De ware liefde Gods geleerd,

die 't altijd al in 't beste keert,

en kende zij noch nijd noch haat;

en goed, ja, raapte ze uit het kwaad.

Zoo minde en leefde en leed zij wel,

gesteund op haren Kruisgezel;

tot dat zij, 't lijden uitgeleefd,

den laatsten strijd gestreden heeft.

Aan wien was heel heur hert bekend?

Aan u die weent heur lijk omtrent;

aan U, o God, die 't groot geduld

van al heur liefde kroonen zult!

CXLIX

Z.H.B.

1891

Onschuldig kind, na korte dagen

hebt gij den Heer reeds opgedragen

uw' schoone ziel;

maar bitter maalt, door 't leed gedreven,

uw Moeders en uw Vaders leven

het smertenwiel!

Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen;

op dezen moge, en alle dagen,

Gods wil geschiên!

Ach bidt voor ons, en blijft daarboven

den God van al dat goed is loven...

Tot wederzien!

CL

Eerweerde Zuster MARIE-STANISLAS

Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk

1891

Zoo zedig, zoo zorgvuldig en

zoo zelfvergetend wezen

en hadde ik nooit te huldigen,

en kende ik nooit voordezen.

Bekommerd in al 't minste dat

den evenmensch kon baten,

zoo had zij 't leven opgevat,

in al heur doen en laten.

Heure overheid was neder zijn,

en dienen te allen stonden

den Gene, die nu weder zijn

goê dienstmaagd heeft gevonden.

CLI

L.D.K.

1891

Vergeet hem niet, dien braven man,

dien man van de oude Gulde,

die dertig jaar de vesten van

de steê met eerde vulde.

Vergeet hem niet, die 's Konings kruis

aanveerden mocht met eeren;

en, moegewerkt, trok weêr naar huis,

vol hope in 't Kruis des Heeren.

Vergeet niet, al die werkers zijt,

't goed voorbeeld na te leven;

dat hij, bij goed- en kwaden tijd,

ulieden kwam te geven.

Vergeet hem niet, voor wien hij, dag

en nacht, zijn werk besteedde;

en zorgt zoo hij te zorgen plag,

gij vrouwe, en kinderen mede.

Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet,

maar spreekt voor hem ten besten

bij God, als gij zijn werk beziet,

en wandelt langs de vesten.

CLII

M.D.V.H.

1891

Eilaas, mijn licht is uitgedoofd,

nu dat mijn uitverkoren,

mijn eerste kind is weggeroofd,

en uit mijne oog verloren.

Mijn' huwlijkshope is heel vergaan,

Gods banden zijn ontloken;

en, felle dood, uw bitter slaan

heeft gansch mijn hert gebroken.

Gij liet eene enk'le blomme mij,

één teeder blomke blijven;

och spaart het, Heere, of komme mij

de dood met hem ontlijven!

Neen... vaster vele als alle smert

wille ik mijn' hope bouwen;

en, Jesu, op uw lijdend Hert

mijn kind en mij betrouwen!

CLIII

M.L.

1891

Geboren voor des werelds oogen

vol vreedzaamheid, vol mededoogen,

onschuldig als een kind, zoo koos

zij 't rechte pad en 't beste altoos.

Maria als een Moeder minnend,

heur Mans geluk en troost bezinnend,

zoo was zij lief en leed bereid

te dragen met zachtmoedigheid.

Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde,

terwijl zij naar den Hemel pijnde,

zoo is 't dat zij, bij God bekend,

heeft 's levens korten loop volend.

Gelukkige! Uit de hooge zalen

en wou zij niet meer nederdalen,

maar wenkt van daar, en spoort ons aan

om waar zij ging heur na te gaan.

CLIV

B.L.H.

1891

Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen,

zoo heeft Hij 't weêr tot Hem genomen

en losgedaan

uit 's lichaams leed en lastigheden,

die 't onverbidlijk lijden deden

en pijne uitstaan.

't En kon niet meer... 't Was moegelegen,

zijn stemme sprak zijn herte tegen,

en 't doolde rond,

onwetend waar, tot dat, zijn wezen,

zijn handen bei tot God gerezen,

het ruste vond.

Ach, ruste en vrede u zij geschonken:

den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken

en God bemind;

ons Heere weet zijn vrienden weunen,

gij meugt op zijn beloften steunen,

onschuldig kind!

CLV

L.L.

1891

Al liefde, en anders niet,

hebt ge in uw lijkvat mede,

o Engelken, dat ons

zoo hoog verheugen dede;

maar dat, onvaste alhier,

verblijvende, éénen stond,

een' hooger', ver van ons,

een' hooger' woonsteê vond!

Vaartwel, ons beider beeld,

en, bij den Heer verscholen,

blijft eene leidsterre ons,

die nog op de aarde dolen!

CLVI

Eerw. Pastor P. BUSSCHAERT

1891

Zijn herte zong, van binnen hem,

een lied dat de Engelen hoorden;

dat somtijds uit zijne oogen sprak,

en tintelde in zijn' woorden;

maar dat eilaas, dit tranendal

onweerd, bij hooger zangen

behoorde als bij al 't weegedreun

der duistere levensgangen.

De vriend is weg, te lijve, ja;

maar ongenaakbaar, boven

dit lijdensperk, den wolkendoek

voor altijd weggeschoven

van 't eeuwig schoone, aanbidt hij nu,

en zingt, in 't driemaal heilig,

zijn erflijk deel, voor al dat hij

hier uitstond, ginder veilig.

CLVII

L.P.

1891

Zij was den Heere, in 't dagelijksch werk

en in zijn huis, verbonden;

daar heeft ze God beproefd en, als

het goud, hem weerd gevonden.

o Kinders, volgt uw' moeder na,

zoo zij was, tracht te wezen

godvruchtig, neerstig, eerbaar, kloek

in 't hopen; en, na dezen,

zoo zult gij haar aanschouwen in

Gods huis, niet meer in 't lijden,

maar eeuwiglijk, met al die haar

beminden, in 't verblijden.

CLVIII

B.S.

1891

Te midwege op de levensbaan

zoo vroeg reeds mogen binnengaan

in 't eeuwig, 't ander leven;

wie 'n zou niet, om zoo schoon een kans,

een honderdjarig leven gansch

en geheel ten besten geven!

CLIX

N.

1891

Een jong man kan,

een oud man zal,

als alles moet begeven,

dat rechte staat,

dat vaste staat,

dat leeft of schijnt te leven.

CLX

V.H.

1892

Vaartwel, Vincent! In 't ander leven

zal God u loon naar werken geven,

terwijl wij hier nog lange jaren

't geheugen van uw' deugd bewaren.

Zoo gij waart zijnder weinig, heden;

zoo vol van eere en dienstbaarheden;

getrouwe uw' meesters, en uw leven

bereid voor hen in pand te geven!

Zoo diendet gij, en, vriend van allen,

zoo zijt gij ons en elk ontvallen!

Vaarwel, nog eens! En, moge 't wezen

dat wij u zien verblijd nadezen,

waar God eens zal aan groot- en kleenen

hem zelve als hoogsten loon verleenen.

CLXI

C. PH. S.

1892

Ach, vier onnoozele schaapkens, 'k laat

u moederloos in 't leven;

wie zalder nu, zoo moeder deed,

u hulpe en bijstand geven?

g'Hebt vader nog, die mij bemint,

die u bemint te gader;

weest Gij, o God, weest hem en hun

een toevlucht en een vader!

o Kinderkens, o vader lief,

vaartwel nu; eens na dezen

zal 't eeuwig, eeuwig blijdschap zijn,

zal 't altijd samen wezen!

CLXII

O.V.M.

1892

Geliefden, die ik achterlate

in eere en deugd getogen,

zoo veel 't een' Moeder machtig was

met God en al heur pogen;

gedenkt hoe ik geleden heb;

hoe, dag en nacht gedwongen

en eindelinge eens ben losgerocht

en 's werelds leed ontsprongen!

't Verheugt mij nu, veel meer als ooit

het leed mij kon doen lijden,

't oneindig onverstaanbaar zijn

van 's hemels hoog verblijden.

Vaartwel dan. 't Gene ik trachtte in u

te stichten, blijve 't wezen

en wassen, tot zijn' volheid, in

elk een van u, nadezen!

En, leedt gij, waar' 't zoo vele als ik,

blijft, vaste en onbewogen,

uw' Vader en uw' Moeder weerd,

naar 't eeuwig welzijn pogen!

AANTEEKENINGEN.

De bovenstaande _zielgedichtjes_, op twee of drie naar, wierden gedrukt

op doodbeeldekens, en uitgedeeld in de kerke, ter nagedachtenisse van

gekende overledenen.

Het gebruik van lijkbeeldekens, -- doodsantjes (dood-_Sanctjes_),

doodsentjes, doodsintjes, rouwzantjes, rouwzentjes, rouwzintjes,

zarkskes, zerkskes, bidprentjes, gedachtenissen, suffragetjes,

briefkens, texten heet men ze ook, -- wierd ingevoerd onder het "heilig

ende zalig gedacht" dat de _diptycha_, de _obituaria_, de doodboeken, de

grafzerken, en andere gedenkteekens van overledenen, ten gronde ligt.

Gelijk de _diptycha_ vindt men de doodprentjes bij streken op den autaar

liggen, bijvoorbeeld tot Neuss, in Westfalenland; tot Iper, tot Gent en

elders heet men ze, als of 't afgedrukte zerksteenen waren, _zerkskes_,

_zarkskes_.

Gelijk de boeken, de boekversierselen en de heiligenbeeldekens, zoo

wierden eertijds de doodsantjes met der hand _gescreven_, zoo men zei,

dat is _geschilderd_. De achtbare Vrouwe E. Van Steenkiste-Van der

Meersch, tot Brugge, bezit, onder menige andere, een doodprentje dat op

pergament geschilderd wierd, ter nagedachtenisse van zaliger Mijn

Hoogweerdigsten Heer _Humbert-Wilhelm a Precipiano_, Aartsbisschop van

Mechelen, overleden op den 10 Junij 1711.

De naaste doodprentjes, van ouderdoms wegen, zijn van geëtste,

gestekene of gesnedene platen gedrukt; de twee oudste die men kent zijn,

't eene, van den 9 Mei 1755, 't andere van den 5 Januarij 1759. Z. _Rond

den Heerd_, 1876, bl. 68 en 72.

De gedrukte doodprentjes van meer als honderd jaar oud zijn meest al

Hollandsche en, onder andere, van den volgenden inhoud:

1. "Bid voor de ziel van zaliger de Heer _Louis Michel_, overleden den

16den December, 1758, in Amsterdam."

2. "Bid voor de ziel van zaliger den Heer _Willem van Brienen_.

Overleden den 26sten Januarij MDCCLXX, in Amsterdam. _Requiescat in

pace_."

3. "Bidt voor de ziel van zaliger _Barent Woortman_, overleden den 26

May 1775, in Amsterdam. Heere, geeft hem de eeuwige Rust. Amen."

4. "Bidt voor de ziel van zaliger _Jacques Joseph de Pret_. Overleden

den 28 July 1784, in Antwerpen."

5. "Bidt voor de ziel van zaliger vrouwe Cornelia Carolina Josepha _De

Bosschaert_, geboore De Pret, overlede den 20 February 1789, in

Antwerpen. R.I.P."

6. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Joanna Josepha Vermoelen_,

geboore De Pret. Overlede den 22 Mey 1789, in Antwerpen. R.I.P."

7. "Bid voor de ziele van zaliger den Heere _Arnoldus Franciscus

Josephus Bruno De Pret_. Overleden den 1 Augusti 1797, R.I.P."

8. "Bid voor de ziel van vrouwe _Maria Theresia Josepha Moretus_,

geboren Borrekens. Overleden 5 Mey 1797. R.I.P."

9. "Bid voor de ziel van zaliger vrouwe _Maria Agnes Michel_,

Douariere van zaliger den Heer Jean Philip Gilles. Overleden 31

January 1800, in Amsterdam. R.I.P."

Het zij bemerkt dat M'Her _Louis Michel_ (nº 1) de vader was van _Maria

Agnes Michel_ (nº 9), vrouwe van M'Her _Jan Philip Gillès_, overleden t'

Amsterdam 31 Jan. 1800. M'Her _Louis Gillès-de Pret_, zoon van M'Her

_Jan Philips Gillès_, (Amsterdam 22 Nov. 1761 † Hove bij Antwerpen 22

Nov. 1811), was de vader van M'Her _Louis Baron Gillès de Pélichy-de

Pélichy_, (Antwerpen 25 Junij 1798 † 29 April 1876), begraven tot

Iseghem 3 Mei 1876; wiens zoon M'Her _Alexander Baron Gilles Pélichy

van Caloen_, geboren tot Antwerpen 17 Dec. 1845, heden ten dage het

adellijk slot _het Blauwhuis_ bewoont, tot Iseghem. Zie bl. 42, het stuk

_Gouden Roozen_.

Mevrouwe Gillès de Pret, van Antwerpen, liet, in de jaren 1790 twee

prentjes drukken ter zaliger gedachtenisse van Louis XVI en van

Marie-Antoinette; ze worden bewaard in de huiscapelle van Alexander

Baron Gillès de Pélichy-Van Caloen.

Over Antwerpen kwamen de doodprentjes uit Holland naar Vlanderen;

Joufvrouw Marie Therese van Veldriel, van Antwerpen, liet prentjes

drukken voor haren echtgenoot, Heer Dominicus Vercruysse, overleden te

Kortrijk op den 28 Mei 1805; daar wierden er gedrukt voor haren

schoonzoon, Heer Saveris Vercruysse, overleden tot Kortrijk op den 13

December 1805; en eindelijk ook voor haar, wanneer zij kwam te

overlijden, tot Kortrijk, op den 7 Feb. 1807.

Tot Brugge wierden er doodprentjes gedrukt ter zaliger gedachtenisse van

pastor _Jacop Wielmaecker_, van de Potterye, schielijk overleden 12

Maarte 1814; "van den overleden Eerweêrden en Edelen Heer _Charles De

Schietere Caprycke_, die zijn levensloop heeft besteed tot zaligheyd der

zielen en de onderwyzinge der jeugd der stad Brugge. Geboren den 22

September 1762. Priester gewyd ten jare 1787. Ende gestigt heeft eene

algemeyne Zondagschoole tot onderwys, zoo voor het geestelyk als tydelyk

van boven de 1400 arme en behoeftige kinderen van beyde geslagten...

Gestorven den 18 July 1815, in den ouderdom van 52 jaren."

Op een ander prentje van dien tijd staat er: "Naer alles verlaeten te

hebben, heeft hij Hem (Jesum) gevolgd. Matth. _P. Desiderius Van Huerne_

van edele ouders gebooren den 11n February 1780, te Brugge in

Vlaenderen. Naer zyne studien zoo tot Douay als tot Loven voltrokken te

hebben, is nae Pollockx in wit Rusland vertrokken, en aldaer in de

Societeyt Jesu aengenomen en tot Oswalda den 25 April 1816, nog geen

priester zijnde, overleden. R.I.P."

't Oudste doodsantje dat op een landsche parochie spreekt, in de beide

Vlanderen, is dat "van den hoog edelen Heer

Philippus-Josephus-Maria-Ludovicus-Gislenus _graeve de Croix en van

Moen_, Baron van Wynghene, heer van Dadizeele en Moorslede, etc. etc.

Overleden te Dadizeele, den 4 Januarius 1820, in den ouderdom van 46

jaren en 6 maanden. R.I.P. God en de menschen aengenaem, wiens

gedagtenis is in zegening. Eccli, C. 45, VI."

Tot in 't jaar 1830 en was 't maar voor de priesters en voor de leden

van de aanzienlijkste geslachten dat men doodprentjes uitdeelde: dertig,

veertig, vijftig ten hoogsten, en ter gelegentheid van groote

uitveerden. Later is 't gebruik algemeender geworden, zoo nochtans dat

het uitdeelen van doodprentjes nog altijd blijft gelden als een teeken

van welhebbende treffelijkheid.

De vroegste doodprentjes zijn op pergament gedrukt. Tot in 't j. 1830

gaf men nog pergamenten beeldekens aan de naaste en beste vrienden,

papierene aan iedereen. Die op geglansd papier gedrukt zijn komen

doorgaans uit Oostende, uit Luik of uit Antwerpen.

Op den eenen kant van het doodbeeldeken pleegt een _Sanct_, een

_Sanctje_, een Heilige, of wel eenen schets uit het heilig Schrift

verbeeld te staan; de kwade smaak van Parijs heerschte over die

verbeeldingen, van t' halven de jaren 1830 tot 1860, wanneer de zucht

naar eigen schoon opkwam en wederom begon de overhand te krijgen.

In steê van Santen en Santinnen, enz., vindt men ook verbeeldingen van

de kerke waar de overledene geuit wierd, ofwel 't beeld van den

overledene zelve, 't zij in druk, 't zij in lichtprente nagetrokken.

Op den anderen, op den _aarkant_ van 't beeldeken staat soms een

zerksteen uitgeprent, met de vier Evangelistenteekens op de hoeken; soms

eene kruisgedaantige lijste, soms eene andere. Binnen in die lijste, of

ook ongelijst, staat de zoo gezeide _text_.

De oudste texten vragen eenvoudiglijk, zonder eenige aanhalinge uit de

Schrifture, een gebed voor zaliger zulk of zoo eenen, die overleed...

enz. Later wordt daar eene schriftuurplaatse, in 't latijn en in de

volkstale, bijgevoegd, b.v.: _Timenti Dominum bene erit in extremis._

Die den Heere vreest zal wel vaeren in zijn uytersten."

Naast het vermeerderd, dikwijls kraafsch en ongepast aanhalen der

Schrifture, enz. is, sedert 1870, het bijvoegen van eenen gedeeltelijken

stam- of geslachtsboom in zwang gekomen, dat eene verbeteringe is.

In Brabant zet men den begraafdag, de zielmissen, en meer andere

inlichtingen, op de doodsantjes. Wat de prenten betreft, ze zijn

onderworpen aan de goedkeuringe van kanonik Reusens, en Zijne

Hoogweerdigheid de Aartsbisschop heeft daarover eenen herderlijken brief

doen lezen in al de kerken van 't Mechelsche.

Voor Heere ende Meester Jan Frans De Broyer, S.T.L., geboortig van

Buysinghen, bij Halle, en overleden, Pastor zijnde van Moorsel bij

Aelst, op den 25 April 1830, wierd een doodprentje gedicht op rijm, en

't is het eerste van dien aard dat in eene kostelijke en wel vertierde

verzamelinge van meer als 100.000 stuks te vinden is.

Dit _zielgedichtje_ luidt als volgt:

Stae leêzer!... onder deézen zerk

Ligt 't puyk der Priest'ren van Gods kerk,

Die godsgeleerdheyd gantsch had ingeswolgen:

Wiens slissing, in het zeden-vak,

Hoe zeer het ook vol spitsen stak,

Den bleeken angsteling gerust mogt volgen

Maer ah!... die zuyl, die hemel-spoór,

Die _weldaed_ noyt uyt 't oog verloór,

Is 't haestig nog van d'aerd geweéken,

Gy, die hem altyd hebt bemind,

Wil voór de ziel van uwen vriend

Een woord by God ten besten spreeken.

Later maakte de eerweerde Heer D. Cracco, leeraar in 't kleen seminarie

tot Rousselaere (en dichter van 't voorgaande?) dit volgend berijmd

doodsantje:

Wees gedachtig de ziel van _Amandus Bral_, geboren te Thielt den 17

April 1814, overleéden in het kleyn Seminarie te Rousselaere den 20

Junius 1833.

O ydelheyd der ydelheden!

Hoe broos is alles hier beneden!

O jongeling, wat is uw roem?

Uw jeugd gelykt de teere bloem.

Een killen mist komt opgevaeren,

En drukt de purperroode blaêren

Der bloem, die frisch ontloóken staet:

En zy verslenst, valt neêr, vergaet.

Zoo viel voor Bral den bloey van 't leéven!

Doch 't dierbaerste is hem bygebleéven,

De Deugd, zyn liefste hertsvriendin.

Met haer trad hy den hemel in.

Twee jaar daarna wierden de zelfste rijmreken, op weinige woorden na,

toegepast op een ander, aldus:

"Bid voor de ziel van d'Heer _Petrus Raymondus Lefevere_, geboóren te

Rousselaere den 6 Mey, en aldaer overleden den 25 Maerte 1835.

O ydelheyd der ydelheden!

Hoe broos is alles hier beneden!

O jongeling, wat is uw roem?

Uw jeugd gelykt de teere bloem.

Een killen mist koómt opgevaeren,

En drukt de purperroode blaeren

Der bloem, die frisch ontloken staet;

En zy verslenst, valt neer, vergaet.

Zoo viel Lefevers bloey van 't leéven!

Maer 't dierbaerste is hem bygebleéven,

De Deugd, zyn liefste hertsvriendin,

Met haer treéd hy den hemel in."

Het volgende is waarschijnelijk van de zelfste hand:

Gedagtenis van den deugdzaemen jongeling _Henricus Josephus Van Hecke_,

leerling der grammatica in het Kleyn Seminarie te Rousselaere,

overleéden te Beveren, zyne geboórte-plaets, in den ouderdom van 21

jaeren.

O jongheyd, die dit leést, denk toch een wyl op hem,

Die t' saem met ons de vrugt der schoone lett'ren plukte,

De wysheyd leerde door de zelve vaderstem,

Maer wien de dood te vroeg aen onze schoól ontrukte.

Van iedereen geliefd, in 't midden zyner jeugd,

Viel hij als eene bloem gescheurd van haeren stengel.

Doch neen! hy was reeds rijp; en zagtjens trok Gods engel

Hem van deéze aerde, en bragt hem in des hemels vreugd.

Nog een leerling van 't kleen Seminarie te Rousselaere maakte, twee jaar

later, liggende op zijn sterfbedde, zijn eigen zielgedichtje. 't Was

Désiré de broeder van zaliger den eerweerden Heer De Corte; hij stierf

tot Sint-Lievens Hautem, zijn geboortedorp, op den 21 Januarij 1837, oud

21 jaar. Zijn doodprentje luidt aldus:

"'t Ellendig vleesch alleen kan sterven:

De ziel schiep God voor de eeuwigheyd;

Voor haer heeft hy dit goed bereyd,

Dit hemelsch goed, dat haer de dood doet erven.

Zeg dan, o dood, waer is uw strael?

Waer is, o dood, uw zegeprael,

Daer gy my doet een eeuwig goed verwerven?"

Het gebruik van doodsantjes te laten drukken, van ze uit te deelen binst

het ten offeren gaan, van ze in de kerke rond te geven, van ze ten huize

te doen bestellen, voor of na de begravinge, enz. is uit de Nederlanden

overgegaan naar Engeland, Duitschland, Vrankrijk, America, Italien,

Polen, en misschien nog andere landen.

Buiten het nut dat het uitdeelen van doodprentjes heeft, wanneer men 't

beschouwt als een werk van liefdadige en stichtelijke godvruchtigheid,

kan eene goede verzamelinge zulker gedrukte oorkondschepen alleszins te

passe komen bij de lieden die taalgeleerdheid, namenkunde,

geslachtkunde, gouwspraakkunde betrachtende zijn.

Tot bewijs van dit zeggen dient het gebeurde op den koopdag van zaliger

K. Kanonik De Ridder, overleden tot Mechelen in 't jaar 1876. Op dien

koopdag immers zijn 2500 doodsantjes van overledene Priesters uit het

Mechelsche 65 fr. toegeslegen; 2500 van Priesters buiten 't Mechelsche

60 fr.; 2150 van Edelliên 55 fr. Onder de gadinghebbenden was de zeer

eerweerde Heer K. Kanonik Reusens, die hoogde voor de boekenkamer van de

hoogschole tot Leuven.

Voor de bovenstaande inlichtingen blijve ik allen dank schuldig aan de

dienstveerdige bereidwilligheid van den eerweerden Heer Leopold Slosse,

Pastor van Coyghem, den eigenaar en den kundigen zanter van de meer als

100,000 zerkskes of doodbeeldekens, waarvan hooger sprake was.

INHOUD.

Kerkhofblommen

Zoo daar ooit

't Was de ure dat

Traagzaam trekt

_De profundis!_

Dood was de stam

Ha! beklaagt hem

Kwade dag

Ten paradijze

Lijkrede

Bezoek bij 't graf

Nog eens

Jaargetijde

Het Kruis

Uit het Italiaansch

_R.I.P._

Het kindeke van de dood

Gouden Roozen

Zielgedichtjes

Alfons Danneels

Pius IX

Ridder Alfons Loosveldt

F.A.J. Baron Bethune

Eerw. H. Dhoop

Hendrik Conscience

L.E. Vanderghinste

De Moeder van P. Benoit

Deken L.-L. De Bo

Eerw. H. Victor Van Coillie

Eerw. P. Ameet Vyncke

Eerw. H. Emile De Monie

Hoogw. H. D.P.A. De Haerne

Eerw. zuster overste M. Stanislas

Eerw. H. Pastor Busschaert

Aanteekeningen

_Bij L. J VEEN te Amsterdam verscheen:_

GUIDO GEZELLE'S

DICHTWERKEN

10 deelen ingenaaid _fl_ 10. -- 8 deelen gebonden _fl_ 14.--

De uitgave bevat: Dichtoefeningen. -- Kerkhofblommen. -- Gedichten,

Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes. -- Liederen, Eerdichten et

Reliqua. -- Tijdkrans, (2 deelen). -- Rijmsnoer, (2 deelen).

--Hiawadha's Lied. -- Laatste Verzen. -- De Bandteekening is van ALFRED

VAN NESTE.

Afzonderlijk kost deze uitgave deel 1, 2, 3, 4, 9 en 10 à _fl_ 1.90

ing., _fl_ 2.50 gebonden, 5, 6, 7 en 8 à _fl_ 2.90 ingen., _fl_ 3.50

geb.

In de Belg. Ed. zijn nog verkrijgbaar: Dichtoefeningen,

--Kerkhofblommen, -- Gedichten, Gezangen en Gebeden, Kleengedichtjes,

--Liederen, Eerdichten et Reliqua

à _fl_ 1.50 per deel ingenaaid, _fl_ 1.90 gebonden.

Tijdkrans, -- Rijmsnoer à _fl_ 2.50 per deel ing., _fl_ 2.90 geb.

* * * * *

Guido Gezelle, Verzen, Pracht-Editie (bijna uitverkocht) _fl_ 25.--

Guido Gezelle, Bloemlezing, samengesteld door Dr. J. Aleida Nijland, 3e

verbeterde druk, ingen. _fl_ 0.90, gebonden _fl_ 1.25

Guido Gezelle, Motto-Album, met versieringen van Julius de Praetere.

Prijs geb. in linnen _fl_ 1.50, geb. in leer, _fl_ 1.90

Guido Gezelle, Scheurkalender voor 1906, Prijs _fl_ 0.90

Guido Gezelle, Kleengedichtjes, Eerste en Tweede bundel. Prijs per

bundel ingenaaid _fl_ 0.25, gebonden _fl_ 0.50

Kerkhofblommen · 第 6 / 6 段