Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten;

om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt,

te rijzen boven 't stof der menschelijke staten,

en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt.

Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden,

o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan.

Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden,

en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan!

LXVII

R.F.D.

1882

't Geweld des waters kwam tot in

mijn huis, en al de banden

des lichaams voelde ik, neergeveld,

hoe ze, een voor een, ontspanden!

Geen hope op medicinen meer,

geen hulpe in 's menschen krachten!

van U alleen bleef hulpe, o God,

bleef alles af te wachten.

Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg

en lag in mijne woorden,

omdat ik zelf, mijn hert, mijn al,

van jongs U toebehoorden,

die eerst mij dedet hopen, en

die, op den dag van heden,

getrouwig liet uw huis en erf

mij zalig binnentreden.

Een ander water vloeit alhier,

en blijdt het huis des Heeren:

Gij zelve zijt die Levensbron,

en, mocht ik wederkeeren,

'k en kwam maar om de liefste, die 'k

op de aarde liet, te manen:

Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet,

noch 's Hemels rechte banen!

LXVIII

F.M.V.

1882

Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien

heeft mij de hand van God verleend en toegegeven

al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien,

van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven.

Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet,

dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven!

Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet,

en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven!

Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat,

die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven,

ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat

van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven!

o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt

dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven,

die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt,

en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven!

LXIX

H.L.V.

1882

o Schoone onnoozelheid

waar zijt gij nog te vinden,

of tref ik nievers meer

uw aanschijn? Inderdaad,

zijt gij voor goed verhuisd,

of door de felle winden

des werelds afgeroofd

uw deugdelijk sieraad?

Daar dook nog eene, eilaas,

zorgvuldig weggescholen;

daar wist ik en daar ging

ze ik wondren, nu en dan;

en ziet, daar is ze voort,

door de Engelen gestolen

en in den Hemel, eer

ooit wereld wist ervan!

Vaarwel, en laat ons al

voortaan in d'hoogten schouwen,

om troost, bij al het kwaad

dat deze wereld krenkt;

een vasten voet daarheen

en vaste blikken hou'en,

waar gij uwe oud'ren, kind,

en uwe vrienden wenkt!

LXX

E.I.V.D.B.

1882

Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen

dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos,

terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen,

het willen Gods verzaakte en satans willen koos.

Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten,

zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed;

men kent geen artsenij die heur vergif kan baten,

men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet!

Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader

den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet,

ons wedergeven zal in d'handen van den Vader,

dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed.

Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven

naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan,

opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven

en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan!

LXXI

K.C.S.

1882

Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert,

hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand,

die heet men helden, die vereert men, en bewondert:

voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland.

Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten,

die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid

te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten,

niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht?

't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen

hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet,

of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen,

verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet!

LXXII

M.T.D.

1883

Vergeet ze niet

die, al heur leven,

is God en plicht

getrouw gebleven:

die man en kind,

die maag en vriend

tot voorbeeld heeft

en troost gediend;

die moe gevrocht,

die moe geleden,

een beter land

is ingetreden,

alwaar zij u,

vergeet ze niet

en bidt voor haar,

eens wederziet!

LXXIII

J.M.

1883

Het water heeft mijn ziel gered,

wanneer ik, kind geboren,

door Vader Adams schuld belet,

het leven had verloren.

Het water heeft mijn lijf ontsteld

en lang heb ik geleden,

tot dat het, bij een laatst geweld,

is in mijn hert getreden.

Ik ga verzinken! Laat, o God,

uw helpend woord verschijnen:

de hand mij vat: op uw gebod

zal al 't gevaar verdwijnen!

God hielp mij, in den nood, en ziet,

zijn hand gebood de baren

met mij en mijn betrouwen niet

den afgrond in te varen.

De have blinkt, het kruis komt mij

van verre al tegenstralen:

ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij

voor eeuwig zegepralen!

LXXIV

O.B.

1883

Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven,

voor haren man, voor iedereen

die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven

van zeden, al van kindsgebeen!

Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden,

des morgens vroeg, en 't zonopstaan

voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden,

naar wien zij is te gast gegaan.

Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten

en was 't te vroeg, en was 't te laat:

dat God wilt, dat alleen was heur verwachten;

dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't

in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden,

zij stervend zei: "Uw wil geschied'

als in den hemel op de aarden!" Heden,

is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet!

Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend

dat sterven erven is, voorwaar,

en vrijgevochten zijn van 't alberoovend,

van 't albedervend zielgevaar.

Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden

dat zij en man, en vriend, en al,

die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden,

daar, en voor goed, herkennen zal.

Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen,

't en zij van God, en van misschien

een vriend of twee, onvalsch, die weenen

omtrent uw graf. -- Tot wederzien!

LXXV

A.L.W.

1883

De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren;

't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren

en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid,

dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid!

o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten,

daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten:

maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt,

en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt!

o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten?

Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten,

en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel,

vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel!

LXXVI

E.D.

1883

Elodietje, moe geleden,

moe gepijnd en moe gestreden,

is te ruste, 't slaapt voortaan.

't Maagdenblomke, 't fijn van blaren,

heeft gebloeid hier, twintig jaren,

en 't is weêr tot God gegaan!

Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend,

zijn twee oogskes nederig dekkend,

wit als was, en, om te zien,

lachend, zoo het loech, nog heden,

als 't, in al zijn' lieflijkheden,

stierf! Of leeft het nog misschien?

Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen,

heeft het God, geheel herschapen,

en zijn eigen beeld, vol eer',

ongeschonden, weêrgenomen,

zoo 't in hem was neêrgekomen,

toen Hij 't schiep, den eersten keer!

Ach, onsterflijk beeld, staat binnen

ons gemoed en onze zinnen;

dat, aan iedereen bekend,

't maagdenblomkens uitverkoren,

edel voorbeeld, onverloren

blijve, in onze ziel geprent!

LXXVII

F.D.C.

1883

Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken

en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken,

en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak,

't zij wien zijn ruwe deugd ooit meê- of tegenstak.

Hij diende. Diende God in al die hem geboden,

maar anders geen van al de valsche wereldgoden

en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind,

zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind,

getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden.

Die één uit honderd was, hij komt dan te overlijden!

God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al

die leefden de ure slaat dat elk herleven zal,

dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen:

Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen,

dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien,

en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien.

LXXVIII

J.F.R.

1883

't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven,

't en zij om God, met winste weêr te geven

hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer

van sterven af te wachten van den Heer?

Ik was bereid om, op het eerste manen,

met licht in d'hand, kloekmoedig meê te gaan, en,

zoo Jesus deed, na lijden fel en groot,

de hemelvaart te winnen, door de Dood.

Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden,

hebbe ik het licht des levens weêrgevonden;

en, nu dat ik gestorven ben, o Heer,

en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer!

LXXIX

HENDRIK CONSCIENCE

3 Dec. 1812 † 10 Sept. 1883.

Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer;

God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was,

omstraalde Vlanderland -- hoe prachtig! -- het geschemer

van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas,

het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend,

ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf!

Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend,

aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf.

Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen

weêr in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank,

zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen,

van aardsche krankheid of geleden menschendwang!

Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weêrgegeven,

aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag;

en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven,

die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag!

LXXX

C.D.S.

1883

De mensch en weet vandage niet

wat morgen hem kan bringen,

noch hoe, noch waar de felle dood

hem in den weg zal springen.

Gevreesde dood, hoe onbereid

moet gij er velen treffen,

die sterven, en wat sterven is

ach, nauwlijks en beseffen!

Zij wist en zij besief het wel,

die trachtte alzoo te leven

dat zij 't vermaan niet vreezen moest

dat haar de dood zou geven.

Zij stierf gerust, lijk iemand die,

bescheed in korte stonden,

heeft, vragend, naar het Vaderland

den rechten weg gevonden!

LXXXI

M.K.D.

1883

Getuige van voorleden dagen,

voorleden deugden dank en trouw,

heeft ze altijd hoog den moed gedragen

en God gezocht, de eerweerde vrouw.

Zij zag heur kindren eerlijk groeien,

en 't kind van kinde aanzijds heur bloeien;

en zocht geen rijkdoms wankelend goed:

zij zocht alleen dat 't vinden weerd is,

dat minst gezocht, dat minst begeerd is,

dat eeuwig wel en rijk zijn doet.

Dat zocht zij lange: Op 't laatst, gevonden,

weêrklonk het woord, en, losgebonden,

zoo sprong de ziele, kiste en graf

ontvlucht, heur oude ketens af.

LXXXII

C.M.D.H.

1883

Hoe hooge en schoon

zij blad en kroon,

hoe vol van levenskrachten;

hoe fel gegroeid,

hoe blij gebloeid,

en wilt het al niet achten!

het keeren van

den zomer kan

doen sterven en doen vallen

het jongste schoon,

de blijdste kroon,

de vroegste jeugd van allen!

Gij hebt, o Heer,

nog vooraleer

zij vallen zou, gevangen

heur schoone ziel,

en, eer ze viel,

bleef ze in uw handen hangen!

LXXXIII

P.J.S.

1883

Hoe menig boom heeft zijne hand

gekort, gezaagd, in Vlanderland,

en nu ligt hij, een roerloos lijk,

in berd gekleed, op 't aarderijk!

Hoe menig wiel, hoe menig rad

van hem zijne rechte rondheid had,

die 't hebben moest, om voort te gaan:

het wielt rolt nog, de man bleef staan.

Hoe menig stoot, hoe menig slag

en gaf hij niet, bij nacht en dag,

die neerstige, onvermoeide man,

die nu geen hand meer roeren 'n kan!

Hij wist het wel, en wakker zocht

hij God alleen, in 't geen hij wrocht:

zoo werkend heeft hij lang gestaan,

zoo stervend heeft hij loon ontvaan.

LXXXIV

L.C.

1884

Zoo wordt het goud, in 't scherp geweld

des viers, geproefd en vrijgekweld

van alles dat bederfenis

omtrent hem, en geen goud en is.

Zoo wordt de mensch, -- gelukkig hij

die 't wel verstaat! -- ten allen tij,

nu meer, nu min, in 't vier bedroefd

der kwellinge, en van God geproefd.

Hoe klaar en moet de ziel niet zijn,

die, losgemergeld door de pijn,

die uitgeleden, uitgeteerd,

wordt eindlijk Gods aanschouwen weerd!

Zoo waart gij, Leo, lijdend hier

zachtmoediglijk uw vagevier,

waardoor gij, uwe maat gevuld,

nu blinkt en eeuwig blinken zult!

LXXXV

C.T.

1884

"Uwe ooge, is 't dat ze eenvoudig zij

van inzicht, al uw leven

zal klaar zijn als uwe ooge, en vrij

van zonden": 't staat geschreven.

Geen duisternis, geen doling dan,

al waart gij blind van oogen,

geen valschheid die den weg u kan

verzeggen of mistoogen.

Eenvoudig was zij, herte en al,

van in heur jongste jaren;

en, kwam heur leven 't ongeval

des blinden dags bezwaren,

ze 'n doolde noch ze 'n faalde niet,

in 't zoeken van de waarheid;

zij vond hetgeen zij eeuwig ziet

nu, hopen wij: Gods klaarheid!

LXXXVI

R.A.H.

1884

Dat haar brave ziele in vreden

ruste, en in alle eeuwigheden

God geniete, los en vrij

van des lichaams heerschappij.

Vreedzaam en eenvoudig leven,

elk ende een het zijne geven,

God vooral, tot tenden toe,

dat en wierd zij nimmer moe.

Moe geleden was ze, en zeker

dat de dood, de bandenbreker,

komen zou, en traagskens kwam

om heur laatste levensvlam!

Rust en vrede vroeg zij, vragend,

maar den uitstel niet beklagend;

ja, met liefde leed zij hier,

een langdurig vagevier!

LXXXVII

L.E. VANDERGHINSTE

1884

O stil en zwijgend graf,

wien hebt gij ons gestolen?

Hoe! stemloos hem in uwen schoot geleid,

en aan de rust bevolen,

wiens ziele rusteloos,

placht onze ziel te dragen,

met klank en stem,

tot vóór den troon van Gods aanbidlijkheid!

Geeft weer, o graf, geeft weer,

hetgeen wij biddend vragen:

geeft weer ons zijne kunst,

zijn hert: o, al dat hij

verhoopte, geeft het ons

en hem; en dat het zij,

door God, bevrijd voortaan, o dood, van uwe slagen!

LXXXVIII

M.J.J.R.

1884

Waarom en toefde 't niet,

't zoo rijk begaafde,

't zoo liefdeweerd, 't zoo liefdewinnend hert,

dat ons en aller herten laafde

met blijdschap eens, en nu eilaas, met bittre smert?

Waarom en toefde 't niet,

om groot te groeien,

om blij te zijn, om elk te maken blij?

Wat baat het, nog zoo snel te bloeien,

zoo niet de rijpe kroon de vrucht des bloeiens zij!

Het kind was rijpe alreê

voor klaardere oogen

als die des menschdoms, stedevast op de aard:

wilt, ouders, wilt uw tranen droogen,

en kijkt, daar wacht het u, en kijkt ten hemelwaard!

LXXXIX

M.L.D.S.

1884

'n Betrouwt de jongde niet van uw gezonde dagen,

die mij nu ziet gekist en dood naar 't kerkhof dragen;

'n betrouwt ze niet, die, licht dit leven ingegaan,

de dood, de zek're dood uit hun gedachten slaan,

en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden!

De schuld behoort elk eerst in zijn gedacht te houden

die onbetaalbaar is, die niemand delgen kan

dan met zijn eigne dood, en al 't gevolg daarvan!

'k Geloofde, ik hoopte in Hem, en ik beminde Dezen,

die nu alleen mij troost kan, hulpe en bijstand wezen;

Hem die gezeid heeft, en, verrijzend met der daad

bewezen, dat de dood in zijn geboden staat.

o Helpt mij allen Hem nu zijn genade ontwerven;

en leert, die leeft, ook eens, zoo ik deed, wel te sterven:

de kunste is 't leeren weerd van 't gene elk eenmaal doet,

en, wel- of misgedaan, 't gene eeuwig blijven moet!

XC

A.A.T.

1884

Braaf kind van twee brave ouders,

God nam van uwe schouders

den last des lijdens af;

de korte baan des levens

schaars in, en gij daarnevens

gevallen ligt in 't graf!

Wie zalder om u klagen,

die in zoo korte dagen

gewonnen hebt de poort,

terwijl wijlieden moeten

nog buigen lange en boeten,

en strijden immer voort?

De poort, ach, zijt gij heden

des tempels ingetreden;

daar bidt voor ons en beidt,

tot dat wij winnen mogen,

den tempel ingetogen,

de kroon ons toebereid!

XCI

O.S.D.V.

1884

Zij gingen hand in hand, gevolgd van hunne kinderen,

te kerk, te werk, voor God en mensch malkaar gelijk;

en 't scheen dien blijden tronk geen storm en kon behinderen,

geen ramp hem dere doen, als onvoorziens een lijk,

een lijk ter aarde daalt, en man- en kindertranen

den lof van Moeder doen weêrspiegelen in hun wee,

die, onvermoeibaar eens, den voorweg plag te banen,

en 't schip te helpen door de booze wereldzee!

Zij stierf! Zij laat ons na geen schat dien menschen rooven,

geen goud, dat kostlijk is, maar veel meer weerden oest,

maar veel meer weerden schat van goedewerkenschooven,

dien God, in de eeuwigheid, beveiligt voor den roest.

XCII

A.C.B.

1884

De wereld wist van hem noch goed noch kwaad te melden;

zijne ouders, die alleen zijn' jonge jaren telden,

bewaarden zijne ziel, niet zonder vrees voorwaar,

voor 't menigvuldig wee van 's werelds zielgevaar.

Zou hij, was hun gedacht, den schoonen hemel binnen,

de plaats hem voorbereid eens na dit leven winnen?

Zou hij, na onze dood, godsdienstig tot den end,

de kroone hebben, aan geen ander toegekend?

Zou hij... Maar schielijk is de draad kort afgebroken,

die hem aan 't leven bond; zijne oogen zijn geloken,

eer ze ooit het valsch gelaat des werelds schouwden aan,

en nauwlijks uitgezet is hij zoo ver gegaan

ter reis, dat hem geen macht des vijands achterhalen,

geen list des werelds meer kan uit de baan doen dwalen,

geen schâ meer deren noch geen tijd begrenzen. Dan,

God hebbe u, kind, al breekt ons ouderherte ervan!

XCIII

M.L.C.

1885

o Kind van Maria, ten Hemel gevlogen,

genoeg hebt gij hier om uw kroone geleên,

en andren genoeg heeft de wereld bedrogen:

gij, gij hebt de wereld met voeten getreên!

o Kind van Maria, 't geluk van uwe ouders,

ons voorbeeld, onze eere, in uw schuldlooze deugd,

die nooit hebt gedoogd op uw maagdlijke schouders

het jok dat zoo velen aanveerden met vreugd!

o Kind van Maria, gelukkig hierboven,

vergeet niet, zoo bidden wij, dragende uw lijk,

dat wij, hier vereend om Maria te loven,

u volgen, van verre, naar 't hemelsche rijk.

Ach, helpt ons, bij Haar, die gij reeds mocht aanschouwen

om, vrij van de wereldsche boosheid, de baan

van 't ware geluk, zoo wij hopend betrouwen,

lijk gij, onbesmet, tot den einde te gaan.

XCIV

DE MOEDER VAN PIETER BENOIT.

1885

Als 't eeuw'ge voor den mensch begint,

wat is er lest en best bezind,

o gij, die 's werelds eeren

gemaaid hebt; gij, wiens naam, vermeld,

heel 't menschdom liep rondom gesneld,

zoo menig blijde keeren?

Ik stierf in vrede, hopende en

betrouwende, of 'k uw herte ken,

dat gij bestand waart tegen

des werelds dwang en dwingelandije,

des werelds gouden ketens, die

zoo lastig neerwaarts wegen!

Staat op, en volgt uw Moeder na,

van God begaafde zanger, ja

onsterflijke, en laat hooren

uw stemme eens, en vergeet dat niet

aan haar die zong uw wiegelied

in 's hemels blijde chooren!

XCV

A.A.

1885

Wie weet er Gods beschik,

Gods oordeel, Gods gedachten,

Gods Herte, oneindig goed,

al zijn bermhertigheid

te meten met de maat

en 't peil der menschenkrachten,

ten oordeele onbekwaam

en krank van onderscheid?

Aan wien heeft God, aan wien

die kwam naar hem te trachten,

't zij vroeg of late, aan wien

ooit zijn genade ontzeid?

Zoo bidt voor allen dan,

die, eens de dood gesmakend,

verschenen zijn voor Hem

die gaf zijn dierbaar Bloed

ten besten, opdat elk,

dit strijdperk uitgerakend,

eens kome in vrede, en erve

't alderhoogste goed!

Ja, bidt, en blijft, ook gij

die bidt, uwe ure wakend,

want niemand weet wanneer

of hoe hij sterven moet!

XCVI

C.E.D.D.

1885

Gelijk een kranke blom, die op den autaar staat,

daar leeft een korten tijd en dan te nieten gaat,

zoo blomde' en bloeidet gij,

eilaas, en 't is voorbij!

Gelijk een wassen keers, van leden blank en broos,

verrookend nederbrandt en lichtend leeft een poos,

zoo stondt en lichtet gij,

eilaas, en 't is voorbij!

Gelijk een wierookgraan, in 't blakend vier geschroeid,

een zoeten reuk verspreidt, en dan ten hemel spoeit,

zoo leedt en leefdet gij,

eilaas, en 't is voorbij!

o Zuivre maagdenblom, o licht vol deugdzaamheid,

o zoete wierookreuk, in 't brandend vier bereid,

alzoo verdiendet gij

dat ruste en vrede u zij!

XCVII

DEKEN L.-L. DE BO

27 Sept. 1826 † 25 Aug. 1885

Waarom het graf bedicht met vlaamsche of andere woorden,

waarom niet liever stil gezwegen en geweend,

als hij gestorven is en weg naar betere boorden,

dien God, te onlange eilaas aan Vlanderen heeft verleend.

De sprake is ons geroofd, de tonge is ons bezweken,

en zwijgen past nu best, als hem de taal begeeft,

die, leerende ons weleens, die woorden leerde spreken,

die hij zijn leven lang zoo wel verdedigd heeft.

Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren;

te horken was ons recht, onze eere en onze plicht,

naar hem, die zwijgend nu, de hand behoort des Heeren,

en, veel te vroeg eilaas, voor onze voeten ligt.

Waar zouden wij, 't is waar, 't zij einden 't zij beginnen

te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel?

Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen,

en leven in den glans van zijne groote ziel.

Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven

den levensdraad intween, die uwe hand ontvlood;

hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven,

van uwe schichten vrij, o overwonnen Dood!

XCVIII

L.L.

1885

De brave vrouw, de goede moeder

beklage niemand, want zij is,

vol deugden, naar den Deugdvergoeder

verhuisd, uit 's werelds wildernis.

Beklaagt den man, beklaagt de kinderen,

die, van heur hert, heur hand beroofd,

het licht huns levens zagen minderen,

en 't nu eilaas zien uitgedoofd.

Wie zal der weezen moeder wezen,

wie zal ze toeven, wie castien;

wie, onder duizende uitgelezen,

wie als een moeder geren zien?

o Vader, gij, die _Onzen Vader_

godvruchtig _in den Hemel_ dient,

staat vast en vreest niet: God is nader

als de aldernaaste boezemvriend!

XCIX

M.E.D.

1885

o Zuivre ziel, gelost uit 's werelds oude ellende,

wat liet gij ons bedroefd, niet in uw groot geluk;

maar, omdat nauwlijks een ooit nog zulk eene kende

als gij waart, daarom weent ons herte, en is 't in druk!

Gij waart een zoete troost voor ons, die weinig weten

wat troost is, in dit dal van tranen! God weet hoe

wij mochten 's zondags, soms een uur rond u gezeten,

den hemel smaken op deze aarde, slavens moe!

Gij zijt ons afgepakt, met ure en al! Te zamen

bezien wij nu malkaar, en vragen: Is dan ook

de troost der armen met geen beter' naam te namen

als ander tijdlijk goed: een schaduw en een rook?

Doch neen! Gij zijt daarheen daar schaduw is noch logen;

de kroone omspant uw hoofd; ge zijt ons voorgegaan:

wij volgen, volgen vast, en trachten, onbedrogen,

de baan te houden die ge ons wijst: de hemelbaan.

U daar, in ons gedacht, nog biddende aan te spreken,

te hooren en te zien, alsof gij bij ons waart,

zal troost zijn, is 't dat iets het scherpe zweerd kan breken,

dat in ons herte steekt, sinds uwe hemelvaart!

C

M.T.E.D.P.

1886

o Engelken, dat, weggevlogen,

hebt ons, eilaas, en al bedrogen

dat op uw' schoonheid hopen dierf:

in ons verlies hebt gij gewonnen,

maar wie zal ons nu troosten konnen?

Ons jongste, ons liefste meisken... 't stierf!

Komt dan gij zelve, o hemeldiefken,

komt weer bij ons, o zalig liefken,

en, schoon geen menschenooge u ziet,

laat op het kerkhof 't zielloos wezen,

dat gij ontgaan zijt en ontrezen,

en blijft bij ons, in ons verdriet!

CI

J.H.

1886

Zij was oprecht als edelsteen,

zoo zuiver, dat het wonder scheen

hoe 's levens lang vertoeven

bekwaam was om, met pijne en dwang,

den vrij gewenschten hemelgang

nog langer te bedroeven!

Zij zou, zij moeste henengaan

en ons eilaas, met rouw belaân,

voor goed indachtig maken

hoe groote schat van kostbaarheid

ons is en blijft in 't graf geleid,

en niet meer aan te raken!

Zij weg, 't is alles meê met haar,

dat troost was en geluk, voorwaar,

in 't leven. o Komt weder,

als liefde, als hope, als hulpe, als raad;

en daalt, zoo God u dalen laat,

gezuster, nogmaals neder!

Komt, helpt ons en bewaart dien band

onbreekbaar, dien uw zoete hand

wist om ons hert te binden;

opdat wij, maar van lijve alleen

en voor nen korten tijd, geschee'n,

ons namaals wedervinden!

CII

G. E. J. D. J.

1886

Zoo men soms bij zomernachten

hooge omhooge een sterre ziet,

die op snelle vederschachten

schielijk door den Hemel schiet,

zoo zijt gij ons, die het leven

ons verblijddet meest van al,

schaars een stonde of twee gebleven

Gustafke, in dit tranendal!

Zegt, waar zijt gij, die zoo lieflijk,

alle leedzijn ons ontloecht;

gij die biddend, hemeldieflijk

hieldt uw handtjes zaamgevoegd

als gij zeidet: "Nader, nader,

kome uw rijk?... "En wij voortaan

zuchten, met u zeggend: "Vader,

Vader, zij uw wil voldaan!"

CIII

F.B.

1886

Kerkhofblommen · 第 4 / 6 段