,

zal mogen immermeer

beminnen, bij den Heer,

en zijnen lof verkonden!

CXL

G.A.A.

1890

Uw hand heeft mij geschapen,

getrokken uit den niet,

en nu ben ik ontslapen,

na 's werelds lang verdriet:

gedenkt, o goede Vader,

uw schepsel nu;

ik kom u biddend nader:

'k geloove in u!

Door 's vijands macht gebonden,

met Adams schuld belaan,

hebt gij uw schaap gevonden

en weêr naar huis gedaan:

gedenkt, o Heilig Herte,

mijn zielke nu;

door alle uwe pijne en smerte:

ik hope op U!

Gij zijt mij komen laven,

op mijnen laatsten tijd,

met al uw' beste gaven,

gij die bermhertig zijt:

gedenkt niet... ik beweene

mijn zonden nu,

en, stervend, Heer, alleene

beminne ik U!

CXLI

A.M.

1890

Amandine, uw deugdzaam leven

heeft ons langen tijd gesticht:

moge God u vrede geven,

nu dat ge overleden ligt!

Och, of wij ook, al te zamen,

't geen gij neerstig hebt gedaan

nadoende, op uw' stappen, kwamen

waar gij ons zijt voorgegaan!

Die de menschen weet te paaien,

wereld, ons en zult gij niet

in uw' valsche netten draaien

en in 't eeuwig helsch verdriet!

Amandine, rust in vrede,

tot een zalig wederzien;

rust, en al de zielkes mede!

Amen! Moge 't zoo geschiên!

CXLII

P.H.M.L.

1890

De dood en heeft niet onverwacht

u, man en vrouw, gescheiden:

God hielp, eer 't vallen van den nacht,

hare arme ziel bereiden.

De tijd is snel, het leven kort:

bereidt toch alle dagen

uw werk, eer ge ook geroepen wordt

om 't schielijk in te dragen.

Verleent het licht des Hemels haar,

o Heere, en wilt ons geven

't geluk van haar te ontmoeten daar

zij rust, in 't eeuwig leven!

CXLIII

R.S.L.

1890

De dood heeft mij bereid

en heel doorpijnd gevonden:

't is beter hier als in

het vagevier geboet!

Hebt dank, o Heere, en, door

uw' vijf bebloede wonden,

verleent, bermhertig, mij

het onverganklijk goed!

Verleent aan die ik laat

in droefheid en in tranen,

mijn Kind'ren, mijnen Man,

te leven naar uw' wet.

En, als 't te sterven komt,

wilt hun de wegen banen

ten Hemel en tot mij...

Dit is mijn sterfgebed.

CXLIV

E.P.E.W.

1890

Ge'n weet niet, gij die leeft,

noch gij en kunt niet weten,

aleer gij sterven zult,

hoe waarlijk ongemeten

de goedheid is van God

en zijne bermhertigheid.

Geen einde en is eraan,

noch geen bekende palen:

die schuld kent helpt Hij zelf

zijn schulden doodbetalen,

en houdt den schuldenaar

den hemel toebereid.

o Bidt voor mij, gij al,

die, langs des werelds paden,

hebt moeite, en nauwlijks weet

uw rechten weg te raden;

maar, met betrouwen bidt

tot Hem die 't al vergeeft.

Hem, wiens bermhertigheid,

zoo menigmaal gebleken,

eilaas vergeten wordt

of dikwijls weggesteken,

terwijl men jong is nog

en zonder zorge leeft!

CXLV

E.J.L.H.V.D.M.

1890

Hoe zijt gij ons ontvlucht,

gij kleene troostverschaffer;

de blijdschap van ons huis,

het licht van onze baan?

Hoe zijt gij ons geroofd;

wie, onbermhertig, gaf er

uw ijdel wiegsken ons

te vinden ledig staan?

o God, gij zijt te goed

opdat men 't U zou wijten;

o Vader, duizendmaal

gezegend zij uw naam;

maar, zendt ons sterkte toe,

en, om de plicht te kwijten

der christ'ne droefheid, maakt

ons lijdend hert bekwaam!

CXLVI

F.V.

1890

De dood is onmeêdoogend,

en God alleene laat

den mensch, het Kruis hem toogend,

nog hope en goeden raad.

Dat stierf dat zal herleven,

zoo zegt hij, en daar is,

voor al dat wierd misdreven,

bij mij vergiffenis.

Ik steek de hand, als Vader,

u, kranke kinderen, toe;

aanveerdt ze, en komt mij nader,

die de eerste stappen doe!

Gelukkig zijn zij allen,

die, hemelwaards genood,

in 's Vaders handen vallen,

en leven, spijts de dood!

CXLVII

Hoogeerw. Heer D.P.A. DE HAERNE

Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld,

die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held,

God en Kerke en Burger trouw gediend,

groot en kleen bleeft vaste en goede vriend!

Die, ja, stomme en doove spreken liet,

zwijg' dit steen uw weldoen immer niet,

maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer:

geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer!

CXLVIII

S.A.

1891

Vermaak en wist zij grooter geen,

als kinders Godwaarts op te lee'n;

en, elk tot raad en daad bereid,

te helpen met ootmoedigheid.

Kerkhofblommen · 第 5 / 6 段